Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-07
ECLI:NL:RBDHA:2026:11038
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,949 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11038 text/xml public 2026-05-11T17:00:26 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-07 NL24.7382 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11038 text/html public 2026-05-08T14:03:35 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11038 Rechtbank Den Haag , 07-05-2026 / NL24.7382 Derdelander Oekraïne, niet-ontvankelijk. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL24.7382 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. I. Petkovski), en de minister van Asiel en Migratie. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het beroep tegen een algemene brief van de minister van 29 januari 2024. Met deze brief heeft de minister zogeheten derdelanders aan wie facultatieve tijdelijke bescherming is verleend op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (Richtlijn) , zoals eiser, geïnformeerd over de beëindiging van de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per 4 maart 2024. Eiser is het er niet mee eens dat hij geen aanspraak meer kan maken op tijdelijke bescherming. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser kan opkomen tegen deze brief, omdat dit in zijn geval een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Maar tegen dit besluit kan eiser geen rechtstreeks beroep instellen. Daarom zal de rechtbank het beroep als bezwaar naar de minister doorzenden. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. De minister heeft eiser bij brief van 29 januari 2024 geïnformeerd over de beëindiging van de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per 4 maart 2024. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. 2.1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Beoordeling door de rechtbank Feiten en inleidende opmerkingen 3. Eiser komt uit Turkmenistan. Hij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier als zogeheten derdelander facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit). Ook heeft hij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. 3.1. De minister heeft aanvankelijk bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Dit heeft de minister aan eiser bij besluit van 17 augustus 2023 bekendgemaakt. Met dit besluit is eiser ook een terugkeerbesluit opgelegd. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld (NL23.25836) en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan (NL23.25837). Dit besluit heeft de minister ingetrokken nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 17 januari 2024 had bepaald dat de minister het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning niet op deze datum kon laten eindigen, maar dat dit recht wel van rechtswege zou eindigen op 4 maart 2024. Daarop heeft eiser het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken. Is de brief van 29 januari 2024 een besluit, zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb? 4. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser kan opkomen tegen het aan hem toegezonden bericht van 29 januari 2024. 4.1. Eiser betoogt dat de brief van 29 januari 2024 kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het is immers evident op rechtsgevolg gericht. 4.2. De rechtbank stelt vast dat in het besluit van 17 augustus 2023 tot beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 september 2023 een terugkeerbesluit was opgenomen, waartegen eiser beroep heeft ingesteld, maar dat besluit (en daarna het beroep) is ingetrokken. De minister heeft begin 2024 naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 en de intrekking van besluiten tot beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 september 2023 in veel zaken van derdelanders met facultatieve tijdelijke bescherming nieuwe terugkeerbesluiten genomen. Eiser heeft toen geen terugkeerbesluit gekregen, omdat nog geen besluit was genomen op zijn asielaanvraag en eiser in het bezit was van een tijdelijke verblijfsvergunning. Ook nadien heeft de minister eiser, in verband met lopende verblijfsrechtelijke procedures, geen terugkeerbesluit opgelegd. De minister heeft eiser enkel de hiervoor genoemde brief van 29 januari 2024 toegezonden. 4.3. Deze brief heeft een algemene aard. De brief gaat over de beëindiging van de aan eiser toegekende tijdelijke bescherming, dus het stoppen van de aanspraak op rechten die horen bij deze tijdelijke bescherming. 4.4. Hoewel deze brief een algemeen informatief karakter heeft, is de rechtbank van oordeel dat deze in het geval van eiser is aan te merken als een besluit, bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, waartegen een rechtsmiddel kan worden aangewend. Deze brief is het eerste moment dat eiser schriftelijk kenbaar is gemaakt dat zijn tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 is beëindigd. Uit het arrest Kaduna en de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 volgt dat de minister de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 kon beëindigen en uit de Kamerbrief van 24 januari 2024 dat hij dat ook heeft gedaan. In de uitspraak van 23 april 2025 stelt de Afdeling verder vast dat de minister de vreemdelingen in die procedure schriftelijk heeft geïnformeerd over deze beëindiging. 4.5. Zoals hiervoor overwogen was de brief van 29 januari 2024 de eerste keer dat eiser schriftelijk is geïnformeerd over het beëindigen van zijn tijdelijke bescherming per 4 maart 2024. Ook voldoet de brief aan de andere voorwaarden van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb om het als besluit aan te merken. Daarom kan eiser hiertegen opkomen. Welke rechtsmiddel staat op tegen het besluit? 5. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of eiser beroep kan instellen tegen dit besluit. 5.1. Zoals hiervoor overwogen bevat de brief van 29 januari 2024 een besluit over de beëindiging van tijdelijke bescherming. Tegen een dergelijk besluit staat, gelet op artikel 79, eerste lid, onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), slechts beroep open indien de vreemdeling in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze over het voornemen van dat besluit te geven. Dat is hier niet gebeurd. Daarom is het in Afdeling 3 van Hoofdstuk 7 van de Vw 2000 neergelegde procesrecht niet van toepassing. Gelet hierop had eiser tegen het besluit van 15 juli 2025 op grond van artikel 72, eerste lid, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 7:1 van de Awb, bezwaar moeten maken. Conclusie en gevolgen 6. Nu eiser eerst bezwaar had moeten maken tegen het besluit van 29 januari 2024 is het beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank zal het beroepschrift op grond van artikel 6:15 van de Awb naar de minister doorsturen ter behandeling als bezwaarschrift. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep niet-ontvankelijk; bepaalt dat het beroepschrift naar de minister wordt doorgezonden ter behandeling als bezwaarschrift. Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11038 text/xml public 2026-05-11T17:00:26 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-07 NL24.7382 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11038 text/html public 2026-05-08T14:03:35 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11038 Rechtbank Den Haag , 07-05-2026 / NL24.7382 Derdelander Oekraïne, niet-ontvankelijk. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL24.7382 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. I. Petkovski), en de minister van Asiel en Migratie. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het beroep tegen een algemene brief van de minister van 29 januari 2024. Met deze brief heeft de minister zogeheten derdelanders aan wie facultatieve tijdelijke bescherming is verleend op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (Richtlijn) , zoals eiser, geïnformeerd over de beëindiging van de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per 4 maart 2024. Eiser is het er niet mee eens dat hij geen aanspraak meer kan maken op tijdelijke bescherming. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser kan opkomen tegen deze brief, omdat dit in zijn geval een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Maar tegen dit besluit kan eiser geen rechtstreeks beroep instellen. Daarom zal de rechtbank het beroep als bezwaar naar de minister doorzenden. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. De minister heeft eiser bij brief van 29 januari 2024 geïnformeerd over de beëindiging van de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per 4 maart 2024. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. 2.1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Beoordeling door de rechtbank Feiten en inleidende opmerkingen 3. Eiser komt uit Turkmenistan. Hij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier als zogeheten derdelander facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit). Ook heeft hij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. 3.1. De minister heeft aanvankelijk bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Dit heeft de minister aan eiser bij besluit van 17 augustus 2023 bekendgemaakt. Met dit besluit is eiser ook een terugkeerbesluit opgelegd. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld (NL23.25836) en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan (NL23.25837). Dit besluit heeft de minister ingetrokken nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 17 januari 2024 had bepaald dat de minister het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning niet op deze datum kon laten eindigen, maar dat dit recht wel van rechtswege zou eindigen op 4 maart 2024. Daarop heeft eiser het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken. Is de brief van 29 januari 2024 een besluit, zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb? 4. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser kan opkomen tegen het aan hem toegezonden bericht van 29 januari 2024. 4.1. Eiser betoogt dat de brief van 29 januari 2024 kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het is immers evident op rechtsgevolg gericht. 4.2. De rechtbank stelt vast dat in het besluit van 17 augustus 2023 tot beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 september 2023 een terugkeerbesluit was opgenomen, waartegen eiser beroep heeft ingesteld, maar dat besluit (en daarna het beroep) is ingetrokken. De minister heeft begin 2024 naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 en de intrekking van besluiten tot beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 september 2023 in veel zaken van derdelanders met facultatieve tijdelijke bescherming nieuwe terugkeerbesluiten genomen. Eiser heeft toen geen terugkeerbesluit gekregen, omdat nog geen besluit was genomen op zijn asielaanvraag en eiser in het bezit was van een tijdelijke verblijfsvergunning. Ook nadien heeft de minister eiser, in verband met lopende verblijfsrechtelijke procedures, geen terugkeerbesluit opgelegd. De minister heeft eiser enkel de hiervoor genoemde brief van 29 januari 2024 toegezonden. 4.3. Deze brief heeft een algemene aard. De brief gaat over de beëindiging van de aan eiser toegekende tijdelijke bescherming, dus het stoppen van de aanspraak op rechten die horen bij deze tijdelijke bescherming. 4.4. Hoewel deze brief een algemeen informatief karakter heeft, is de rechtbank van oordeel dat deze in het geval van eiser is aan te merken als een besluit, bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, waartegen een rechtsmiddel kan worden aangewend. Deze brief is het eerste moment dat eiser schriftelijk kenbaar is gemaakt dat zijn tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 is beëindigd. Uit het arrest Kaduna en de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 volgt dat de minister de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 kon beëindigen en uit de Kamerbrief van 24 januari 2024 dat hij dat ook heeft gedaan. In de uitspraak van 23 april 2025 stelt de Afdeling verder vast dat de minister de vreemdelingen in die procedure schriftelijk heeft geïnformeerd over deze beëindiging. 4.5. Zoals hiervoor overwogen was de brief van 29 januari 2024 de eerste keer dat eiser schriftelijk is geïnformeerd over het beëindigen van zijn tijdelijke bescherming per 4 maart 2024. Ook voldoet de brief aan de andere voorwaarden van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb om het als besluit aan te merken. Daarom kan eiser hiertegen opkomen. Welke rechtsmiddel staat op tegen het besluit? 5. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of eiser beroep kan instellen tegen dit besluit. 5.1. Zoals hiervoor overwogen bevat de brief van 29 januari 2024 een besluit over de beëindiging van tijdelijke bescherming. Tegen een dergelijk besluit staat, gelet op artikel 79, eerste lid, onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), slechts beroep open indien de vreemdeling in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze over het voornemen van dat besluit te geven. Dat is hier niet gebeurd. Daarom is het in Afdeling 3 van Hoofdstuk 7 van de Vw 2000 neergelegde procesrecht niet van toepassing. Gelet hierop had eiser tegen het besluit van 15 juli 2025 op grond van artikel 72, eerste lid, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 7:1 van de Awb, bezwaar moeten maken. Conclusie en gevolgen 6. Nu eiser eerst bezwaar had moeten maken tegen het besluit van 29 januari 2024 is het beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank zal het beroepschrift op grond van artikel 6:15 van de Awb naar de minister doorsturen ter behandeling als bezwaarschrift. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep niet-ontvankelijk; bepaalt dat het beroepschrift naar de minister wordt doorgezonden ter behandeling als bezwaarschrift. Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.