Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-07
ECLI:NL:RBDHA:2026:11368
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,921 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11368 text/xml public 2026-05-12T14:30:17 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-07 NL26.21390 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11368 text/html public 2026-05-11T10:06:27 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11368 Rechtbank Den Haag , 07-05-2026 / NL26.21390 Vervolgberoep artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Zicht op uitzetting naar Tunesië en Algerije ontbreekt in het algemeen niet. Voor zover eiser verder heeft willen betogen dat hetgeen eiser heeft verklaard tijdens een eerder vertrekgesprek niet veel verschilt met een volgend vertrekgesprek en de belangen van eiser daarom al op een eerder moment zwaarder hadden moeten wegen, wordt dit door de rechtbank niet gevolgd. Gelet op de niet-meewerkende houding van eiser gedurende de bewaringsperiode heeft de minister aanleiding gezien om eiser, bij de eerste uiting dat hij Nederland zal gaan verlaten, niet direct op zijn woord te geloven. Deze handelswijze acht de rechtbank niet onredelijk. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gewerkt aan eisers uitzetting. Beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.21390 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister) (gemachtigde: mr. J. Kaikai). Procesverloop De minister heeft op 7 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De minister heeft op 23 april 2026 de maatregel van bewaring opgeheven. De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1994. 2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. 3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 17 maart 2026 (in de zaak NL26.12105) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek. 4. Eiser voert aan dat er al eerder geen zicht op uitzetting was. Op 2 oktober 2025 is er een laissez-passer aanvraag ingediend bij de Tunesische autoriteiten en op 29 december 2025 een aanvraag bij de Algerijnse autoriteiten. Bij elkaar opgeteld zijn er tien maanden verstreken, zonder dat door de Tunesische autoriteiten dan wel de Algerijnse autoriteiten een laissez-passer is afgegeven. Verder voert eiser aan dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser. Eiser heeft al vanaf 29 augustus 2025 in bewaring verbleven. De belangen van eiser gaan, gelet op de duur van de bewaring, steeds zwaarder wegen. Gelet daarop had van de minister meer dan de gebruikelijke voortvarendheid mogen worden verwacht, aldus eiser. 4.1. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn zou zijn. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting naar Tunesië of Algerije in het algemeen niet ontbreekt. De omstandigheid dat er gedurende de vrijheidsbeneming nog geen laissez-passer is verstrekt kan de minister niet worden verweten. Daarbij merkt de rechtbank op dat de minister afhankelijk is van de Tunesische en Algerijnse autoriteiten en daar in beperkte mate invloed op kan uitoefenen. Bovendien rust er op eiser een verplichting op actief en volledig mee te werken aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit. Niet is gebleken dat eiser gedurende de inbewaringstelling inspanningen heeft verricht om aan documenten te komen die de afgifte van een laissez-passer zouden kunnen bevorderen. De beroepsgrond slaagt niet. 4.2. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gewerkt aan eisers uitzetting. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure de minister op 2 april 2026 en 23 april 2026 schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Tunesische en Algerijnse autoriteiten. Daarnaast zijn er op 19 maart 2026, 16 april 2026 en 23 april 2026 vertrekgesprekken gevoerd met eiser. Voor zover eiser heeft willen betogen dat hetgeen eiser heeft verklaard tijdens het vertrekgesprek op 23 april 2026 niet veel verschilt met het vertrekgesprek op 16 april 2026 en de belangen van eiser al op 16 april 2026 zwaarder hadden moeten wegen, wordt dit door de rechtbank niet gevolgd. De rechtbank onderschrijft het standpunt van de minister dat eiser bij zijn eerste uiting, tijdens het vertrekgesprek op 16 april 2026, waarin hij aangaf Nederland te zullen verlaten, nog een slag om de arm hield. Gelet op de niet-meewerkende houding van eiser gedurende de bewaringsperiode heeft de minister aanleiding gezien om eiser hierin niet direct op zijn woord te geloven. Deze handelswijze acht de rechtbank niet onredelijk. Vervolgens heeft eiser zelf op 23 april 2026 een vertrekgesprek aangevraagd vanwege nieuwe informatie. Daarin heeft eiser nogmaals verklaard dat hij Nederland direct zal verlaten. Verder geeft eiser aan dat zijn vriend in Italië zeer binnenkort zijn Italiaans paspoort zal ontvangen. Eiser zal samen met zijn vriend naar een land buiten Europa vertrekken en daar alles legaal regelen om zich uiteindelijk gezamenlijk in Italië te vestigen. Na het vertrekgesprek is de bewaring diezelfde dag nog opgeheven bij een afweging van belangen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gewerkt aan eisers uitzetting. De beroepsgrond slaagt niet. 5. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets waartoe de rechtbank is gehouden, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het opleggen of voortduren van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was. 6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Zie de uitspraken van 30 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3990 en 28 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:275. Zie de uitspraak van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892 en 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11368 text/xml public 2026-05-12T14:30:17 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-07 NL26.21390 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11368 text/html public 2026-05-11T10:06:27 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11368 Rechtbank Den Haag , 07-05-2026 / NL26.21390 Vervolgberoep artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Zicht op uitzetting naar Tunesië en Algerije ontbreekt in het algemeen niet. Voor zover eiser verder heeft willen betogen dat hetgeen eiser heeft verklaard tijdens een eerder vertrekgesprek niet veel verschilt met een volgend vertrekgesprek en de belangen van eiser daarom al op een eerder moment zwaarder hadden moeten wegen, wordt dit door de rechtbank niet gevolgd. Gelet op de niet-meewerkende houding van eiser gedurende de bewaringsperiode heeft de minister aanleiding gezien om eiser, bij de eerste uiting dat hij Nederland zal gaan verlaten, niet direct op zijn woord te geloven. Deze handelswijze acht de rechtbank niet onredelijk. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gewerkt aan eisers uitzetting. Beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.21390 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister) (gemachtigde: mr. J. Kaikai). Procesverloop De minister heeft op 7 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De minister heeft op 23 april 2026 de maatregel van bewaring opgeheven. De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1994. 2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. 3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 17 maart 2026 (in de zaak NL26.12105) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek. 4. Eiser voert aan dat er al eerder geen zicht op uitzetting was. Op 2 oktober 2025 is er een laissez-passer aanvraag ingediend bij de Tunesische autoriteiten en op 29 december 2025 een aanvraag bij de Algerijnse autoriteiten. Bij elkaar opgeteld zijn er tien maanden verstreken, zonder dat door de Tunesische autoriteiten dan wel de Algerijnse autoriteiten een laissez-passer is afgegeven. Verder voert eiser aan dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser. Eiser heeft al vanaf 29 augustus 2025 in bewaring verbleven. De belangen van eiser gaan, gelet op de duur van de bewaring, steeds zwaarder wegen. Gelet daarop had van de minister meer dan de gebruikelijke voortvarendheid mogen worden verwacht, aldus eiser. 4.1. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn zou zijn. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting naar Tunesië of Algerije in het algemeen niet ontbreekt. De omstandigheid dat er gedurende de vrijheidsbeneming nog geen laissez-passer is verstrekt kan de minister niet worden verweten. Daarbij merkt de rechtbank op dat de minister afhankelijk is van de Tunesische en Algerijnse autoriteiten en daar in beperkte mate invloed op kan uitoefenen. Bovendien rust er op eiser een verplichting op actief en volledig mee te werken aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit. Niet is gebleken dat eiser gedurende de inbewaringstelling inspanningen heeft verricht om aan documenten te komen die de afgifte van een laissez-passer zouden kunnen bevorderen. De beroepsgrond slaagt niet. 4.2. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gewerkt aan eisers uitzetting. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure de minister op 2 april 2026 en 23 april 2026 schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Tunesische en Algerijnse autoriteiten. Daarnaast zijn er op 19 maart 2026, 16 april 2026 en 23 april 2026 vertrekgesprekken gevoerd met eiser. Voor zover eiser heeft willen betogen dat hetgeen eiser heeft verklaard tijdens het vertrekgesprek op 23 april 2026 niet veel verschilt met het vertrekgesprek op 16 april 2026 en de belangen van eiser al op 16 april 2026 zwaarder hadden moeten wegen, wordt dit door de rechtbank niet gevolgd. De rechtbank onderschrijft het standpunt van de minister dat eiser bij zijn eerste uiting, tijdens het vertrekgesprek op 16 april 2026, waarin hij aangaf Nederland te zullen verlaten, nog een slag om de arm hield. Gelet op de niet-meewerkende houding van eiser gedurende de bewaringsperiode heeft de minister aanleiding gezien om eiser hierin niet direct op zijn woord te geloven. Deze handelswijze acht de rechtbank niet onredelijk. Vervolgens heeft eiser zelf op 23 april 2026 een vertrekgesprek aangevraagd vanwege nieuwe informatie. Daarin heeft eiser nogmaals verklaard dat hij Nederland direct zal verlaten. Verder geeft eiser aan dat zijn vriend in Italië zeer binnenkort zijn Italiaans paspoort zal ontvangen. Eiser zal samen met zijn vriend naar een land buiten Europa vertrekken en daar alles legaal regelen om zich uiteindelijk gezamenlijk in Italië te vestigen. Na het vertrekgesprek is de bewaring diezelfde dag nog opgeheven bij een afweging van belangen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gewerkt aan eisers uitzetting. De beroepsgrond slaagt niet. 5. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets waartoe de rechtbank is gehouden, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het opleggen of voortduren van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was. 6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Zie de uitspraken van 30 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3990 en 28 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:275. Zie de uitspraak van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892 en 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.