Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-12
ECLI:NL:RBDHA:2026:11533
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,074 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11533 text/xml public 2026-05-19T12:00:25 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-12 NL26.23646 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11533 text/html public 2026-05-12T13:25:06 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11533 Rechtbank Den Haag , 12-05-2026 / NL26.23646 Maatregel van bewaring ogv 59a. Voldoende gronden. Ordemaatregel geen aanleiding mvb op te heffen. Geen aanleiding lichter middel. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL26.23646 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser gemachtigde: mr. A.J. de Boer, en de minister van Asiel en Migratie, gemachtigde: drs, J,P,M, Wuite. Procesverloop Bij besluit van 26 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft door middel van een afstandsverklaring afstand gedaan van het recht om te worden gehoord en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1995. 2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 3. Eiser heeft de aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde gronden, met uitzondering van de zware grond 3k, niet betwist. 3.1 De rechtbank stelt vast dat de zware gronden 3a en 3b feitelijk juist zijn. Eiser beschikt niet over identiteitsdocumenten. Verder blijkt dat eiser op 25 februari 2025 met onbekende bestemming is vertrokken en niet is verschenen voor het vertrekgesprek van 10 april 2026. Deze gronden zijn reeds voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. Hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd hoeft geen bespreking. 4. In het besluit van 3 april 2026 heeft verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat de minister op grond van de Dublinverordening Spanje verantwoordelijk acht voor de behandeling van de asielaanvraag. Op 6 mei 2026 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats in de Dublinprocedure een ordemaatregel getroffen inhoudende dat het besluit van 3 april 2026 wordt geschorst en dat eiser niet mag worden overgedragen aan Spanje totdat op het asielberoep is beslist. Eiser stelt zich op het standpunt dat omdat overdracht aan Spanje in afwachting van de beslissing op het asielberoep niet mogelijk is, de bewaring moet worden opgeheven. De rechtbank volgt dit niet. Op grond van artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening wordt de overdracht uitgevoerd uiterlijk binnen zes weken vanaf de impliciete of expliciete aanvaarding van het overname- of terugnameverzoek, dan wel vanaf het tijdstip waarop het beroep niet langer schorsende werking heeft overeenkomstig artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening. Vanwege de getroffen ordemaatregel in de Dublinprocedure betekent dit voor eiser dat de maatregel van bewaring kan voortduren totdat op het beroep is beslist. De minister kan dus niet worden verweten dat hij onvoldoende voortvarend aan de overdracht werkt. De rechtbank begrijpt dat eiser de beslissing op zijn beroep liever in vrijheid wil afwachten, maar gelet op het risico dat bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, hoeft de minister geen aanleiding te zien om de maatregel op te heffen. Eiser heeft geen argumenten aangevoerd die de rechtbank tot een ander oordeel brengen. Deze beroepsgrond slaagt niet. 5. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat niet met een lichter middel kon worden volstaan. 5.1 De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De minister heeft daarbij verwezen naar de aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde gronden waaruit blijkt dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Dit alles maakt dat de minister niet het risico hoefde te lopen dat eiser zich opnieuw zou onttrekken aan de overdracht. Deze beroepsgrond slaagt niet. 6. Ook overigens is niet gebleken dat (het voortduren van) de maatregel van bewaring onrechtmatig was. 7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van H.B. Slot - Akkerman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. NL26.19929. ECLI:EU:C:2022:858.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11533 text/xml public 2026-05-19T12:00:25 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-12 NL26.23646 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11533 text/html public 2026-05-12T13:25:06 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11533 Rechtbank Den Haag , 12-05-2026 / NL26.23646 Maatregel van bewaring ogv 59a. Voldoende gronden. Ordemaatregel geen aanleiding mvb op te heffen. Geen aanleiding lichter middel. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL26.23646 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser gemachtigde: mr. A.J. de Boer, en de minister van Asiel en Migratie, gemachtigde: drs, J,P,M, Wuite. Procesverloop Bij besluit van 26 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft door middel van een afstandsverklaring afstand gedaan van het recht om te worden gehoord en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1995. 2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 3. Eiser heeft de aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde gronden, met uitzondering van de zware grond 3k, niet betwist. 3.1 De rechtbank stelt vast dat de zware gronden 3a en 3b feitelijk juist zijn. Eiser beschikt niet over identiteitsdocumenten. Verder blijkt dat eiser op 25 februari 2025 met onbekende bestemming is vertrokken en niet is verschenen voor het vertrekgesprek van 10 april 2026. Deze gronden zijn reeds voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. Hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd hoeft geen bespreking. 4. In het besluit van 3 april 2026 heeft verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat de minister op grond van de Dublinverordening Spanje verantwoordelijk acht voor de behandeling van de asielaanvraag. Op 6 mei 2026 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats in de Dublinprocedure een ordemaatregel getroffen inhoudende dat het besluit van 3 april 2026 wordt geschorst en dat eiser niet mag worden overgedragen aan Spanje totdat op het asielberoep is beslist. Eiser stelt zich op het standpunt dat omdat overdracht aan Spanje in afwachting van de beslissing op het asielberoep niet mogelijk is, de bewaring moet worden opgeheven. De rechtbank volgt dit niet. Op grond van artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening wordt de overdracht uitgevoerd uiterlijk binnen zes weken vanaf de impliciete of expliciete aanvaarding van het overname- of terugnameverzoek, dan wel vanaf het tijdstip waarop het beroep niet langer schorsende werking heeft overeenkomstig artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening. Vanwege de getroffen ordemaatregel in de Dublinprocedure betekent dit voor eiser dat de maatregel van bewaring kan voortduren totdat op het beroep is beslist. De minister kan dus niet worden verweten dat hij onvoldoende voortvarend aan de overdracht werkt. De rechtbank begrijpt dat eiser de beslissing op zijn beroep liever in vrijheid wil afwachten, maar gelet op het risico dat bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, hoeft de minister geen aanleiding te zien om de maatregel op te heffen. Eiser heeft geen argumenten aangevoerd die de rechtbank tot een ander oordeel brengen. Deze beroepsgrond slaagt niet. 5. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat niet met een lichter middel kon worden volstaan. 5.1 De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De minister heeft daarbij verwezen naar de aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde gronden waaruit blijkt dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Dit alles maakt dat de minister niet het risico hoefde te lopen dat eiser zich opnieuw zou onttrekken aan de overdracht. Deze beroepsgrond slaagt niet. 6. Ook overigens is niet gebleken dat (het voortduren van) de maatregel van bewaring onrechtmatig was. 7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van H.B. Slot - Akkerman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. NL26.19929. ECLI:EU:C:2022:858.