Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-31
ECLI:NL:RBDHA:2026:11100
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,138 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11100 text/xml public 2026-05-11T14:35:46 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-31 C/09/686320 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11100 text/html public 2026-05-11T07:54:04 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11100 Rechtbank Den Haag , 31-03-2026 / C/09/686320 Wijziging gezag (van eenhoofdig naar gezamenlijk gezag) en zorgregeling, wijziging kinderalimentatie. Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 25-4170 Zaaknummer: C/09/686320 Datum beschikking: 31 maart 2026 Gezag, verdeling van zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang en alimentatie Beschikking op het op 4 juni 2025 ingekomen verzoek van: [de moeder] , de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. E.J.W. Schuijlenburg te Leidschendam. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vader] , de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. L.C. de Jong te Woerden. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek; - het verweer tegen het zelfstandig verzoek. De minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening te geven over het verzoek, maar hebben daarvan geen gebruik gemaakt. Op 3 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door haar advocaat; de vader, bijgestaan door zijn advocaat; [naam] namens Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland (de gecertificeerde instelling). Feiten - De moeder en de vader hebben gedurende 20 jaar een affectieve samenwoningsrelatie met elkaar gehad, welke in 2024 is verbroken. - Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats] ; - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2010 te [geboorteplaats] ; - [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2015 te [geboorteplaats] ; - [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2022 te [geboorteplaats] ; - [minderjarige 5] , geboren op [geboortedatum 5] 2023 te [geboorteplaats] . - De vader heeft de kinderen erkend. - De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over [minderjarige 1] en [minderjarige 5] . De moeder is alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] belast. - Bij beschikking van deze rechtbank van 22 januari 2026 is [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming West (de gecertificeerde instelling) en heeft de rechtbank de gecertificeerde instelling een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] bij de vader verleend met ingang van 22 januari 2026 tot 22 april 2026. - [minderjarige 1] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] verblijven bij de moeder. [minderjarige 2] verblijft bij de vader. Verzoek en verweer De moeder verzoekt de rechtbank, na wijziging van haar verzoek, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – : primair : het door de moeder overgelegde ouderschapsplan bindend te verklaren en te bepalen dat het ouderschapsplan deel uitmaakt van de beschikking; subsidiair : een zorgregeling te bepalen waarbij de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gedurende een weekend per veertien dagen bij de vader zullen verblijven en de minderjarigen [minderjarige 4] en [minderjarige 5] door de vader in overleg met de moeder kunnen worden bezocht, alsmede gedurende een deel van de schoolvakanties en feestdagen, in onderling overleg te bepalen; de vader te veroordelen tot betaling aan de moeder van een bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] van € 258,- per maand per kind en voor [minderjarige 4] en [minderjarige 5] van € 281,- per maand per kind, althans een door de rechtbank vast te stellen bijdrage, zulks met ingang van de datum in indiening van het verzoekschrift van de moeder, althans een door de rechtbank te bepalen datum. De vader voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt de rechtbank zelfstandig en voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: te bepalen dat de vader mede het gezag krijgt over [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] ; een zorgregeling vast te stellen die inhoudt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om de week bij ieder van hun ouders verblijven en dat [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] vanaf het moment dat de vader beschikt over eigen woonruimte, waarin hij voor de kinderen een slaapplek heeft, om het weekend van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondagmiddag 17.00 uur bij hun vader verblijven, alsmede de helft van alle schoolvakanties en de helft van de feestdagen, en te bepalen dat, zolang de vader geen slaapplek voor [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] heeft, zij om de week van zaterdagmorgen 9.00 uur tot 17.00 uur en zondag van 9.00 uur tot 17.00 uur bij hun vader verblijven, alsmede overdag gedurende de helft van de vakanties en feestdagen; te bepalen dat de vader aan de moeder een bijdrage in het levensonderhoud van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dient te betalen van € 95,- per kind per maand en een bijdrage voor de andere kinderen van € 115,- per kind per maand, kosten rechtens. De moeder voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens verzoekt de moeder subsidiair de Raad te gelasten onderzoek te doen naar de vraag of gezamenlijk gezag in het belang van de kinderen is. Beoordeling Gezag De vader stelt dat de ouders tijdens hun relatie steeds gezamenlijk alle gezagsbeslissingen met betrekking tot de kinderen hebben genomen en dat er geen reden is waarom zij dat nu niet zouden kunnen. De vader vindt het feit dat de communicatie tussen ouders niet optimaal is, geen reden om hem niet ook met het gezag te belasten. Volgens de vader is dat niet eerder gebeurd omdat de ouders dat simpelweg zijn vergeten te regelen en is het in het belang van de kinderen dat beide ouders het gezag over hen uitoefenen. De moeder geeft aan dat zij het onder de huidige omstandigheden begrijpelijk zou vinden als de vader ook het gezag zou krijgen over [minderjarige 2] , omdat [minderjarige 2] nu bij hem woont. De moeder vindt echter dat er op dit moment te veel problemen spelen om het gezag ten aanzien van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] ook te wijzigen, mede gelet op de communicatie tussen de ouders en de zorgen die de moeder heeft over het verkrijgen van toestemming van de vader voor bepaalde zaken. De rechtbank zal de ouders gezamenlijk belasten met het gezag over [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] en legt dit uit als volgt. Gesteld noch gebleken is dat het gezamenlijk gezag van de ouders ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 5] voor concrete moeilijkheden of problemen heeft gezorgd. Bovendien is duidelijk geworden dat de ouders ook tot overeenstemming zijn gekomen over een vakantie van de moeder met de kinderen naar Kreta en dat de vader voor aanvang van de zitting toestemming heeft gegeven voor de aanvraag van een identiteitsbewijs voor (een van) de kinderen. Ook de communicatieproblemen tussen de ouders acht de rechtbank niet van een dusdanig niveau dat de ouders niet constructief zouden kunnen overleggen over beslissingen aangaande de kinderen. In dat verband merkt de rechtbank tevens op dat beide ouders op de zitting hun vertrouwen in de gecertificeerde instelling hebben uitgesproken en dat de gecertificeerde instelling ter zitting heeft aangegeven de ouders ook te ondersteunen bij het maken van afspraken als dat hen zelf niet lukt. De rechtbank zal het verzoek van de vader dan ook toewijzen. Zorgregeling c.q. omgang (inclusief vakantieregeling) Op de zitting heeft de rechtbank met de ouders gesproken over de verzoeken ten aanzien van de zorgregeling.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11100 text/xml public 2026-05-11T14:35:46 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-31 C/09/686320 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11100 text/html public 2026-05-11T07:54:04 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11100 Rechtbank Den Haag , 31-03-2026 / C/09/686320 Wijziging gezag (van eenhoofdig naar gezamenlijk gezag) en zorgregeling, wijziging kinderalimentatie. Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 25-4170 Zaaknummer: C/09/686320 Datum beschikking: 31 maart 2026 Gezag, verdeling van zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang en alimentatie Beschikking op het op 4 juni 2025 ingekomen verzoek van: [de moeder] , de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. E.J.W. Schuijlenburg te Leidschendam. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vader] , de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. L.C. de Jong te Woerden. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek; - het verweer tegen het zelfstandig verzoek. De minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening te geven over het verzoek, maar hebben daarvan geen gebruik gemaakt. Op 3 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door haar advocaat; de vader, bijgestaan door zijn advocaat; [naam] namens Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland (de gecertificeerde instelling). Feiten - De moeder en de vader hebben gedurende 20 jaar een affectieve samenwoningsrelatie met elkaar gehad, welke in 2024 is verbroken. - Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats] ; - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2010 te [geboorteplaats] ; - [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2015 te [geboorteplaats] ; - [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2022 te [geboorteplaats] ; - [minderjarige 5] , geboren op [geboortedatum 5] 2023 te [geboorteplaats] . - De vader heeft de kinderen erkend. - De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over [minderjarige 1] en [minderjarige 5] . De moeder is alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] belast. - Bij beschikking van deze rechtbank van 22 januari 2026 is [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming West (de gecertificeerde instelling) en heeft de rechtbank de gecertificeerde instelling een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] bij de vader verleend met ingang van 22 januari 2026 tot 22 april 2026. - [minderjarige 1] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] verblijven bij de moeder. [minderjarige 2] verblijft bij de vader. Verzoek en verweer De moeder verzoekt de rechtbank, na wijziging van haar verzoek, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – : primair : het door de moeder overgelegde ouderschapsplan bindend te verklaren en te bepalen dat het ouderschapsplan deel uitmaakt van de beschikking; subsidiair : een zorgregeling te bepalen waarbij de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gedurende een weekend per veertien dagen bij de vader zullen verblijven en de minderjarigen [minderjarige 4] en [minderjarige 5] door de vader in overleg met de moeder kunnen worden bezocht, alsmede gedurende een deel van de schoolvakanties en feestdagen, in onderling overleg te bepalen; de vader te veroordelen tot betaling aan de moeder van een bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] van € 258,- per maand per kind en voor [minderjarige 4] en [minderjarige 5] van € 281,- per maand per kind, althans een door de rechtbank vast te stellen bijdrage, zulks met ingang van de datum in indiening van het verzoekschrift van de moeder, althans een door de rechtbank te bepalen datum. De vader voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt de rechtbank zelfstandig en voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: te bepalen dat de vader mede het gezag krijgt over [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] ; een zorgregeling vast te stellen die inhoudt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om de week bij ieder van hun ouders verblijven en dat [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] vanaf het moment dat de vader beschikt over eigen woonruimte, waarin hij voor de kinderen een slaapplek heeft, om het weekend van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondagmiddag 17.00 uur bij hun vader verblijven, alsmede de helft van alle schoolvakanties en de helft van de feestdagen, en te bepalen dat, zolang de vader geen slaapplek voor [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] heeft, zij om de week van zaterdagmorgen 9.00 uur tot 17.00 uur en zondag van 9.00 uur tot 17.00 uur bij hun vader verblijven, alsmede overdag gedurende de helft van de vakanties en feestdagen; te bepalen dat de vader aan de moeder een bijdrage in het levensonderhoud van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dient te betalen van € 95,- per kind per maand en een bijdrage voor de andere kinderen van € 115,- per kind per maand, kosten rechtens. De moeder voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens verzoekt de moeder subsidiair de Raad te gelasten onderzoek te doen naar de vraag of gezamenlijk gezag in het belang van de kinderen is. Beoordeling Gezag De vader stelt dat de ouders tijdens hun relatie steeds gezamenlijk alle gezagsbeslissingen met betrekking tot de kinderen hebben genomen en dat er geen reden is waarom zij dat nu niet zouden kunnen. De vader vindt het feit dat de communicatie tussen ouders niet optimaal is, geen reden om hem niet ook met het gezag te belasten. Volgens de vader is dat niet eerder gebeurd omdat de ouders dat simpelweg zijn vergeten te regelen en is het in het belang van de kinderen dat beide ouders het gezag over hen uitoefenen. De moeder geeft aan dat zij het onder de huidige omstandigheden begrijpelijk zou vinden als de vader ook het gezag zou krijgen over [minderjarige 2] , omdat [minderjarige 2] nu bij hem woont. De moeder vindt echter dat er op dit moment te veel problemen spelen om het gezag ten aanzien van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] ook te wijzigen, mede gelet op de communicatie tussen de ouders en de zorgen die de moeder heeft over het verkrijgen van toestemming van de vader voor bepaalde zaken. De rechtbank zal de ouders gezamenlijk belasten met het gezag over [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] en legt dit uit als volgt. Gesteld noch gebleken is dat het gezamenlijk gezag van de ouders ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 5] voor concrete moeilijkheden of problemen heeft gezorgd. Bovendien is duidelijk geworden dat de ouders ook tot overeenstemming zijn gekomen over een vakantie van de moeder met de kinderen naar Kreta en dat de vader voor aanvang van de zitting toestemming heeft gegeven voor de aanvraag van een identiteitsbewijs voor (een van) de kinderen. Ook de communicatieproblemen tussen de ouders acht de rechtbank niet van een dusdanig niveau dat de ouders niet constructief zouden kunnen overleggen over beslissingen aangaande de kinderen. In dat verband merkt de rechtbank tevens op dat beide ouders op de zitting hun vertrouwen in de gecertificeerde instelling hebben uitgesproken en dat de gecertificeerde instelling ter zitting heeft aangegeven de ouders ook te ondersteunen bij het maken van afspraken als dat hen zelf niet lukt. De rechtbank zal het verzoek van de vader dan ook toewijzen. Zorgregeling c.q. omgang (inclusief vakantieregeling) Op de zitting heeft de rechtbank met de ouders gesproken over de verzoeken ten aanzien van de zorgregeling.
Volledig
De ouders zijn het eens geworden over de zorgregeling en de rechtbank zal in het navolgende dienovereenkomstig beslissen, omdat de rechtbank deze regeling in het belang van de kinderen acht. Ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal de rechtbank, mede gelet op hun leeftijd, bepalen dat er geen zorgregeling zal gelden. Daarbij heeft de rechtbank begrepen dat [minderjarige 1] feitelijk een weekend per veertien dagen bij de vader doorbrengt. De rechtbank gaat ervan uit dat deze feitelijke regeling zal worden voortgezet, maar verbindt hier geen verplichting aan. De ouders hebben de rechtbank ook verzocht om een verdeling van vakanties en feestdagen vast te stellen. Gelet op de verschillende zorgregelingen die voor de kinderen gelden en de uiteenlopende leeftijden van de kinderen, zal de rechtbank bepalen dat de vakanties bij helfte en in onderling overleg tussen de ouders zullen worden verdeeld. Kinderalimentatie Ontvankelijkheid De ouders beroepen zich allebei op het eerste lid van artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat sprake is van een wijzigingsgrond, is niet tussen partijen in geschil. De rechtbank zal de ouders daarom ontvangen in hun verzoeken en hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling om te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijzigingsgrondslag leidt tot een wijziging van de overeenkomst. De rechtbank zal, anders dan ter zitting heeft aangegeven, eerst de behoefte van de kinderen berekenen op basis van de aangeleverde stukken en hetgeen partijen daaromtrent hebben aangevoerd. Hoewel duidelijk is geworden dat de draagkracht van de vader de beperkende factor zal zijn bij de wijziging van de kinderalimentatie, is het nodig om de behoefte van de kinderen die bij de moeder wonen (te weten [minderjarige 1] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] ) te berekenen ten behoeve van het bepalen van de zorgkorting die de vader toekomt. Behoefte De behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] is tussen partijen in geschil. Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun samenleving worden bepaald. Tussen partijen is niet in geschil dat de moeder op dat moment geen inkomen had, zodat de rechtbank dat zal volgen. Om deze reden zal de behoefte van de kinderen worden vastgesteld aan de hand van het NBI van de vader. Partijen zijn het niet eens over het NBI van de vader, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een winst uit onderneming van € 54.874,- bruto per jaar. De rechtbank gaat hierbij uit van de gemiddelde winst uit onderneming zoals deze blijkt uit de aangiften inkomstenbelasting van 2022, 2023 en 2024. De rechtbank houdt verder, net als de moeder, rekening met de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de vader op het moment van het de samenleving op € 3.564,- per maand. Nu geen rekening wordt gehouden met inkomen aan de zijde van de moeder, bedroeg ook het NBGI van partijen in 2024 dus € 3.564,- per maand. Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 841,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2024, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.340,- per maand voor [minderjarige 1] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] . Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.493,- per maand voor alle kinderen, en afgerond € 374,- per maand per kind. Omdat tussen de ouders niet in geschil is dat de moeder geen draagkracht heeft en de vader naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende heeft onderbouwd waarom van een verdiencapaciteit van € 1.000,- aan de zijde van de moeder dient te worden uitgegaan, zal de rechtbank hierna uitsluitend beoordelen wat de draagkracht van de vader is en op welke manier deze draagkracht dient te worden verdeeld over de voornoemde kinderen. Draagkracht vader Voor de bepaling van de draagkracht van de vader gaat de rechtbank uit van een winst uit onderneming van € 56.459 bruto per jaar. De rechtbank gaat hierbij (gelet op de stukken) in redelijkheid uit van de jaarstukken van 2025, aangezien het gemiddelde van de winst uit onderneming van de jaren 2022, 2023 en 2024 lager is dan de winst uit onderneming in het jaar 2025. Ook heeft de vader ter zitting ingestemd met het hanteren van de winst uit onderneming van 2025. De rechtbank houdt verder rekening met de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 3.634,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening. Omdat het NBI van de vader hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan: 70% x [3.634 – (1.078 + 1.365)] = € 825,- per maand. Omdat de moeder geen draagkracht heeft, komt de gezamenlijke draagkracht van partijen overeen met de draagkracht van de vader, te weten € 825,- per maand. Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] te voorzien. Er is sprake van een tekort van in totaal € 671,- per maand. Woonbudget De rechtbank overweegt dat, hoewel de vader nu bij zijn ouders woont en zijn woonlasten daardoor momenteel lager zijn, het met het oog op de zorgregeling in het belang van de kinderen noodzakelijk is dat de vader op zoek gaat naar passende eigen woonruimte, waarin hij de kinderen ook een eigen slaapkamer kan bieden. Ook de moeder heeft het belang hiervan benadrukt. Het is weliswaar te verwachten dat de vader enige tijd nodig zal hebben om deze woonruimte te vinden, maar het is aannemelijk dat deze zoektocht enkel kan slagen indien de vader het gehele woonbudget daarvoor kan aanwenden. Daarom zal de rechtbank, anders dan de moeder betoogt, uitgaan van het reguliere woonbudget. Zorgkorting De vader maakt op de dagen dat de kinderen bij hem verblijven kosten waarmee hij ten dele aan zijn onderhoudsverplichting voldoet. Daarom verlaagt de rechtbank de bijdrage van de vader met een percentage van de behoefte van de kinderen (de zorgkorting). Gelet op de zorgregeling en de vakantieverdeling die de rechtbank zal vaststellen voor [minderjarige 3] en het feit dat [minderjarige 1] feitelijk ook een weekend per veertien dagen bij de vader verblijft, zal de rechtbank uitgaan van een zorgkorting van 25% ten aanzien van deze kinderen. Deze zorgkorting bedraagt dan € 188,- in totaal voor [minderjarige 3] en [minderjarige 1] (0,25 * (€ 1.493 (behoefte totaal) / 2)). Omdat sprake is van een draagkrachttekort van afgerond € 336,- per maand ten aanzien van [minderjarige 3] en [minderjarige 1] (€ 671,- / 2), wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de vader. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 20,- in totaal voor [minderjarige 3] en [minderjarige 1] (€ 188,- -/- €168,-), ofwel € 10,- per kind. Met het oog op de zorgregeling en vakantieverdeling die de rechtbank zal vaststellen voor [minderjarige 4] en [minderjarige 5] , zal de rechtbank ten aanzien van hen een zorgkorting van 15% hanteren. Deze zorgkorting bedraagt dan € 112,- in totaal voor [minderjarige 4] en [minderjarige 5] (0,15 * (€ 1.493 (behoefte totaal) / 2)). Omdat ook ten aanzien van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] sprake is van een tekort van € 336,- en dit tekort ten minste twee keer zo groot is als de zorgkorting, vervalt de zorgkorting van de vader ten aanzien van deze kinderen.
Volledig
De ouders zijn het eens geworden over de zorgregeling en de rechtbank zal in het navolgende dienovereenkomstig beslissen, omdat de rechtbank deze regeling in het belang van de kinderen acht. Ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal de rechtbank, mede gelet op hun leeftijd, bepalen dat er geen zorgregeling zal gelden. Daarbij heeft de rechtbank begrepen dat [minderjarige 1] feitelijk een weekend per veertien dagen bij de vader doorbrengt. De rechtbank gaat ervan uit dat deze feitelijke regeling zal worden voortgezet, maar verbindt hier geen verplichting aan. De ouders hebben de rechtbank ook verzocht om een verdeling van vakanties en feestdagen vast te stellen. Gelet op de verschillende zorgregelingen die voor de kinderen gelden en de uiteenlopende leeftijden van de kinderen, zal de rechtbank bepalen dat de vakanties bij helfte en in onderling overleg tussen de ouders zullen worden verdeeld. Kinderalimentatie Ontvankelijkheid De ouders beroepen zich allebei op het eerste lid van artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat sprake is van een wijzigingsgrond, is niet tussen partijen in geschil. De rechtbank zal de ouders daarom ontvangen in hun verzoeken en hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling om te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijzigingsgrondslag leidt tot een wijziging van de overeenkomst. De rechtbank zal, anders dan ter zitting heeft aangegeven, eerst de behoefte van de kinderen berekenen op basis van de aangeleverde stukken en hetgeen partijen daaromtrent hebben aangevoerd. Hoewel duidelijk is geworden dat de draagkracht van de vader de beperkende factor zal zijn bij de wijziging van de kinderalimentatie, is het nodig om de behoefte van de kinderen die bij de moeder wonen (te weten [minderjarige 1] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] ) te berekenen ten behoeve van het bepalen van de zorgkorting die de vader toekomt. Behoefte De behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] is tussen partijen in geschil. Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun samenleving worden bepaald. Tussen partijen is niet in geschil dat de moeder op dat moment geen inkomen had, zodat de rechtbank dat zal volgen. Om deze reden zal de behoefte van de kinderen worden vastgesteld aan de hand van het NBI van de vader. Partijen zijn het niet eens over het NBI van de vader, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een winst uit onderneming van € 54.874,- bruto per jaar. De rechtbank gaat hierbij uit van de gemiddelde winst uit onderneming zoals deze blijkt uit de aangiften inkomstenbelasting van 2022, 2023 en 2024. De rechtbank houdt verder, net als de moeder, rekening met de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de vader op het moment van het de samenleving op € 3.564,- per maand. Nu geen rekening wordt gehouden met inkomen aan de zijde van de moeder, bedroeg ook het NBGI van partijen in 2024 dus € 3.564,- per maand. Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 841,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2024, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.340,- per maand voor [minderjarige 1] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] . Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.493,- per maand voor alle kinderen, en afgerond € 374,- per maand per kind. Omdat tussen de ouders niet in geschil is dat de moeder geen draagkracht heeft en de vader naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende heeft onderbouwd waarom van een verdiencapaciteit van € 1.000,- aan de zijde van de moeder dient te worden uitgegaan, zal de rechtbank hierna uitsluitend beoordelen wat de draagkracht van de vader is en op welke manier deze draagkracht dient te worden verdeeld over de voornoemde kinderen. Draagkracht vader Voor de bepaling van de draagkracht van de vader gaat de rechtbank uit van een winst uit onderneming van € 56.459 bruto per jaar. De rechtbank gaat hierbij (gelet op de stukken) in redelijkheid uit van de jaarstukken van 2025, aangezien het gemiddelde van de winst uit onderneming van de jaren 2022, 2023 en 2024 lager is dan de winst uit onderneming in het jaar 2025. Ook heeft de vader ter zitting ingestemd met het hanteren van de winst uit onderneming van 2025. De rechtbank houdt verder rekening met de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 3.634,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening. Omdat het NBI van de vader hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan: 70% x [3.634 – (1.078 + 1.365)] = € 825,- per maand. Omdat de moeder geen draagkracht heeft, komt de gezamenlijke draagkracht van partijen overeen met de draagkracht van de vader, te weten € 825,- per maand. Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] te voorzien. Er is sprake van een tekort van in totaal € 671,- per maand. Woonbudget De rechtbank overweegt dat, hoewel de vader nu bij zijn ouders woont en zijn woonlasten daardoor momenteel lager zijn, het met het oog op de zorgregeling in het belang van de kinderen noodzakelijk is dat de vader op zoek gaat naar passende eigen woonruimte, waarin hij de kinderen ook een eigen slaapkamer kan bieden. Ook de moeder heeft het belang hiervan benadrukt. Het is weliswaar te verwachten dat de vader enige tijd nodig zal hebben om deze woonruimte te vinden, maar het is aannemelijk dat deze zoektocht enkel kan slagen indien de vader het gehele woonbudget daarvoor kan aanwenden. Daarom zal de rechtbank, anders dan de moeder betoogt, uitgaan van het reguliere woonbudget. Zorgkorting De vader maakt op de dagen dat de kinderen bij hem verblijven kosten waarmee hij ten dele aan zijn onderhoudsverplichting voldoet. Daarom verlaagt de rechtbank de bijdrage van de vader met een percentage van de behoefte van de kinderen (de zorgkorting). Gelet op de zorgregeling en de vakantieverdeling die de rechtbank zal vaststellen voor [minderjarige 3] en het feit dat [minderjarige 1] feitelijk ook een weekend per veertien dagen bij de vader verblijft, zal de rechtbank uitgaan van een zorgkorting van 25% ten aanzien van deze kinderen. Deze zorgkorting bedraagt dan € 188,- in totaal voor [minderjarige 3] en [minderjarige 1] (0,25 * (€ 1.493 (behoefte totaal) / 2)). Omdat sprake is van een draagkrachttekort van afgerond € 336,- per maand ten aanzien van [minderjarige 3] en [minderjarige 1] (€ 671,- / 2), wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de vader. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 20,- in totaal voor [minderjarige 3] en [minderjarige 1] (€ 188,- -/- €168,-), ofwel € 10,- per kind. Met het oog op de zorgregeling en vakantieverdeling die de rechtbank zal vaststellen voor [minderjarige 4] en [minderjarige 5] , zal de rechtbank ten aanzien van hen een zorgkorting van 15% hanteren. Deze zorgkorting bedraagt dan € 112,- in totaal voor [minderjarige 4] en [minderjarige 5] (0,15 * (€ 1.493 (behoefte totaal) / 2)). Omdat ook ten aanzien van [minderjarige 4] en [minderjarige 5] sprake is van een tekort van € 336,- en dit tekort ten minste twee keer zo groot is als de zorgkorting, vervalt de zorgkorting van de vader ten aanzien van deze kinderen.