Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-13
ECLI:NL:RBDHA:2026:11884
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - meervoudig
10,983 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11884 text/xml public 2026-05-18T08:07:48 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-13 NL25.26011 en NL25.26012 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11884 text/html public 2026-05-18T08:06:56 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11884 Rechtbank Den Haag , 13-05-2026 / NL25.26011 en NL25.26012 Asiel/Gaza/uitsluiting subsidiaire bescherming/Unierechtelijk openbare orde criterium/evenredigheid. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser is geboren in Gaza Stad en gevlucht vanwege de algemene situatie in Gaza. De minister heeft de asielaanvraag afgewezen, omdat eiser niet in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming. Eiser is namelijk veroordeeld voor het tweemaal plegen van brandstichting en vormt door zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. De rechtbank is van oordeel dat de minister bij de beoordeling van eisers persoonlijke gedragingen niet kenbaar alle individuele omstandigheden heeft betrokken. Dit vormt een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister daarnaast onvoldoende gemotiveerd dat de maatregel geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is. Daartoe overweegt de rechtbank dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het weigeren van subsidiaire bescherming geschikt is om de samenleving te beschermen. De rechtbank oordeelt verder dat ook de noodzakelijkheid van de maatregel onvoldoende is gemotiveerd, nu de minister nalaat te motiveren waarom geen lichter middel voorhanden is om de samenleving te beschermen. Ook gelet op de eerder besproken individuele omstandigheden in overwegingen is onvoldoende gemotiveerd dat deze maatregel evenwichtig is. Het beroep is gegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL25.26011 (beroep) NL25.26012 (voorlopige voorziening) V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de meervoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 2001, van onbekende nationaliteit, eiser/verzoeker, (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. F. Lavell), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. W.J. Poot). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en het verzoek om een voorlopige voorziening. 1.1. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 5 juni 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser komt niet in aanmerking voor subsidiaire bescherming omdat hij een gevaar voor de gemeenschap vormt. 1.2. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft hierop gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen B. Ghaly in de taal Arabisch. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook is ter zitting verschenen GZ-psycholoog en regiebehandelaar van eiser, [de persoon] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten van eiser, de beroepsgronden. 3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Waar gaat deze zaak over? 4.1. Eiser is geboren in Gaza Stad en in 2021 gevlucht vanwege de algemene situatie in Gaza. Op 21 januari 2024 heeft eiser in Nederland een asielaanvraag ingediend. 4.2. Op 13 februari 2025 heeft de minister geprobeerd eiser te horen. Dat gehoor is afgebroken omdat eiser verward gedrag vertoonde. Vanwege zijn gedrag is eiser in het asielzoekerscentrum in Ter Apel in een time-out voorziening geplaatst. Op 5 maart 2024 heeft eiser daar brand gesticht. Hij is daarvoor aangehouden en in voorlopige hechtenis geplaatst. Op 14 maart 2024 heeft eiser opnieuw brandgesticht in de Penitentiaire Inrichting in Leeuwarden. Voor deze misdrijven is eiser op 10 april 2025 door de strafrechter in de meervoudige kamer veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren . Daarbij zijn aan eiser bijzondere voorwaarden opgelegd, onder andere gedurende maximaal 12 maanden een opname en behandeling bij een Forensisch Psychische Afdeling en aansluitend begeleid wonen en een ambulante behandeling zolang de reclassering dit nodig vindt. 4.3. Bij de strafbepaling heeft de strafrechter onder andere rekening gehouden met het psychologisch Pro Justitia rapport van 19 december 2024. De strafrechter heeft in dat verband het volgende overwogen: “In het psychologisch pro-Justitiarapport is geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een uitgebreide cognitieve stoornis door traumatisch hersenletsel, late gevolgen van diffuus traumatisch hersenletsel met bewusteloosheid met blijvende ernstige lichamelijke beperkingen, een andere gespecificeerde schizofreniespectrumstoornis- of andere psychotische stoornis (met wanen en hallucinaties), een posttraumatische stressstoornis met dissociatieve symptomen en diverse psychosociale factoren die van invloed zijn op het functioneren. Deze stoornissen hebben verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde beïnvloed. De psycholoog heeft geadviseerd het ten laste gelegde sterk verminderd aan verdachte toe te rekenen, nu er zeer sterke aanwijzingen zijn dat verdachte op het moment van beide ten laste gelegde feiten floride psychotisch was en dat hij in dit toestandsbeeld met verlies van realiteit, wanen en hallucinaties bewust of onbewust tot brandstichting is gekomen. Indien verdachte vrijkomt zonder interventies wordt het risico op recidive in geweld, ernstig lichamelijk letsel en/of acuut dreigend geweld ingeschat op matig tot hoog. De psycholoog heeft geadviseerd tot opname in een klinische behandelsetting, met kennis van niet-aangeboren hersenletsel, posttraumatische stressklachten en psychotische stoornissen, en dat op te nemen als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel. Daarnaast acht de psycholoog het van belang dat verdachte begeleid wordt in de opbouw van zijn zelfstandigheid, het ontwikkelen van werk/dagbesteding en het resocialiseren. Ook bij het opbouwen van vrijheden zal hij begeleiding nodig hebben.” 4.4. De strafrechter heeft het advies van de psycholoog overgenomen. Daarnaast heeft de strafrechter overwogen: “De rechtbank heeft kennisgenomen van de onzekere verblijfssituatie van verdachte en de (financierings)problemen die dat mogelijk met zich meebrengt. De problematiek van verdachte is echter complex en gelet op de risicovolle feiten die verdachte heeft gepleegd onder invloed van die problematiek is de situatie zeer zorgelijk. Behandeling is dan ook noodzakelijk en de rechtbank is van oordeel dat daar, met inachtneming van het feit dat verdachte in elk geval voorlopig rechtmatig in Nederland verblijft, op de kortst mogelijke termijn mee moet worden gestart. Daarbij acht de rechtbank het van belang dat klinische behandeling direct aansluitend aan detentie plaatsvindt.” 4.5. Eiser heeft vervolgens tot 29 mei 2025 in detentie doorgebracht en de periode daarna bij een Forensisch Psychiatrische Afdeling. Daar verblijft eiser momenteel nog steeds. In beroep heeft eiser een delictsanalyse van 28 januari 2026 overgelegd en een evaluatie van het behandelplan van 3 maart 2026. 4.5.1. In de delictsanalyse staat een uitgebreide beschrijving van eisers jeugd en de traumatische gebeurtenissen die hij heeft meegemaakt, van zijn vlucht uit Gaza en van zijn reis naar Europa.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11884 text/xml public 2026-05-18T08:07:48 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-13 NL25.26011 en NL25.26012 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11884 text/html public 2026-05-18T08:06:56 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11884 Rechtbank Den Haag , 13-05-2026 / NL25.26011 en NL25.26012 Asiel/Gaza/uitsluiting subsidiaire bescherming/Unierechtelijk openbare orde criterium/evenredigheid. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser is geboren in Gaza Stad en gevlucht vanwege de algemene situatie in Gaza. De minister heeft de asielaanvraag afgewezen, omdat eiser niet in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming. Eiser is namelijk veroordeeld voor het tweemaal plegen van brandstichting en vormt door zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. De rechtbank is van oordeel dat de minister bij de beoordeling van eisers persoonlijke gedragingen niet kenbaar alle individuele omstandigheden heeft betrokken. Dit vormt een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister daarnaast onvoldoende gemotiveerd dat de maatregel geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is. Daartoe overweegt de rechtbank dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het weigeren van subsidiaire bescherming geschikt is om de samenleving te beschermen. De rechtbank oordeelt verder dat ook de noodzakelijkheid van de maatregel onvoldoende is gemotiveerd, nu de minister nalaat te motiveren waarom geen lichter middel voorhanden is om de samenleving te beschermen. Ook gelet op de eerder besproken individuele omstandigheden in overwegingen is onvoldoende gemotiveerd dat deze maatregel evenwichtig is. Het beroep is gegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL25.26011 (beroep) NL25.26012 (voorlopige voorziening) V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de meervoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 2001, van onbekende nationaliteit, eiser/verzoeker, (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. F. Lavell), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. W.J. Poot). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en het verzoek om een voorlopige voorziening. 1.1. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 5 juni 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser komt niet in aanmerking voor subsidiaire bescherming omdat hij een gevaar voor de gemeenschap vormt. 1.2. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft hierop gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen B. Ghaly in de taal Arabisch. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook is ter zitting verschenen GZ-psycholoog en regiebehandelaar van eiser, [de persoon] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten van eiser, de beroepsgronden. 3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Waar gaat deze zaak over? 4.1. Eiser is geboren in Gaza Stad en in 2021 gevlucht vanwege de algemene situatie in Gaza. Op 21 januari 2024 heeft eiser in Nederland een asielaanvraag ingediend. 4.2. Op 13 februari 2025 heeft de minister geprobeerd eiser te horen. Dat gehoor is afgebroken omdat eiser verward gedrag vertoonde. Vanwege zijn gedrag is eiser in het asielzoekerscentrum in Ter Apel in een time-out voorziening geplaatst. Op 5 maart 2024 heeft eiser daar brand gesticht. Hij is daarvoor aangehouden en in voorlopige hechtenis geplaatst. Op 14 maart 2024 heeft eiser opnieuw brandgesticht in de Penitentiaire Inrichting in Leeuwarden. Voor deze misdrijven is eiser op 10 april 2025 door de strafrechter in de meervoudige kamer veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren . Daarbij zijn aan eiser bijzondere voorwaarden opgelegd, onder andere gedurende maximaal 12 maanden een opname en behandeling bij een Forensisch Psychische Afdeling en aansluitend begeleid wonen en een ambulante behandeling zolang de reclassering dit nodig vindt. 4.3. Bij de strafbepaling heeft de strafrechter onder andere rekening gehouden met het psychologisch Pro Justitia rapport van 19 december 2024. De strafrechter heeft in dat verband het volgende overwogen: “In het psychologisch pro-Justitiarapport is geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een uitgebreide cognitieve stoornis door traumatisch hersenletsel, late gevolgen van diffuus traumatisch hersenletsel met bewusteloosheid met blijvende ernstige lichamelijke beperkingen, een andere gespecificeerde schizofreniespectrumstoornis- of andere psychotische stoornis (met wanen en hallucinaties), een posttraumatische stressstoornis met dissociatieve symptomen en diverse psychosociale factoren die van invloed zijn op het functioneren. Deze stoornissen hebben verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde beïnvloed. De psycholoog heeft geadviseerd het ten laste gelegde sterk verminderd aan verdachte toe te rekenen, nu er zeer sterke aanwijzingen zijn dat verdachte op het moment van beide ten laste gelegde feiten floride psychotisch was en dat hij in dit toestandsbeeld met verlies van realiteit, wanen en hallucinaties bewust of onbewust tot brandstichting is gekomen. Indien verdachte vrijkomt zonder interventies wordt het risico op recidive in geweld, ernstig lichamelijk letsel en/of acuut dreigend geweld ingeschat op matig tot hoog. De psycholoog heeft geadviseerd tot opname in een klinische behandelsetting, met kennis van niet-aangeboren hersenletsel, posttraumatische stressklachten en psychotische stoornissen, en dat op te nemen als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel. Daarnaast acht de psycholoog het van belang dat verdachte begeleid wordt in de opbouw van zijn zelfstandigheid, het ontwikkelen van werk/dagbesteding en het resocialiseren. Ook bij het opbouwen van vrijheden zal hij begeleiding nodig hebben.” 4.4. De strafrechter heeft het advies van de psycholoog overgenomen. Daarnaast heeft de strafrechter overwogen: “De rechtbank heeft kennisgenomen van de onzekere verblijfssituatie van verdachte en de (financierings)problemen die dat mogelijk met zich meebrengt. De problematiek van verdachte is echter complex en gelet op de risicovolle feiten die verdachte heeft gepleegd onder invloed van die problematiek is de situatie zeer zorgelijk. Behandeling is dan ook noodzakelijk en de rechtbank is van oordeel dat daar, met inachtneming van het feit dat verdachte in elk geval voorlopig rechtmatig in Nederland verblijft, op de kortst mogelijke termijn mee moet worden gestart. Daarbij acht de rechtbank het van belang dat klinische behandeling direct aansluitend aan detentie plaatsvindt.” 4.5. Eiser heeft vervolgens tot 29 mei 2025 in detentie doorgebracht en de periode daarna bij een Forensisch Psychiatrische Afdeling. Daar verblijft eiser momenteel nog steeds. In beroep heeft eiser een delictsanalyse van 28 januari 2026 overgelegd en een evaluatie van het behandelplan van 3 maart 2026. 4.5.1. In de delictsanalyse staat een uitgebreide beschrijving van eisers jeugd en de traumatische gebeurtenissen die hij heeft meegemaakt, van zijn vlucht uit Gaza en van zijn reis naar Europa.
Volledig
Ook staat hierin dat eiser voorafgaand aan de eerste brandstichting al psychotisch overkwam, dat familieleden hun zorgen hadden geuit, dat hij medicatie zou krijgen tegen een psychose en ten tijde van de brandstichtingen stemmen hoorde van demonen die hem de opdracht gaven om brand te stichten. Ten tijde van de delicten was sprake van een psychotische toestand, secundair aan een complex trauma. 4.5.2. In de evaluatie van het behandelplan staat verder dat voor eiser binnen een gestructureerd kader een laag recidiverisico bestaat. Buiten een gestructureerd kader wordt dit risico ingeschat op matig tot hoog. Bij het wegvallen van structuur, behandeling of medicatie wordt het risico op ontregeling en delict gedrag verhoogd. De klinische behandeling kan worden afgerond, eiser is toe aan een stap buiten de kliniek in een beschermde forensische woonvorm in combinatie met ambulante forensische behandeling. 4.6. Op de zitting heeft eiser hieraan toegevoegd dat hij bezig is met Nederlandse taalles. Hij is op 23 maart 2026, ondanks zijn onzekere asielstatus, door het Leger des Heils toegelaten tot forensisch beschermd wonen. Eiser mag daar binnenkort naartoe. 4.7. Bovenstaande relevante feiten zijn tussen partijen niet in geschil. Hiermee staat vast dat eiser ten tijde van de gepleegde delicten waarvoor hij is veroordeeld floride psychotisch was en dat zijn psychische problematiek mede haar oorsprong vindt in wat eiser in zijn land van herkomst heeft meegemaakt. Het bestreden besluit 5. De minister heeft de asielaanvraag afgewezen, voor zover in beroep van belang omdat eiser niet in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming. Eiser is namelijk veroordeeld voor het tweemaal plegen van brandstichting en vormt door zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. 5.1. De minister heeft het gevaar voor de openbare orde in het besluit als volgt gemotiveerd. Eiser is veroordeeld voor opzettelijke brandstichting en is doorgegaan met het stichten van de brand toen het aanwezige personeel de brand al probeerde te blussen. Ook blijkt uit het verslag van het nader gehoor dat eiser de gepleegde feiten ontkent. Hieruit blijkt geen spijtbetuiging of verantwoordelijkheid voor de gepleegde feiten. Eiser vormt daarbij een actuele bedreiging, nu er een kort tijdsbestek zit tussen de veroordelingen en nu. De werkelijke bedreiging vloeit voort uit de gevangenisstraf waardoor de bedreiging van de openbare orde aanwijsbaar en tastbaar is. Ook speelt de aard en de ernst van het strafbare feit een rol in de beoordeling, waarbij brandstichting kwalificeert als een voldoende ernstig misdrijf. Tot slot raakt de brandstichting een fundamenteel belang van de samenleving nu zowel schade aan goederen als angst bij personen is toegebracht. De minister concludeert daarom dat eiser gelet op zijn persoonlijk gedrag een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. 5.2. Volgens de minister is het onthouden van subsidiaire bescherming voorts een evenredige maatregel. De maatregel is geschikt, omdat het doel van de maatregel is om de Nederlandse samenleving tegen eiser te beschermen. De maatregel is noodzakelijk omdat de samenleving tegen eiser wordt beschermd en er geen ander lichter middel beschikbaar is. De maatregel is ook evenwichtig, omdat eiser geen dusdanige band heeft opgebouwd met Nederland en in het strafvonnis rekening is gehouden met de verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid, maar alsnog een gevangenisstraf van 20 maanden is opgelegd. De gronden van beroep 6. Eiser kan zich niet vinden in het bestreden besluit. Hij betwist dat hij een gevaar voor de openbare orde vormt. 6.1. Volgens eiser is de individuele beoordeling onzorgvuldig uitgevoerd. De minister heeft ten onrechte weinig oog voor de mentale conditie van eiser toen hij de strafbare feiten beging, en ook nog ten tijde van het nader gehoor. Daarbij is de mentale toestand van eiser sterk verbeterd door de behandelingen die hij ondergaat. De minister heeft onvoldoende onderzocht of eiser nu nog een actueel gevaar vormt. 6.2. Eiser voert verder aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn individuele omstandigheden en dat het onthouden van subsidiaire bescherming onevenredig is. Het juridisch kader 7. Uit artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw volgt dat een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden verleend aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade. Dit wordt ook wel subsidiaire bescherming genoemd. Nu de minister in beginsel aanneemt dat vreemdelingen uit Gaza een reëel risico lopen op willekeurig geweld bij terugkeer, komt eiser in aanmerking voor subsidiaire bescherming. 7.1. Een vreemdeling wordt echter uitgesloten van subsidiaire bescherming wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat hij een ernstig misdrijf heeft gepleegd. Dit volgt uit artikel 17, eerste lid, sub b, van de Kwalificatierichtlijn . Deze bepaling is geïmplementeerd in artikel 3.105e, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb . 7.2. In paragraaf C2/7.10 van de Vc heeft de minister uitgewerkt hoe hij onderzoekt of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde. De minister beoordeelt op basis van een individuele beoordeling en aan de hand van het Unierechtelijk openbare orde-criterium of het persoonlijk gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. De toepassing van het Unierechtelijk openbare orde-criterium is verder uitgewerkt in een werkinstructie. 8. De minister toetst vervolgens of het onthouden van subsidiaire bescherming, op de grond dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt, evenredig is. Dit volgt uit paragraaf C2/7.10.4.4 en 7.10.3.4 van de Vc. De minister beoordeelt daarbij of de maatregel geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is. Daarbij houdt de minister rekening met alle individuele omstandigheden, zoals de band met Nederland, de band met het land van herkomst, een eventueel bestaand terugkeerbeletsel en het belang van de Nederlandse Staat. De beoordeling door de rechtbank 9. Allereerst stelt de rechtbank vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser ernstige misdrijven heeft gepleegd. 9.1. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser daardoor een gevaar vormt voor de openbare orde, dus of eiser (1) door zijn persoonlijke gedrag een (2) werkelijke, (3) actuele en (4) voldoende ernstige bedreiging vormt voor een (5) fundamenteel belang van de samenleving. 9.2. De rechtbank is van oordeel dat de door de minister gemaakte beoordeling ten aanzien van het persoonlijk gedrag van eiser onvoldoende zorgvuldig is geweest. De minister heeft daarbij namelijk niet kenbaar alle individuele omstandigheden van eiser betrokken, zoals overwogen onder 4.1 tot en met 4.7, waaronder het feit dat eiser ten tijde van de gepleegde delicten floride psychotisch was. Dit staat immers niet ter discussie. Ook heeft de minister ten onrechte tegengeworpen dat eiser in het nader gehoor zijn daden heeft ontkend. Hoewel het juist is dat eiser de daden heeft ontkend, is de rechtbank van oordeel dat aan de verklaringen in het nader gehoor niet de waarde kan worden gehecht die de minister daaraan toekent omdat eiser op het moment van het nader gehoor nog in voorlopige hechtenis zat en nog kampte met psychische problemen waarvoor hij behandeld diende te worden. De minister heeft uit de persoonlijke gedragingen van eiser daarom ten onrechte afgeleid dat hij niet de verantwoordelijkheid voor de door hem gepleegde misdrijven heeft willen nemen. 9.3. Uit het voorgaande volgt dat de minister bij de beoordeling van eisers persoonlijke gedragingen niet kenbaar alle individuele omstandigheden heeft betrokken. Dit vormt een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. 10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister daarnaast onvoldoende gemotiveerd dat de maatregel geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.
Volledig
Ook staat hierin dat eiser voorafgaand aan de eerste brandstichting al psychotisch overkwam, dat familieleden hun zorgen hadden geuit, dat hij medicatie zou krijgen tegen een psychose en ten tijde van de brandstichtingen stemmen hoorde van demonen die hem de opdracht gaven om brand te stichten. Ten tijde van de delicten was sprake van een psychotische toestand, secundair aan een complex trauma. 4.5.2. In de evaluatie van het behandelplan staat verder dat voor eiser binnen een gestructureerd kader een laag recidiverisico bestaat. Buiten een gestructureerd kader wordt dit risico ingeschat op matig tot hoog. Bij het wegvallen van structuur, behandeling of medicatie wordt het risico op ontregeling en delict gedrag verhoogd. De klinische behandeling kan worden afgerond, eiser is toe aan een stap buiten de kliniek in een beschermde forensische woonvorm in combinatie met ambulante forensische behandeling. 4.6. Op de zitting heeft eiser hieraan toegevoegd dat hij bezig is met Nederlandse taalles. Hij is op 23 maart 2026, ondanks zijn onzekere asielstatus, door het Leger des Heils toegelaten tot forensisch beschermd wonen. Eiser mag daar binnenkort naartoe. 4.7. Bovenstaande relevante feiten zijn tussen partijen niet in geschil. Hiermee staat vast dat eiser ten tijde van de gepleegde delicten waarvoor hij is veroordeeld floride psychotisch was en dat zijn psychische problematiek mede haar oorsprong vindt in wat eiser in zijn land van herkomst heeft meegemaakt. Het bestreden besluit 5. De minister heeft de asielaanvraag afgewezen, voor zover in beroep van belang omdat eiser niet in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming. Eiser is namelijk veroordeeld voor het tweemaal plegen van brandstichting en vormt door zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. 5.1. De minister heeft het gevaar voor de openbare orde in het besluit als volgt gemotiveerd. Eiser is veroordeeld voor opzettelijke brandstichting en is doorgegaan met het stichten van de brand toen het aanwezige personeel de brand al probeerde te blussen. Ook blijkt uit het verslag van het nader gehoor dat eiser de gepleegde feiten ontkent. Hieruit blijkt geen spijtbetuiging of verantwoordelijkheid voor de gepleegde feiten. Eiser vormt daarbij een actuele bedreiging, nu er een kort tijdsbestek zit tussen de veroordelingen en nu. De werkelijke bedreiging vloeit voort uit de gevangenisstraf waardoor de bedreiging van de openbare orde aanwijsbaar en tastbaar is. Ook speelt de aard en de ernst van het strafbare feit een rol in de beoordeling, waarbij brandstichting kwalificeert als een voldoende ernstig misdrijf. Tot slot raakt de brandstichting een fundamenteel belang van de samenleving nu zowel schade aan goederen als angst bij personen is toegebracht. De minister concludeert daarom dat eiser gelet op zijn persoonlijk gedrag een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. 5.2. Volgens de minister is het onthouden van subsidiaire bescherming voorts een evenredige maatregel. De maatregel is geschikt, omdat het doel van de maatregel is om de Nederlandse samenleving tegen eiser te beschermen. De maatregel is noodzakelijk omdat de samenleving tegen eiser wordt beschermd en er geen ander lichter middel beschikbaar is. De maatregel is ook evenwichtig, omdat eiser geen dusdanige band heeft opgebouwd met Nederland en in het strafvonnis rekening is gehouden met de verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid, maar alsnog een gevangenisstraf van 20 maanden is opgelegd. De gronden van beroep 6. Eiser kan zich niet vinden in het bestreden besluit. Hij betwist dat hij een gevaar voor de openbare orde vormt. 6.1. Volgens eiser is de individuele beoordeling onzorgvuldig uitgevoerd. De minister heeft ten onrechte weinig oog voor de mentale conditie van eiser toen hij de strafbare feiten beging, en ook nog ten tijde van het nader gehoor. Daarbij is de mentale toestand van eiser sterk verbeterd door de behandelingen die hij ondergaat. De minister heeft onvoldoende onderzocht of eiser nu nog een actueel gevaar vormt. 6.2. Eiser voert verder aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn individuele omstandigheden en dat het onthouden van subsidiaire bescherming onevenredig is. Het juridisch kader 7. Uit artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw volgt dat een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden verleend aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade. Dit wordt ook wel subsidiaire bescherming genoemd. Nu de minister in beginsel aanneemt dat vreemdelingen uit Gaza een reëel risico lopen op willekeurig geweld bij terugkeer, komt eiser in aanmerking voor subsidiaire bescherming. 7.1. Een vreemdeling wordt echter uitgesloten van subsidiaire bescherming wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat hij een ernstig misdrijf heeft gepleegd. Dit volgt uit artikel 17, eerste lid, sub b, van de Kwalificatierichtlijn . Deze bepaling is geïmplementeerd in artikel 3.105e, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb . 7.2. In paragraaf C2/7.10 van de Vc heeft de minister uitgewerkt hoe hij onderzoekt of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde. De minister beoordeelt op basis van een individuele beoordeling en aan de hand van het Unierechtelijk openbare orde-criterium of het persoonlijk gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. De toepassing van het Unierechtelijk openbare orde-criterium is verder uitgewerkt in een werkinstructie. 8. De minister toetst vervolgens of het onthouden van subsidiaire bescherming, op de grond dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt, evenredig is. Dit volgt uit paragraaf C2/7.10.4.4 en 7.10.3.4 van de Vc. De minister beoordeelt daarbij of de maatregel geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is. Daarbij houdt de minister rekening met alle individuele omstandigheden, zoals de band met Nederland, de band met het land van herkomst, een eventueel bestaand terugkeerbeletsel en het belang van de Nederlandse Staat. De beoordeling door de rechtbank 9. Allereerst stelt de rechtbank vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser ernstige misdrijven heeft gepleegd. 9.1. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser daardoor een gevaar vormt voor de openbare orde, dus of eiser (1) door zijn persoonlijke gedrag een (2) werkelijke, (3) actuele en (4) voldoende ernstige bedreiging vormt voor een (5) fundamenteel belang van de samenleving. 9.2. De rechtbank is van oordeel dat de door de minister gemaakte beoordeling ten aanzien van het persoonlijk gedrag van eiser onvoldoende zorgvuldig is geweest. De minister heeft daarbij namelijk niet kenbaar alle individuele omstandigheden van eiser betrokken, zoals overwogen onder 4.1 tot en met 4.7, waaronder het feit dat eiser ten tijde van de gepleegde delicten floride psychotisch was. Dit staat immers niet ter discussie. Ook heeft de minister ten onrechte tegengeworpen dat eiser in het nader gehoor zijn daden heeft ontkend. Hoewel het juist is dat eiser de daden heeft ontkend, is de rechtbank van oordeel dat aan de verklaringen in het nader gehoor niet de waarde kan worden gehecht die de minister daaraan toekent omdat eiser op het moment van het nader gehoor nog in voorlopige hechtenis zat en nog kampte met psychische problemen waarvoor hij behandeld diende te worden. De minister heeft uit de persoonlijke gedragingen van eiser daarom ten onrechte afgeleid dat hij niet de verantwoordelijkheid voor de door hem gepleegde misdrijven heeft willen nemen. 9.3. Uit het voorgaande volgt dat de minister bij de beoordeling van eisers persoonlijke gedragingen niet kenbaar alle individuele omstandigheden heeft betrokken. Dit vormt een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. 10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister daarnaast onvoldoende gemotiveerd dat de maatregel geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.
Volledig
Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. 10.1. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het weigeren van subsidiaire bescherming geschikt is om de samenleving te beschermen. Vast staat immers dat eiser de delicten onder invloed van een psychose heeft gepleegd en dat de psychische problematiek van eiser door deze maatregel niet wordt opgelost. Ook eiser zelf zal door deze maatregel niet ineens ‘verdwijnen’; hij is immers niet uitzetbaar. Het vertrek van eiser uit Nederland kan niet worden afgedwongen, vanwege de veiligheidssituatie in Gaza. Er is dus sprake van een terugkeerbeletsel. Dat eiser op grond van de wet een zelfstandige vertrekplicht heeft, is bovendien tegenstrijdig met het standpunt van de minister dat het eiser vrijstaat om de behandeling die als bijzondere voorwaarde door de strafrechter is opgelegd, in Nederland af te maken. De minister heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom het onthouden van de subsidiaire bescherming geschikt is om de samenleving te beschermen. 10.2. De rechtbank oordeelt verder dat ook de noodzakelijkheid van de maatregel onvoldoende is gemotiveerd, nu de minister nalaat te motiveren waarom geen lichter middel voorhanden is om de samenleving te beschermen. De minister hecht veel waarde aan het strafrechtelijk vonnis, maar betrekt hierbij onvoldoende dat in ditzelfde vonnis niet alleen het belang van een zorgvuldige en stapsgewijze resocialisatie is onderschreven, maar ook is overwogen dat het risico op recidive zonder interventies wordt ingeschat op matig tot hoog. Dit komt overeen met de in beroep overgelegde evaluatie van het behandelplan, waarin staat dat binnen een gestructureerd kader een laag recidiverisico bestaat, maar dat dit risico buiten een gestructureerd kader wordt ingeschat op matig tot hoog. Verder staat hierin toegelicht dat bij het wegvallen van structuur, behandeling of medicatie, het risico op ontregeling en delictgedrag wordt verhoogd. Op de zitting heeft de psychologisch behandelaar van eiser toegelicht dat eiser op dit moment is gestabiliseerd. Een lichter middel om de samenleving te beschermen zou bijvoorbeeld het voortzetten van de behandeling en het blijven monitoren van eiser kunnen zijn. De behandeling vormt bovendien een band met Nederland, die volgens het beleid moet worden betrokken in de afweging. Niet deugdelijk is gemotiveerd op welke wijze de samenleving wordt beschermd met het onthouden van de subsidiaire bescherming als dit ertoe zou leiden dat de kans op recidive wordt vergroot. 10.3. Ook gelet op de eerder besproken individuele omstandigheden in overwegingen 4.1 tot en met 4.7 is onvoldoende gemotiveerd dat deze maatregel evenwichtig is. Conclusie en gevolgen 11. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb . De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Hiervoor krijgt de minister zes weken de tijd. Indien de minister aanleiding ziet om nader onderzoek te verrichten naar de individuele omstandigheden, wordt deze termijn verlengd met zes weken. 12. Nu de rechtbank op het beroep heeft beslist, bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen. 13. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder NL25.26011: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt de minister op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De minister krijgt hiervoor zes weken de tijd. Indien de minister aanleiding ziet om nader onderzoek te verrichten naar de individuele omstandigheden, wordt deze termijn verlengd met zes weken. De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder NL25.26012: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. De rechtbank en voorzieningenrechter, in beide zaken: - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzitter, en mr. H.J. Schaberg en mr. M.H.W. Franssen, leden, in aanwezigheid van mr. K.J. Vos, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. ECLI:NL:RBNNE:2025:1380. Vreemdelingenwet 2000. Zoals bedoeld in artikel 28 van de Vw. Richtlijn 2011/95/EU. Vreemdelingenbesluit 2000. Vreemdelingencirculaire 2000. WI 2022/12. “Het Unierechtelijk openbare orde criterium”. Algemene wet bestuursrecht.
Volledig
Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. 10.1. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het weigeren van subsidiaire bescherming geschikt is om de samenleving te beschermen. Vast staat immers dat eiser de delicten onder invloed van een psychose heeft gepleegd en dat de psychische problematiek van eiser door deze maatregel niet wordt opgelost. Ook eiser zelf zal door deze maatregel niet ineens ‘verdwijnen’; hij is immers niet uitzetbaar. Het vertrek van eiser uit Nederland kan niet worden afgedwongen, vanwege de veiligheidssituatie in Gaza. Er is dus sprake van een terugkeerbeletsel. Dat eiser op grond van de wet een zelfstandige vertrekplicht heeft, is bovendien tegenstrijdig met het standpunt van de minister dat het eiser vrijstaat om de behandeling die als bijzondere voorwaarde door de strafrechter is opgelegd, in Nederland af te maken. De minister heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom het onthouden van de subsidiaire bescherming geschikt is om de samenleving te beschermen. 10.2. De rechtbank oordeelt verder dat ook de noodzakelijkheid van de maatregel onvoldoende is gemotiveerd, nu de minister nalaat te motiveren waarom geen lichter middel voorhanden is om de samenleving te beschermen. De minister hecht veel waarde aan het strafrechtelijk vonnis, maar betrekt hierbij onvoldoende dat in ditzelfde vonnis niet alleen het belang van een zorgvuldige en stapsgewijze resocialisatie is onderschreven, maar ook is overwogen dat het risico op recidive zonder interventies wordt ingeschat op matig tot hoog. Dit komt overeen met de in beroep overgelegde evaluatie van het behandelplan, waarin staat dat binnen een gestructureerd kader een laag recidiverisico bestaat, maar dat dit risico buiten een gestructureerd kader wordt ingeschat op matig tot hoog. Verder staat hierin toegelicht dat bij het wegvallen van structuur, behandeling of medicatie, het risico op ontregeling en delictgedrag wordt verhoogd. Op de zitting heeft de psychologisch behandelaar van eiser toegelicht dat eiser op dit moment is gestabiliseerd. Een lichter middel om de samenleving te beschermen zou bijvoorbeeld het voortzetten van de behandeling en het blijven monitoren van eiser kunnen zijn. De behandeling vormt bovendien een band met Nederland, die volgens het beleid moet worden betrokken in de afweging. Niet deugdelijk is gemotiveerd op welke wijze de samenleving wordt beschermd met het onthouden van de subsidiaire bescherming als dit ertoe zou leiden dat de kans op recidive wordt vergroot. 10.3. Ook gelet op de eerder besproken individuele omstandigheden in overwegingen 4.1 tot en met 4.7 is onvoldoende gemotiveerd dat deze maatregel evenwichtig is. Conclusie en gevolgen 11. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb . De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Hiervoor krijgt de minister zes weken de tijd. Indien de minister aanleiding ziet om nader onderzoek te verrichten naar de individuele omstandigheden, wordt deze termijn verlengd met zes weken. 12. Nu de rechtbank op het beroep heeft beslist, bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen. 13. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder NL25.26011: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt de minister op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De minister krijgt hiervoor zes weken de tijd. Indien de minister aanleiding ziet om nader onderzoek te verrichten naar de individuele omstandigheden, wordt deze termijn verlengd met zes weken. De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder NL25.26012: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. De rechtbank en voorzieningenrechter, in beide zaken: - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzitter, en mr. H.J. Schaberg en mr. M.H.W. Franssen, leden, in aanwezigheid van mr. K.J. Vos, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. ECLI:NL:RBNNE:2025:1380. Vreemdelingenwet 2000. Zoals bedoeld in artikel 28 van de Vw. Richtlijn 2011/95/EU. Vreemdelingenbesluit 2000. Vreemdelingencirculaire 2000. WI 2022/12. “Het Unierechtelijk openbare orde criterium”. Algemene wet bestuursrecht.