Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-11
ECLI:NL:RBDHA:2026:11460
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,365 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11460 text/xml public 2026-05-18T12:00:23 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-11 NL25.35655 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11460 text/html public 2026-05-11T15:41:49 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11460 Rechtbank Den Haag , 11-05-2026 / NL25.35655 Terugkeerbesluit en inreisverbod 2 jaar. Ambtshalve refoulementbeoordeling. Geen feiten of omstandigheden aangevoerd die de minister aanleiding hadden moeten geven geen inreisverbod op te leggen of de duur daarvan te beperken. Beroep ongegrond RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL25.35655 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. J.J. de Vries), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. C. Stoute). Procesverloop Bij besluit van 7 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt van Georgische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997. 2. De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Dat leidt er in dit geval echter niet toe dat eiser geen belang meer heeft bij het beroep. 3. De rechtbank stelt vast dat eiser geen gronden heeft gericht tegen het terugkeerbesluit. De rechtbank is ambtshalve van oordeel dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat de minister door uitvoering te geven aan het terugkeerbesluit het beginsel van non-refoulement schendt. De rechtbank wijst daartoe op de refoulementbeoordeling die de minister heeft gemaakt in het besluit van 31 juli 2025 dat is genomen naar aanleiding van de asielaanvraag die eiser heeft ingediend. Die beoordeling kan naar het oordeel van de rechtbank de rechterlijke toets doorstaan en niet is gebleken dat de situatie en de feiten en omstandigheden die op dat moment zijn beoordeeld inmiddels zijn gewijzigd. De minister heeft daarom terecht een terugkeerbesluit uitgevaardigd. 4. Eiser heeft aangevoerd dat de minister ten onrechte een inreisverbod van twee jaar heeft opgelegd. Het inreisverbod vormt een disproportionele inperking van zijn recht op vrije verplaatsing, zoals vastgelegd in artikel 13 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM). Hoewel beperkingen op dit recht mogelijk zijn, moeten deze noodzakelijk en proportioneel zijn om een legitiem doel te bereiken. In dit geval is niet aangetoond dat het opleggen van een inreisverbod van twee jaar noodzakelijk is. Er is geen sprake van een bedreiging van de openbare orde of nationale veiligheid. De enkele omstandigheid dat eiser Nederland moet verlaten, rechtvaardigt op zichzelf geen zware inbreuk op zijn fundamentele rechten. Bovendien leidt het inreisverbod tot ingrijpende gevolgen voor eisers persoonlijke leven en toekomstmogelijkheden. Volgens vaste jurisprudentie dient bij het opleggen van een inreisverbod een individuele beoordeling plaats te vinden, waarbij alle relevante persoonlijke omstandigheden worden meegewogen. De minister stelt dat er geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken, maar laat na om eisers specifieke situatie zorgvuldig te onderzoeken en te motiveren waarom het verbod noodzakelijk en proportioneel is. 4.1 Gelet op wat in rechtsoverweging 3 is overwogen blijft het terugkeerbesluit in stand. Daarmee is voldaan aan de voorwaarde voor het opleggen van een inreisverbod op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. 4.2 Op grond van het achtste lid van dit artikel kan om humanitaire of andere redenen worden afgezien van het opleggen van een inreisverbod. Het is aan eiser om die redenen aan te voeren. De vreemdeling wordt voorafgaand aan het uitvaardigen van terugkeerbesluit en het inreisverbod gehoord. Eiser is gehoord en heeft daarmee de mogelijkheid gehad deze redenen naar voren te brengen. 4.3 Geen inreisverbod wordt uitgevaardigd als dit een schending van artikel 8 van het EVRM betekent en bij het besluit tot het uitvaardigen van een inreisverbod weegt de IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen artikel 8 EVRM-aspecten mee. Artikel 6.5a van het Vb regelt de duur van het inreisverbod. 4.4 De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat door eiser geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd. Eiser heeft die tijdens het gehoor van 7 juli 2025 immers niet naar voren gebracht. De rechtbank begrijpt het standpunt van de minister verder zo dat omdat er geen omstandigheden zijn aangevoerd, er voor de minister geen aanleiding bestond om te beoordelen of er op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vw aanleiding bestond af te zien van het uitvaardigen van een inreisverbod en is van oordeel dat de minister zich op dat standpunt heeft kunnen stellen. 4.5 De minister heeft daarom een inreisverbod kunnen uitvaardigen. 4.6 De minister heeft verder in wat eiser aan feiten en omstandigheden heeft aangevoerd, waarbij de rechtbank verwijst naar wat hiervoor is overwogen, geen aanleiding hoeven zien de duur van dat inreisverbod te beperken tot minder dan twee jaar. 4.7 Gelet op het voorgaande is van een disproportionele en onrechtvaardige inperking van het fundamentele recht van eiser om zich vrij te bewegen, zoals vastgelegd in artikel 13 van de UVRM, geen sprake. 5. Het beroep is ongegrond. 6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.P. de Zwart, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) 1 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1804. Afdeling 2 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4178 (rechtsoverweging 13.5 en verder). Vgl. Afdeling 6 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2342. Paragraaf A4/2.4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Paragraaf A4/2.2 van de Vc.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11460 text/xml public 2026-05-18T12:00:23 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-11 NL25.35655 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11460 text/html public 2026-05-11T15:41:49 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11460 Rechtbank Den Haag , 11-05-2026 / NL25.35655 Terugkeerbesluit en inreisverbod 2 jaar. Ambtshalve refoulementbeoordeling. Geen feiten of omstandigheden aangevoerd die de minister aanleiding hadden moeten geven geen inreisverbod op te leggen of de duur daarvan te beperken. Beroep ongegrond RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL25.35655 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. J.J. de Vries), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. C. Stoute). Procesverloop Bij besluit van 7 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt van Georgische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997. 2. De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Dat leidt er in dit geval echter niet toe dat eiser geen belang meer heeft bij het beroep. 3. De rechtbank stelt vast dat eiser geen gronden heeft gericht tegen het terugkeerbesluit. De rechtbank is ambtshalve van oordeel dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat de minister door uitvoering te geven aan het terugkeerbesluit het beginsel van non-refoulement schendt. De rechtbank wijst daartoe op de refoulementbeoordeling die de minister heeft gemaakt in het besluit van 31 juli 2025 dat is genomen naar aanleiding van de asielaanvraag die eiser heeft ingediend. Die beoordeling kan naar het oordeel van de rechtbank de rechterlijke toets doorstaan en niet is gebleken dat de situatie en de feiten en omstandigheden die op dat moment zijn beoordeeld inmiddels zijn gewijzigd. De minister heeft daarom terecht een terugkeerbesluit uitgevaardigd. 4. Eiser heeft aangevoerd dat de minister ten onrechte een inreisverbod van twee jaar heeft opgelegd. Het inreisverbod vormt een disproportionele inperking van zijn recht op vrije verplaatsing, zoals vastgelegd in artikel 13 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM). Hoewel beperkingen op dit recht mogelijk zijn, moeten deze noodzakelijk en proportioneel zijn om een legitiem doel te bereiken. In dit geval is niet aangetoond dat het opleggen van een inreisverbod van twee jaar noodzakelijk is. Er is geen sprake van een bedreiging van de openbare orde of nationale veiligheid. De enkele omstandigheid dat eiser Nederland moet verlaten, rechtvaardigt op zichzelf geen zware inbreuk op zijn fundamentele rechten. Bovendien leidt het inreisverbod tot ingrijpende gevolgen voor eisers persoonlijke leven en toekomstmogelijkheden. Volgens vaste jurisprudentie dient bij het opleggen van een inreisverbod een individuele beoordeling plaats te vinden, waarbij alle relevante persoonlijke omstandigheden worden meegewogen. De minister stelt dat er geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken, maar laat na om eisers specifieke situatie zorgvuldig te onderzoeken en te motiveren waarom het verbod noodzakelijk en proportioneel is. 4.1 Gelet op wat in rechtsoverweging 3 is overwogen blijft het terugkeerbesluit in stand. Daarmee is voldaan aan de voorwaarde voor het opleggen van een inreisverbod op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. 4.2 Op grond van het achtste lid van dit artikel kan om humanitaire of andere redenen worden afgezien van het opleggen van een inreisverbod. Het is aan eiser om die redenen aan te voeren. De vreemdeling wordt voorafgaand aan het uitvaardigen van terugkeerbesluit en het inreisverbod gehoord. Eiser is gehoord en heeft daarmee de mogelijkheid gehad deze redenen naar voren te brengen. 4.3 Geen inreisverbod wordt uitgevaardigd als dit een schending van artikel 8 van het EVRM betekent en bij het besluit tot het uitvaardigen van een inreisverbod weegt de IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen artikel 8 EVRM-aspecten mee. Artikel 6.5a van het Vb regelt de duur van het inreisverbod. 4.4 De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat door eiser geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd. Eiser heeft die tijdens het gehoor van 7 juli 2025 immers niet naar voren gebracht. De rechtbank begrijpt het standpunt van de minister verder zo dat omdat er geen omstandigheden zijn aangevoerd, er voor de minister geen aanleiding bestond om te beoordelen of er op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vw aanleiding bestond af te zien van het uitvaardigen van een inreisverbod en is van oordeel dat de minister zich op dat standpunt heeft kunnen stellen. 4.5 De minister heeft daarom een inreisverbod kunnen uitvaardigen. 4.6 De minister heeft verder in wat eiser aan feiten en omstandigheden heeft aangevoerd, waarbij de rechtbank verwijst naar wat hiervoor is overwogen, geen aanleiding hoeven zien de duur van dat inreisverbod te beperken tot minder dan twee jaar. 4.7 Gelet op het voorgaande is van een disproportionele en onrechtvaardige inperking van het fundamentele recht van eiser om zich vrij te bewegen, zoals vastgelegd in artikel 13 van de UVRM, geen sprake. 5. Het beroep is ongegrond. 6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.P. de Zwart, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) 1 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1804. Afdeling 2 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4178 (rechtsoverweging 13.5 en verder). Vgl. Afdeling 6 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2342. Paragraaf A4/2.4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Paragraaf A4/2.2 van de Vc.