Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-29
ECLI:NL:RBDHA:2026:10761
Civiel recht; Ondernemingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
19,759 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10761 text/xml public 2026-05-19T15:26:00 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-29 C/09/693765 / HA ZA 25-950 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Civiel recht; Ondernemingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10761 text/html public 2026-05-19T15:15:56 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10761 Rechtbank Den Haag , 29-04-2026 / C/09/693765 / HA ZA 25-950 Ondernemingsrecht. Beëindiging samenwerking. Inzagevordering wordt afgewezen. Uitleg afspraken over wie het verlies van de gezamenlijke onderneming draagt. RECHTBANK Den Haag Team handel Zaak- / rolnummer: C/09/693765 / HA ZA 25-950 Vonnis van 29 april 2026 in de zaak van 1 [eiseres 1] B.V. te [vestigingsplaats], hierna te noemen: [eiseres 1], 2. [eiseres 2] B.V. te [vestigingsplaats], hierna te noemen: [eiseres 2], eiseressen, hierna samen te noemen: [eiseressen], advocaat: mr. S.F. Puijk te Amsterdam, tegen [gedaagde] te [woonplaats], gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde], advocaat: mr. I.J. Bos te Den Haag. 1 Waar gaat deze zaak over? 1.1. Deze zaak gaat over de beëindiging van de samenwerking tussen de heer [naam 1] en [gedaagde]. Zij hebben samen een onderneming opgezet die zich bezig hield met de handel in exclusieve auto’s. [naam 1] had zijn vennootschappen ([eiseressen]) ter beschikking gesteld voor de samenwerking. In hoofdlijnen komen de vorderingen van [eiseressen] op het volgende neer. 1.2. [eiseressen] wil dat [gedaagde] haar gegevens verstrekt, waaronder toegang tot e-mailboxen die door [gedaagde] zijn gebruikt, omdat zij vermoedt dat [gedaagde] werkzaamheden voor derden heeft verricht die hij buiten de administratie van de onderneming heeft gehouden. De rechtbank komt hierna tot het oordeel dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat [gedaagde] zich onrechtmatig heeft verrijkt ten koste van [eiseressen] en wijst de inzagevordering af. 1.3. Verder vordert [eiseressen] betaling door [gedaagde] van zijn aandeel in het negatieve kapitaal van [eiseressen], omdat [naam 1] en [gedaagde] hebben afgesproken dat zij bij helfte gehouden zijn de eventuele verliezen te dragen. Partijen twisten over de uitleg van de (nadere) afspraken over wie het verlies van de gezamenlijke onderneming draagt. De rechtbank komt in dit vonnis – samengevat – tot het oordeel dat [naam 1] en [gedaagde] hebben afgesproken dat [naam 1] heeft toegezegd dat hij de verliezen van de onderneming voor zijn rekening zal nemen. De rechtbank zal deze vordering van [eiseressen] daarom afwijzen. 2 De procedure 2.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: - de dagvaarding van 14 oktober 2025, met producties 1 tot en met 17; - de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 52; - de akte overlegging producties en akte wijziging eis in reconventie, met producties 18 tot en met 23. 2.2. Op 20 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. 3 De feiten 3.1. [naam 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van [eiseres 1], die op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder is van [eiseres 2]. 3.2. Halverwege januari 2021 heeft [gedaagde] een businessplan opgesteld, dat ziet op samenwerking met [naam 1] in de handel in exclusieve auto’s. 3.3. In het kader van de samenwerking tussen [naam 1] en [gedaagde] is [gedaagde] op 2 februari 2021 medeaandeelhouder (50%) en bestuurder van [eiseres 1] geworden. [eiseres 1] en [eiseres 2] gebruiken sinds deze samenwerking beiden de handelsnaam [handelsnaam]. 3.4. Op 4 mei 2021 heeft [naam 1] per e-mail zijn idee van de samenwerking naar [gedaagde] gestuurd. In deze e-mail staat onder meer: “ Het idee is dat jij de activiteiten doet. Ik help je waar mogelijk en als ik tijd hebt. Jij krijgt een beloning, management fee. Ik niet. Ik stort geld.(ben bankier en risiconemer) Jij probeert met mij samen een hobby uit te laten groeien naar een mooi goedlopend bedrijf. (…) BIJLAGE: [handelsnaam] Dinsdag, 4 mei 2021 Bullit points draft. Activiteiten en beloning [gedaagde] Handel in youngtimers. (Motoren/auto’s) Inkoop/verkoop (…) [naam 1] zal eenmalig een bedrag van 50000 euro storten op de rekening van [handelsnaam], als lening. Met dit bedrag kan [gedaagde] inkopen door van auto’s. Dit bedrag zal medio juni gestort worden. [naam 1] zal nogmaals in okt/nov een bedrag storten van 50.000 euro voor inkoop van auto’s. In totaal derhalve 100.000, = dit bedrag is uitsluitend bedoeld voor inkoop van auto’s en dus de voorraad. Niet voor dubieuze debiteuren, tegenslagen, etc. etc. (…) Het resultaat [handelsnaam] zal als volgt verdeeld worden; [gedaagde] ontvangt een management fee vanuit [handelsnaam] (via [eiseres 1]-holding) van 24000 euro per jaar. Derhalve 2000 euro per maand. Dit als vaste fee. Daarna wordt het resultaat (winst of verlies) in [handelsnaam] gelijk verdeeld over de beide vennoten. Wanneer er twee jaar achtereen verlies wordt gemaakt, zal de constructie van de BV en de Holding weer teruggedraaid worden naar de situatie van 1/1/2021. De aandelen gaan weer terug naar [naam 1]. [naam 1] betaalt het verlies van dit avontuur. Als het verlies hoger wordt op enig moment dan 50.000 euro. Kan dit moment eerder genomen worden om er mee te stoppen. Ieder kwartaal, te starten per 1 juli worden de resultaten geëvalueerd. Vooraf worden per kwartaal de targets, samen met [gedaagde] vastgelegd. Wanneer na 3 kwartalen de resultaten structureel niet gehaald worden, vind overleg plaats over ontbinding van deze constructie. Activiteit [gedaagde], Opzetten marketingtools, website, social media etc. Inkoop van motoren, auto’s Finetunen, poetsen, verkoop klaar maken van motoren en auto’s Voeren van primaire administratie. Boekhouding wordt door [naam 1]/[naam 2] uitgevoerd. Aangifte BTW etc. ook. Ondersteuning met privécollectie van [naam 1]. Klusjes. Incidenteel. Start activiteiten per 1 mei 2021. Target nog op te stellen. Tot 1 juli. Website ontwikkelen voor 1 juni Social media finetunen. Benaderen klanten uit Zwitserland. Privé collecties verkopen van anderen. ” [gedaagde] is hiermee akkoord gegaan. 3.5. Op 26 april 2022 heeft [naam 1] aan [gedaagde] per e-mail een update gestuurd van de afspraken over de samenwerking zoals omschreven in de e-mail van 4 mei 2021. Hierin staat onder meer: “Het resultaat [handelsnaam] zal als volgt verdeeld worden; [gedaagde] ontvangt een management fee vanuit [handelsnaam] (via [eiseres 1]-holding) van 24000 euro per jaar. Derhalve 2000 euro per maand. Dit als vaste fee. Daarna wordt het resultaat (winst of verlies) in [handelsnaam] gelijk verdeeld over de beide vennoten. Deze fee is uitgekeerd. Het verlies is niet verdeeld. Doe ik ook niet. Ik betaal dat verlies wel .” 3.6. Op 4 november 2024 heeft [gedaagde] zijn aandelen in [eiseres 1] teruggeleverd aan [naam 1]. Op diezelfde dag is [gedaagde] uitgeschreven als bestuurder van [eiseres 1]. 3.7. [naam 1] heeft op 9 augustus 2025 per e-mail aan [gedaagde] de geconsolideerde halfjaarcijfers van [eiseressen] van dat jaar gestuurd. De cijfers bleken tegen te vallen. In vervolg hierop heeft [naam 1] [gedaagde] op 16 augustus 2025 per e-mail bericht dat [gedaagde] gehouden is om € 67.500,- aan [eiseres 2] te voldoen, vanwege een negatief eigen vermogen van € 135.000,-. Verder heeft [naam 1] geschreven dat er € 237.000,- open stond aan rekening-courant schulden van [eiseres 2] aan [naam 1] en zijn bv’s. Om deze schulden in te lopen heeft [naam 1] voorgesteld dat [gedaagde] vier dagen per week als consultant aan een autobedrijf wordt uitgeleend en dat [gedaagde] een dag per week aan de auto’s van [naam 1] werkt. 3.8. Op 26 augustus 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [naam 1] en [gedaagde] over het voorstel van [naam 1] van 16 augustus 2025. [gedaagde] heeft tijdens dat gesprek aangegeven dat hij zich niet kan vinden in het voorstel van [naam 1] en dat hij zijn werkzaamheden voor [eiseres 2] niet langer wenst voort te zetten. 3.9. Op 28 augustus 2025 heeft [gedaagde] [naam 1] per e-mail bericht dat hij het niet eens is met de berekeningen van [naam 1] en de door hem voorgestelde oplossing voor het inlopen van de vermeende schuld. 3.10.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10761 text/xml public 2026-05-19T15:26:00 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-29 C/09/693765 / HA ZA 25-950 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Civiel recht; Ondernemingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10761 text/html public 2026-05-19T15:15:56 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10761 Rechtbank Den Haag , 29-04-2026 / C/09/693765 / HA ZA 25-950 Ondernemingsrecht. Beëindiging samenwerking. Inzagevordering wordt afgewezen. Uitleg afspraken over wie het verlies van de gezamenlijke onderneming draagt. RECHTBANK Den Haag Team handel Zaak- / rolnummer: C/09/693765 / HA ZA 25-950 Vonnis van 29 april 2026 in de zaak van 1 [eiseres 1] B.V. te [vestigingsplaats], hierna te noemen: [eiseres 1], 2. [eiseres 2] B.V. te [vestigingsplaats], hierna te noemen: [eiseres 2], eiseressen, hierna samen te noemen: [eiseressen], advocaat: mr. S.F. Puijk te Amsterdam, tegen [gedaagde] te [woonplaats], gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde], advocaat: mr. I.J. Bos te Den Haag. 1 Waar gaat deze zaak over? 1.1. Deze zaak gaat over de beëindiging van de samenwerking tussen de heer [naam 1] en [gedaagde]. Zij hebben samen een onderneming opgezet die zich bezig hield met de handel in exclusieve auto’s. [naam 1] had zijn vennootschappen ([eiseressen]) ter beschikking gesteld voor de samenwerking. In hoofdlijnen komen de vorderingen van [eiseressen] op het volgende neer. 1.2. [eiseressen] wil dat [gedaagde] haar gegevens verstrekt, waaronder toegang tot e-mailboxen die door [gedaagde] zijn gebruikt, omdat zij vermoedt dat [gedaagde] werkzaamheden voor derden heeft verricht die hij buiten de administratie van de onderneming heeft gehouden. De rechtbank komt hierna tot het oordeel dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat [gedaagde] zich onrechtmatig heeft verrijkt ten koste van [eiseressen] en wijst de inzagevordering af. 1.3. Verder vordert [eiseressen] betaling door [gedaagde] van zijn aandeel in het negatieve kapitaal van [eiseressen], omdat [naam 1] en [gedaagde] hebben afgesproken dat zij bij helfte gehouden zijn de eventuele verliezen te dragen. Partijen twisten over de uitleg van de (nadere) afspraken over wie het verlies van de gezamenlijke onderneming draagt. De rechtbank komt in dit vonnis – samengevat – tot het oordeel dat [naam 1] en [gedaagde] hebben afgesproken dat [naam 1] heeft toegezegd dat hij de verliezen van de onderneming voor zijn rekening zal nemen. De rechtbank zal deze vordering van [eiseressen] daarom afwijzen. 2 De procedure 2.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: - de dagvaarding van 14 oktober 2025, met producties 1 tot en met 17; - de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 52; - de akte overlegging producties en akte wijziging eis in reconventie, met producties 18 tot en met 23. 2.2. Op 20 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. 3 De feiten 3.1. [naam 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van [eiseres 1], die op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder is van [eiseres 2]. 3.2. Halverwege januari 2021 heeft [gedaagde] een businessplan opgesteld, dat ziet op samenwerking met [naam 1] in de handel in exclusieve auto’s. 3.3. In het kader van de samenwerking tussen [naam 1] en [gedaagde] is [gedaagde] op 2 februari 2021 medeaandeelhouder (50%) en bestuurder van [eiseres 1] geworden. [eiseres 1] en [eiseres 2] gebruiken sinds deze samenwerking beiden de handelsnaam [handelsnaam]. 3.4. Op 4 mei 2021 heeft [naam 1] per e-mail zijn idee van de samenwerking naar [gedaagde] gestuurd. In deze e-mail staat onder meer: “ Het idee is dat jij de activiteiten doet. Ik help je waar mogelijk en als ik tijd hebt. Jij krijgt een beloning, management fee. Ik niet. Ik stort geld.(ben bankier en risiconemer) Jij probeert met mij samen een hobby uit te laten groeien naar een mooi goedlopend bedrijf. (…) BIJLAGE: [handelsnaam] Dinsdag, 4 mei 2021 Bullit points draft. Activiteiten en beloning [gedaagde] Handel in youngtimers. (Motoren/auto’s) Inkoop/verkoop (…) [naam 1] zal eenmalig een bedrag van 50000 euro storten op de rekening van [handelsnaam], als lening. Met dit bedrag kan [gedaagde] inkopen door van auto’s. Dit bedrag zal medio juni gestort worden. [naam 1] zal nogmaals in okt/nov een bedrag storten van 50.000 euro voor inkoop van auto’s. In totaal derhalve 100.000, = dit bedrag is uitsluitend bedoeld voor inkoop van auto’s en dus de voorraad. Niet voor dubieuze debiteuren, tegenslagen, etc. etc. (…) Het resultaat [handelsnaam] zal als volgt verdeeld worden; [gedaagde] ontvangt een management fee vanuit [handelsnaam] (via [eiseres 1]-holding) van 24000 euro per jaar. Derhalve 2000 euro per maand. Dit als vaste fee. Daarna wordt het resultaat (winst of verlies) in [handelsnaam] gelijk verdeeld over de beide vennoten. Wanneer er twee jaar achtereen verlies wordt gemaakt, zal de constructie van de BV en de Holding weer teruggedraaid worden naar de situatie van 1/1/2021. De aandelen gaan weer terug naar [naam 1]. [naam 1] betaalt het verlies van dit avontuur. Als het verlies hoger wordt op enig moment dan 50.000 euro. Kan dit moment eerder genomen worden om er mee te stoppen. Ieder kwartaal, te starten per 1 juli worden de resultaten geëvalueerd. Vooraf worden per kwartaal de targets, samen met [gedaagde] vastgelegd. Wanneer na 3 kwartalen de resultaten structureel niet gehaald worden, vind overleg plaats over ontbinding van deze constructie. Activiteit [gedaagde], Opzetten marketingtools, website, social media etc. Inkoop van motoren, auto’s Finetunen, poetsen, verkoop klaar maken van motoren en auto’s Voeren van primaire administratie. Boekhouding wordt door [naam 1]/[naam 2] uitgevoerd. Aangifte BTW etc. ook. Ondersteuning met privécollectie van [naam 1]. Klusjes. Incidenteel. Start activiteiten per 1 mei 2021. Target nog op te stellen. Tot 1 juli. Website ontwikkelen voor 1 juni Social media finetunen. Benaderen klanten uit Zwitserland. Privé collecties verkopen van anderen. ” [gedaagde] is hiermee akkoord gegaan. 3.5. Op 26 april 2022 heeft [naam 1] aan [gedaagde] per e-mail een update gestuurd van de afspraken over de samenwerking zoals omschreven in de e-mail van 4 mei 2021. Hierin staat onder meer: “Het resultaat [handelsnaam] zal als volgt verdeeld worden; [gedaagde] ontvangt een management fee vanuit [handelsnaam] (via [eiseres 1]-holding) van 24000 euro per jaar. Derhalve 2000 euro per maand. Dit als vaste fee. Daarna wordt het resultaat (winst of verlies) in [handelsnaam] gelijk verdeeld over de beide vennoten. Deze fee is uitgekeerd. Het verlies is niet verdeeld. Doe ik ook niet. Ik betaal dat verlies wel .” 3.6. Op 4 november 2024 heeft [gedaagde] zijn aandelen in [eiseres 1] teruggeleverd aan [naam 1]. Op diezelfde dag is [gedaagde] uitgeschreven als bestuurder van [eiseres 1]. 3.7. [naam 1] heeft op 9 augustus 2025 per e-mail aan [gedaagde] de geconsolideerde halfjaarcijfers van [eiseressen] van dat jaar gestuurd. De cijfers bleken tegen te vallen. In vervolg hierop heeft [naam 1] [gedaagde] op 16 augustus 2025 per e-mail bericht dat [gedaagde] gehouden is om € 67.500,- aan [eiseres 2] te voldoen, vanwege een negatief eigen vermogen van € 135.000,-. Verder heeft [naam 1] geschreven dat er € 237.000,- open stond aan rekening-courant schulden van [eiseres 2] aan [naam 1] en zijn bv’s. Om deze schulden in te lopen heeft [naam 1] voorgesteld dat [gedaagde] vier dagen per week als consultant aan een autobedrijf wordt uitgeleend en dat [gedaagde] een dag per week aan de auto’s van [naam 1] werkt. 3.8. Op 26 augustus 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [naam 1] en [gedaagde] over het voorstel van [naam 1] van 16 augustus 2025. [gedaagde] heeft tijdens dat gesprek aangegeven dat hij zich niet kan vinden in het voorstel van [naam 1] en dat hij zijn werkzaamheden voor [eiseres 2] niet langer wenst voort te zetten. 3.9. Op 28 augustus 2025 heeft [gedaagde] [naam 1] per e-mail bericht dat hij het niet eens is met de berekeningen van [naam 1] en de door hem voorgestelde oplossing voor het inlopen van de vermeende schuld. 3.10.
Volledig
In de periode van 28 augustus 2025 tot en met 2 september 2025 heeft e-mailcorrespondentie plaatsgevonden tussen [naam 1] en [gedaagde], maar zij zijn het niet eens geworden over de wijze van beëindiging van de samenwerking. 3.11. Bij brief van 1 september 2025 heeft [naam 1] aan [gedaagde] bevestigd dat de (arbeids)overeenkomst van [gedaagde] per 1 augustus 2025 is beëindigd. 3.12. Op 1 september 2025 heeft de vader van [gedaagde] namens [gedaagde] diverse spullen bij [naam 1] afgeleverd in verband met het beëindigen van de samenwerking tussen [naam 1] en [gedaagde]. [naam 1] heeft getekend voor ontvangst van de spullen. 3.13. Bij brief van 5 september 2025 aan [gedaagde] heeft de advocaat van [eiseressen] [gedaagde] gesommeerd om binnen 48 uur aan zijn verplichtingen te voldoen, bestaande uit onder andere betaling van een bedrag van € 47.500,- aan [eiseres 1], retournering van spullen en terugbetaling van € 5.600,- op de rekening-courant schuld. Ook werd [gedaagde] verzocht een geheimhoudingsverklaring met boetebeding te tekenen. 3.14. Bij brief van 9 september 2025 aan [gedaagde] heeft de advocaat van [eiseressen] een kort geding procedure aangekondigd, omdat [gedaagde] niet had gereageerd op de brief van 5 september 2025. Daarna hebben de advocaten van partijen met elkaar gecorrespondeerd. 3.15. Op 30 september 2025 is namens [eiseres 1] conservatoir beslag gelegd op de bankrekeningen en op de auto van [gedaagde]. 3.16. Bij vonnis van 19 november 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het namens [eiseres 1] ten laste van [gedaagde] gelegde beslag opgeheven. De voorzieningenrechter was onder meer van oordeel dat [eiseres 1] de beslagrechter onvoldoende had voorgelicht over voor de beoordeling van het beslagrekest relevante punten, wat schending van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) oplevert. 4 Het geschil 4.1. [eiseressen] vordert bij vonnis, na wijziging van eis, uitvoerbaar bij voorraad: I. veroordeling van [gedaagde] om aan [eiseressen], binnen c.s. binnen 48 uur na het te wijzen vonnis, de volgende gegevens te verstrekken: de wachtwoorden van en toegang tot alle [handelsnaam] mailboxen, waaronder [e-mailadres 1] en [e-mailadres 2], althans op zijn minst een kopie van alle verzonden en ontvangen e-mails op dit e-mailadres ter beschikking te stellen; de wachtwoorden van de website c.q. het domein; alle informatie met betrekking tot de aan de rode Lamborghini uitgevoerde werkzaamheden; alle order- en verkoopmappen van [handelsnaam], althans een afschrift daarvan; zulks op straffe van een dwangsom van € 2.500,- per dag dat hij daarmee in gebreke blijft, zulks tot een maximum van € 250.000,-, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom; II. veroordeling van [gedaagde] om binnen 48 uur na het in deze te wijzen vonnis zorg te dragen voor het registeren van de domeinnaam op naam van [handelsnaam], zulks op straffe van een dwangsom van € 2.500,- per dag dat hij daarmee in gebreke blijft, zulks tot een maximum van € 250.000,-, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom; III. veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan [eiseressen] van een bedrag van € 99.999,-, zijnde het aandeel van [gedaagde] in het negatieve kapitaal van [handelsnaam] en [eiseres 1], althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag; IV. veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan [eiseressen] van de beslagkosten van € 3.570,78, doch slechts indien en voor zover de vordering onder III niet volledig wordt toegewezen en alsdan slechts tot een gezamenlijk maximum van € 99.999,-; V. veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure, het salaris van de advocaat van [eiseressen] daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande veertien dagen na de dag van de uitspraak; VI. veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de nakosten (zonder respectievelijk met betekening), te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande veertien dagen na de dag van de uitspraak. 4.2. [gedaagde] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eiseressen] in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten. 4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling Schending van artikel 21 Rv 5.1. [gedaagde] heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat [eiseressen] in de dagvaarding, net als in het beslagrekest, de feiten en omstandigheden niet naar waarheid heeft aangedragen. Zo heeft [eiseressen] de e-mail van 26 april 2022 van [naam 1] aan [gedaagde], waarin aanvullingen op de oorspronkelijke afspraken over de samenwerking zijn opgenomen, niet in de dagvaarding gemeld. Verder staat in de dagvaarding (onder randnummer 17) dat [gedaagde] zichzelf een hoger salaris uitkeerde dan waartoe hij op basis van de gemaakte afspraken gerechtigd was. Dit is in strijd met de waarheid. Zoals ook uit het kort geding vonnis van 19 november 2025 volgt is desgevraagd tijdens de zitting in het kort geding namens [eiseres 1] verklaard dat [gedaagde] helemaal geen toegang had tot de bankrekening(en) van [handelsnaam] en dus feitelijk niet in staat was zijn eigen salaris uit te betalen. 5.2. [gedaagde] is van mening dat [eiseressen] daarom niet-ontvankelijk is in haar vorderingen, dan wel dat de vorderingen moeten worden afgewezen. Ook moet bij de bepaling van de hoogte van de proceskostenveroordeling rekening worden gehouden met deze (herhaaldelijke) schendingen van artikel 21 Rv, waarbij [gedaagde] toepassing van minimaal twee maal het liquidatietarief redelijk vindt. 5.3. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseressen] erkend dat de dagvaarding niet op alle onderdelen volledig was, dat dit fout is gegaan en anders had gemoeten. [eiseressen] betoogt dat [gedaagde] niet is geschaad door het feit dat de dagvaarding niet volledig was en dat het debat ten volle gevoerd kan worden. [gedaagde] heeft weersproken dat hij niet is geschaad door de schending van artikel 21 Rv. [gedaagde] heeft een uitgebreide conclusie van antwoord moeten nemen om al de punten te herstellen die niet naar waarheid zijn aangedragen. Het heeft extra veel tijd gekost om dit recht te zetten, aldus [gedaagde]. 5.4. Artikel 21 Rv bepaalt dat partijen verplicht zijn om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Dit betekent niet alleen dat partijen de rechter volledig moeten inlichten over alle voor de beslissing relevant zijnde feiten (volledigheidsplicht), maar ook dat partijen de feiten naar waarheid moeten aanvoeren (waarheidsplicht). Wordt deze plicht niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij gerade acht. 5.5. De rechtbank stelt vast dat [eiseressen] de volledigheidsplicht van artikel 21 Rv heeft geschonden door de e-mail van 26 april 22 niet in het geding te brengen. Dit terwijl de afspraken over de samenwerking tussen [naam 1] en [gedaagde] ten grondslag liggen aan de vorderingen van [eiseressen] en voormelde e-mail relevante wijzigingen van of aanvullingen op de oorspronkelijke afspraken bevat. Daarnaast heeft [eiseressen] de waarheidsplicht geschonden door in de dagvaarding te stellen dat [gedaagde] zichzelf een hoger salaris uitkeerde dan waartoe hij op basis van de gemaakte afspraken gerechtigd was. 5.6. De rechtbank zal hier niet de gevolgtrekking aan verbinden dat de vorderingen, zonder verdere inhoudelijke beoordeling, worden afgewezen. [gedaagde] heeft immers de gelegenheid gehad om in de conclusie van antwoord het volledige feitencomplex te presenteren en heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat het inhoudelijke debat wel kan worden gevoerd. [gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat hij desondanks is geschaad door de schending van artikel 21 Rv, omdat hij als gevolg daarvan een uitgebreide conclusie van antwoord heeft moeten nemen, wat extra veel tijd heeft gekost. Daarom zal de rechtbank de schending van artikel 21 Rv sanctioneren door bij de begroting van de proceskosten een punt extra toe te kennen aan de conclusie van antwoord. Verstrekken gegevens 5.7.
Volledig
In de periode van 28 augustus 2025 tot en met 2 september 2025 heeft e-mailcorrespondentie plaatsgevonden tussen [naam 1] en [gedaagde], maar zij zijn het niet eens geworden over de wijze van beëindiging van de samenwerking. 3.11. Bij brief van 1 september 2025 heeft [naam 1] aan [gedaagde] bevestigd dat de (arbeids)overeenkomst van [gedaagde] per 1 augustus 2025 is beëindigd. 3.12. Op 1 september 2025 heeft de vader van [gedaagde] namens [gedaagde] diverse spullen bij [naam 1] afgeleverd in verband met het beëindigen van de samenwerking tussen [naam 1] en [gedaagde]. [naam 1] heeft getekend voor ontvangst van de spullen. 3.13. Bij brief van 5 september 2025 aan [gedaagde] heeft de advocaat van [eiseressen] [gedaagde] gesommeerd om binnen 48 uur aan zijn verplichtingen te voldoen, bestaande uit onder andere betaling van een bedrag van € 47.500,- aan [eiseres 1], retournering van spullen en terugbetaling van € 5.600,- op de rekening-courant schuld. Ook werd [gedaagde] verzocht een geheimhoudingsverklaring met boetebeding te tekenen. 3.14. Bij brief van 9 september 2025 aan [gedaagde] heeft de advocaat van [eiseressen] een kort geding procedure aangekondigd, omdat [gedaagde] niet had gereageerd op de brief van 5 september 2025. Daarna hebben de advocaten van partijen met elkaar gecorrespondeerd. 3.15. Op 30 september 2025 is namens [eiseres 1] conservatoir beslag gelegd op de bankrekeningen en op de auto van [gedaagde]. 3.16. Bij vonnis van 19 november 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het namens [eiseres 1] ten laste van [gedaagde] gelegde beslag opgeheven. De voorzieningenrechter was onder meer van oordeel dat [eiseres 1] de beslagrechter onvoldoende had voorgelicht over voor de beoordeling van het beslagrekest relevante punten, wat schending van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) oplevert. 4 Het geschil 4.1. [eiseressen] vordert bij vonnis, na wijziging van eis, uitvoerbaar bij voorraad: I. veroordeling van [gedaagde] om aan [eiseressen], binnen c.s. binnen 48 uur na het te wijzen vonnis, de volgende gegevens te verstrekken: de wachtwoorden van en toegang tot alle [handelsnaam] mailboxen, waaronder [e-mailadres 1] en [e-mailadres 2], althans op zijn minst een kopie van alle verzonden en ontvangen e-mails op dit e-mailadres ter beschikking te stellen; de wachtwoorden van de website c.q. het domein; alle informatie met betrekking tot de aan de rode Lamborghini uitgevoerde werkzaamheden; alle order- en verkoopmappen van [handelsnaam], althans een afschrift daarvan; zulks op straffe van een dwangsom van € 2.500,- per dag dat hij daarmee in gebreke blijft, zulks tot een maximum van € 250.000,-, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom; II. veroordeling van [gedaagde] om binnen 48 uur na het in deze te wijzen vonnis zorg te dragen voor het registeren van de domeinnaam op naam van [handelsnaam], zulks op straffe van een dwangsom van € 2.500,- per dag dat hij daarmee in gebreke blijft, zulks tot een maximum van € 250.000,-, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom; III. veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan [eiseressen] van een bedrag van € 99.999,-, zijnde het aandeel van [gedaagde] in het negatieve kapitaal van [handelsnaam] en [eiseres 1], althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag; IV. veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan [eiseressen] van de beslagkosten van € 3.570,78, doch slechts indien en voor zover de vordering onder III niet volledig wordt toegewezen en alsdan slechts tot een gezamenlijk maximum van € 99.999,-; V. veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure, het salaris van de advocaat van [eiseressen] daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande veertien dagen na de dag van de uitspraak; VI. veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de nakosten (zonder respectievelijk met betekening), te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande veertien dagen na de dag van de uitspraak. 4.2. [gedaagde] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eiseressen] in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten. 4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling Schending van artikel 21 Rv 5.1. [gedaagde] heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat [eiseressen] in de dagvaarding, net als in het beslagrekest, de feiten en omstandigheden niet naar waarheid heeft aangedragen. Zo heeft [eiseressen] de e-mail van 26 april 2022 van [naam 1] aan [gedaagde], waarin aanvullingen op de oorspronkelijke afspraken over de samenwerking zijn opgenomen, niet in de dagvaarding gemeld. Verder staat in de dagvaarding (onder randnummer 17) dat [gedaagde] zichzelf een hoger salaris uitkeerde dan waartoe hij op basis van de gemaakte afspraken gerechtigd was. Dit is in strijd met de waarheid. Zoals ook uit het kort geding vonnis van 19 november 2025 volgt is desgevraagd tijdens de zitting in het kort geding namens [eiseres 1] verklaard dat [gedaagde] helemaal geen toegang had tot de bankrekening(en) van [handelsnaam] en dus feitelijk niet in staat was zijn eigen salaris uit te betalen. 5.2. [gedaagde] is van mening dat [eiseressen] daarom niet-ontvankelijk is in haar vorderingen, dan wel dat de vorderingen moeten worden afgewezen. Ook moet bij de bepaling van de hoogte van de proceskostenveroordeling rekening worden gehouden met deze (herhaaldelijke) schendingen van artikel 21 Rv, waarbij [gedaagde] toepassing van minimaal twee maal het liquidatietarief redelijk vindt. 5.3. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseressen] erkend dat de dagvaarding niet op alle onderdelen volledig was, dat dit fout is gegaan en anders had gemoeten. [eiseressen] betoogt dat [gedaagde] niet is geschaad door het feit dat de dagvaarding niet volledig was en dat het debat ten volle gevoerd kan worden. [gedaagde] heeft weersproken dat hij niet is geschaad door de schending van artikel 21 Rv. [gedaagde] heeft een uitgebreide conclusie van antwoord moeten nemen om al de punten te herstellen die niet naar waarheid zijn aangedragen. Het heeft extra veel tijd gekost om dit recht te zetten, aldus [gedaagde]. 5.4. Artikel 21 Rv bepaalt dat partijen verplicht zijn om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Dit betekent niet alleen dat partijen de rechter volledig moeten inlichten over alle voor de beslissing relevant zijnde feiten (volledigheidsplicht), maar ook dat partijen de feiten naar waarheid moeten aanvoeren (waarheidsplicht). Wordt deze plicht niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij gerade acht. 5.5. De rechtbank stelt vast dat [eiseressen] de volledigheidsplicht van artikel 21 Rv heeft geschonden door de e-mail van 26 april 22 niet in het geding te brengen. Dit terwijl de afspraken over de samenwerking tussen [naam 1] en [gedaagde] ten grondslag liggen aan de vorderingen van [eiseressen] en voormelde e-mail relevante wijzigingen van of aanvullingen op de oorspronkelijke afspraken bevat. Daarnaast heeft [eiseressen] de waarheidsplicht geschonden door in de dagvaarding te stellen dat [gedaagde] zichzelf een hoger salaris uitkeerde dan waartoe hij op basis van de gemaakte afspraken gerechtigd was. 5.6. De rechtbank zal hier niet de gevolgtrekking aan verbinden dat de vorderingen, zonder verdere inhoudelijke beoordeling, worden afgewezen. [gedaagde] heeft immers de gelegenheid gehad om in de conclusie van antwoord het volledige feitencomplex te presenteren en heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat het inhoudelijke debat wel kan worden gevoerd. [gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat hij desondanks is geschaad door de schending van artikel 21 Rv, omdat hij als gevolg daarvan een uitgebreide conclusie van antwoord heeft moeten nemen, wat extra veel tijd heeft gekost. Daarom zal de rechtbank de schending van artikel 21 Rv sanctioneren door bij de begroting van de proceskosten een punt extra toe te kennen aan de conclusie van antwoord. Verstrekken gegevens 5.7.
Volledig
[eiseressen] vordert veroordeling van [gedaagde] om de volgende gegevens te verstrekken: de wachtwoorden van en toegang tot alle [handelsnaam] mailboxen, waaronder [e-mailadres 1] en [e-mailadres 2], althans op zijn minst een kopie van alle verzonden en ontvangen e-mails op dit e-mailadres ter beschikking te stellen; de wachtwoorden van de website c.q. het domein; alle informatie met betrekking tot de aan de rode Lamborghini uitgevoerde werkzaamheden; alle order- en verkoopmappen van [handelsnaam], althans een afschrift daarvan. 5.8. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseressen] desgevraagd verklaard dat artikel 195 Rv ten grondslag ligt aan de vordering. [eiseressen] heeft het vermoeden dat [gedaagde] werkzaamheden heeft verricht voor derden die hij buiten de administratie van de onderneming heeft gehouden. Daarnaast zijn de gevorderde gegevens eigendom van [eiseres 2] en kwalificeren als bedrijfsgegevens die noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering van [eiseressen] heeft recht op deze informatie en [gedaagde] beschikt daarover. [eiseressen] wil met deze gegevens inzichtelijk krijgen wat er in [handelsnaam] is gebeurd. 5.9. Voor een recht op inzage, afschrift of uittreksel van gegevens moet op grond van artikel 194 Rv aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Degene die informatie van een ander verlangt moet (1) partij zijn bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking en (2) de verlangde informatie moet voldoende bepaald zijn. Verder moet (3) een partij een voldoende belang hebben bij haar informatieverzoek en moet (4) degene van wie inzage wordt verlangd over de gevraagde informatie beschikken. Als degene die informatie van een ander verlangt aan deze voorwaarden voldoet, kan de rechter een daartoe strekkende vordering alleen afwijzen als (a) degene die over de gegevens beschikt een verschoningsrecht als bedoeld in artikel 165 lid 2 Rv toekomt of (b) gewichtige redenen zich tegen het geven van een afschrift verzetten (artikel 195 lid 1 Rv in samenhang met artikel 194 lid 2 Rv). 5.10. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen sprake is van een rechtsbetrekking en dat de door [eiseressen] gevraagde gegevens deze rechtsbetrekking aangaan. Met inachtneming van het onder 5.9 geschetste toetsingskader zal de rechtbank de afzonderlijke onderdelen (a tot en met d) van de vordering hierna bespreken. ad a. de wachtwoorden van en toegang tot alle [handelsnaam] mailboxen 5.11. [gedaagde] betoogt dat er op grond van de artikelen 194 en 195 Rv slechts inzage hoeft te worden verleend in specifieke bescheiden en niet in een volledige mailbox. Daarmee is de door [eiseressen] verlangde informatie onvoldoende bepaald. [gedaagde] kan daarom niet worden gehouden mee te werken aan het verlenen van toegang aan [eiseressen] tot alle [handelsnaam] mailboxen. 5.12. [eiseressen] heeft toegelicht dat zij belang heeft bij inzage in de e-mails om te kunnen bewijzen dat [gedaagde] werkzaamheden voor derden heeft verricht die hij buiten de administratie van de onderneming heeft gehouden. [eiseressen] baseert dit vermoeden op de volgende drie kwesties. Autoscout24.nl 5.13. [eiseressen] stelt dat [gedaagde] auto’s heeft aangeboden via Autoscout24.nl, waarbij onduidelijk is gebleven welke afspraken [gedaagde] daarover heeft gemaakt met de eigenaren van de auto’s. 5.14. [gedaagde] betoogt dat er geen schriftelijke opdrachtbevestigingen zijn, omdat er niet met schriftelijke opdrachtbevestigingen werd gewerkt. Dat dit ook bij [naam 1] bekend was volgt volgens [gedaagde] uit het e-mailbericht van [naam 1] van 18 augustus 2025, waarin [naam 1] aan [gedaagde] onder meer heeft geschreven dat hij wil dat er vanaf dat moment wordt gewerkt met schriftelijke opdrachtbevestigingen. [gedaagde] kan niet overleggen wat er niet is. Bovendien zijn er in vierenhalf jaar tijd maar twintig auto’s via [handelsnaam] aan derden verkocht en is er dus niet veel handel gedreven door [handelsnaam], aldus [gedaagde]. Provisie Sportwagenpolis 5.15. [gedaagde] heeft een provisie van € 992,25 van verzekeraar Sportwagenpolis naar zijn privé rekening laten overboeken, terwijl dit bedrag volgens [eiseressen] aan [eiseres 2] toekomt. Het gaat immers om inkomsten die zijn gegenereerd via [handelsnaam]. [eiseressen] onderbouwt dit met een e-mailbericht van 12 november 2025 van Sportwagenpolis, waarin staat dat zij altijd heeft gecommuniceerd met [e-mailadres 2] en een e-mail van 18 december 2025 waarin Sportwagenpolis schrijft dat zij een bedrijf vraagt naar welke bankrekening de provisie overgemaakt moet worden, maar dat zij daarover nooit adviseert. 5.16. [gedaagde] heeft hierover het volgende verklaard. In 2024 heeft [gedaagde] een aantal vrienden en kennissen en één bestaande klant van [handelsnaam] doorverwezen naar Sportwagenpolis, omdat hij daar zelf goede ervaringen mee had. Hij deed dit als privé persoon en wist niet dat hij hier een vergoeding voor zou krijgen van Sportwagenpolis. Begin 2025 kreeg [gedaagde] bericht van Sportwagenpolis dat hij nog een bonus of provisie tegoed had voor het aanleveren van klanten over het voorgaande jaar. Sportwagenpolis gaf aan dat dit bedrag aan hem in privé kon worden overgemaakt. [handelsnaam] bood dergelijke diensten op dat moment niet aan en dit behoorde ook niet tot haar activiteiten. Daarom heeft [gedaagde] de provisie op zijn privé rekening laten overmaken. Omdat [gedaagde] inzag dat hij hiermee inkomsten kon genereren, heeft hij vervolgens een link op de website van [handelsnaam] gezet naar Sportwagenpolis. Vanaf dat moment werd het volgens [gedaagde] zakelijk. [naam 1] en [gedaagde] hebben hier geen afspraken over gemaakt. De communicatie met Sportwagenpolis ging niet per e-mail, maar werd gevoerd via WhatsApp, met het privé telefoonnummer van [gedaagde]. [naam 3] 5.17. [eiseressen] stelt dat [handelsnaam] de auto van [naam 3], een vriend van [gedaagde], te koop heeft aangeboden en dat [naam 3] een bedrag van € 2.700,- heeft overgeboekt naar [eiseres 2], welk bedrag vervolgens door [gedaagde] (vanaf de rekening van [eiseres 2]) is teruggestort naar [naam 3]. [eiseressen] plaatst hier vraagtekens bij en wil de consignatieopdracht zien. 5.18. [gedaagde] heeft dit als volgt toegelicht. [naam 3] is een vriend van hem, die zijn auto wilde verkopen. [gedaagde] heeft een advertentie voor de auto van [naam 3] op de Autoscout van [handelsnaam] geplaatst. [gedaagde] heeft in de advertentie vermeld dat [handelsnaam] voor deze auto alleen de advertentie verzorgt. In de advertentie is niet het telefoonnummer van [handelsnaam] of van [gedaagde] vermeld, maar het telefoonnummer van [naam 3]. [gedaagde] heeft niet bij de verkoop bemiddeld en heeft geen vergoeding van [naam 3] ontvangen. Er is dus geen consignatieovereenkomst gesloten. De auto is door [naam 3] zelf via Marktplaats verkocht. [naam 3] heeft op enig moment per ongeluk een betaling gedaan op de bankrekening van [eiseres 2], waarna [gedaagde] dit bedrag heeft teruggestort. Het factuurnummer dat bij de overboeking stond was heel anders dan de reeks die de facturen van [handelsnaam] had. Daaruit blijkt dat de betreffende factuur niet afkomstig was van [handelsnaam]. [naam 3] had eerder een bedrag aan [handelsnaam] betaald en had bij zijn overboeking abusievelijk het rekeningnummer van [handelsnaam] gebruikt. Deze betaling was echter niet voor [handelsnaam] bedoeld. Recht op wachtwoorden van en toegang tot alle mailboxen? 5.19. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] de door [eiseressen] gestelde vermoedens voldoende gemotiveerd betwist. [eiseressen] heeft haar stellingen vervolgens niet nader onderbouwd. Dit brengt mee dat de voorgaande drie kwesties niet [vestigingsplaats] tot de conclusie dat [gedaagde] werkzaamheden heeft verricht voor derden die hij buiten de administratie van de onderneming heeft gehouden en dat hij zich ten koste van [eiseressen] heeft verrijkt. Deze kwesties geven naar het oordeel van de rechtbank ook geen aanleiding tot verder onderzoek. Dit heeft tot gevolg dat het door [eiseressen] gestelde belang bij de vordering ontbreekt. 5.20. Daar komt bij dat de verlangde informatie voldoende bepaald moet zijn.
Volledig
[eiseressen] vordert veroordeling van [gedaagde] om de volgende gegevens te verstrekken: de wachtwoorden van en toegang tot alle [handelsnaam] mailboxen, waaronder [e-mailadres 1] en [e-mailadres 2], althans op zijn minst een kopie van alle verzonden en ontvangen e-mails op dit e-mailadres ter beschikking te stellen; de wachtwoorden van de website c.q. het domein; alle informatie met betrekking tot de aan de rode Lamborghini uitgevoerde werkzaamheden; alle order- en verkoopmappen van [handelsnaam], althans een afschrift daarvan. 5.8. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseressen] desgevraagd verklaard dat artikel 195 Rv ten grondslag ligt aan de vordering. [eiseressen] heeft het vermoeden dat [gedaagde] werkzaamheden heeft verricht voor derden die hij buiten de administratie van de onderneming heeft gehouden. Daarnaast zijn de gevorderde gegevens eigendom van [eiseres 2] en kwalificeren als bedrijfsgegevens die noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering van [eiseressen] heeft recht op deze informatie en [gedaagde] beschikt daarover. [eiseressen] wil met deze gegevens inzichtelijk krijgen wat er in [handelsnaam] is gebeurd. 5.9. Voor een recht op inzage, afschrift of uittreksel van gegevens moet op grond van artikel 194 Rv aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Degene die informatie van een ander verlangt moet (1) partij zijn bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking en (2) de verlangde informatie moet voldoende bepaald zijn. Verder moet (3) een partij een voldoende belang hebben bij haar informatieverzoek en moet (4) degene van wie inzage wordt verlangd over de gevraagde informatie beschikken. Als degene die informatie van een ander verlangt aan deze voorwaarden voldoet, kan de rechter een daartoe strekkende vordering alleen afwijzen als (a) degene die over de gegevens beschikt een verschoningsrecht als bedoeld in artikel 165 lid 2 Rv toekomt of (b) gewichtige redenen zich tegen het geven van een afschrift verzetten (artikel 195 lid 1 Rv in samenhang met artikel 194 lid 2 Rv). 5.10. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen sprake is van een rechtsbetrekking en dat de door [eiseressen] gevraagde gegevens deze rechtsbetrekking aangaan. Met inachtneming van het onder 5.9 geschetste toetsingskader zal de rechtbank de afzonderlijke onderdelen (a tot en met d) van de vordering hierna bespreken. ad a. de wachtwoorden van en toegang tot alle [handelsnaam] mailboxen 5.11. [gedaagde] betoogt dat er op grond van de artikelen 194 en 195 Rv slechts inzage hoeft te worden verleend in specifieke bescheiden en niet in een volledige mailbox. Daarmee is de door [eiseressen] verlangde informatie onvoldoende bepaald. [gedaagde] kan daarom niet worden gehouden mee te werken aan het verlenen van toegang aan [eiseressen] tot alle [handelsnaam] mailboxen. 5.12. [eiseressen] heeft toegelicht dat zij belang heeft bij inzage in de e-mails om te kunnen bewijzen dat [gedaagde] werkzaamheden voor derden heeft verricht die hij buiten de administratie van de onderneming heeft gehouden. [eiseressen] baseert dit vermoeden op de volgende drie kwesties. Autoscout24.nl 5.13. [eiseressen] stelt dat [gedaagde] auto’s heeft aangeboden via Autoscout24.nl, waarbij onduidelijk is gebleven welke afspraken [gedaagde] daarover heeft gemaakt met de eigenaren van de auto’s. 5.14. [gedaagde] betoogt dat er geen schriftelijke opdrachtbevestigingen zijn, omdat er niet met schriftelijke opdrachtbevestigingen werd gewerkt. Dat dit ook bij [naam 1] bekend was volgt volgens [gedaagde] uit het e-mailbericht van [naam 1] van 18 augustus 2025, waarin [naam 1] aan [gedaagde] onder meer heeft geschreven dat hij wil dat er vanaf dat moment wordt gewerkt met schriftelijke opdrachtbevestigingen. [gedaagde] kan niet overleggen wat er niet is. Bovendien zijn er in vierenhalf jaar tijd maar twintig auto’s via [handelsnaam] aan derden verkocht en is er dus niet veel handel gedreven door [handelsnaam], aldus [gedaagde]. Provisie Sportwagenpolis 5.15. [gedaagde] heeft een provisie van € 992,25 van verzekeraar Sportwagenpolis naar zijn privé rekening laten overboeken, terwijl dit bedrag volgens [eiseressen] aan [eiseres 2] toekomt. Het gaat immers om inkomsten die zijn gegenereerd via [handelsnaam]. [eiseressen] onderbouwt dit met een e-mailbericht van 12 november 2025 van Sportwagenpolis, waarin staat dat zij altijd heeft gecommuniceerd met [e-mailadres 2] en een e-mail van 18 december 2025 waarin Sportwagenpolis schrijft dat zij een bedrijf vraagt naar welke bankrekening de provisie overgemaakt moet worden, maar dat zij daarover nooit adviseert. 5.16. [gedaagde] heeft hierover het volgende verklaard. In 2024 heeft [gedaagde] een aantal vrienden en kennissen en één bestaande klant van [handelsnaam] doorverwezen naar Sportwagenpolis, omdat hij daar zelf goede ervaringen mee had. Hij deed dit als privé persoon en wist niet dat hij hier een vergoeding voor zou krijgen van Sportwagenpolis. Begin 2025 kreeg [gedaagde] bericht van Sportwagenpolis dat hij nog een bonus of provisie tegoed had voor het aanleveren van klanten over het voorgaande jaar. Sportwagenpolis gaf aan dat dit bedrag aan hem in privé kon worden overgemaakt. [handelsnaam] bood dergelijke diensten op dat moment niet aan en dit behoorde ook niet tot haar activiteiten. Daarom heeft [gedaagde] de provisie op zijn privé rekening laten overmaken. Omdat [gedaagde] inzag dat hij hiermee inkomsten kon genereren, heeft hij vervolgens een link op de website van [handelsnaam] gezet naar Sportwagenpolis. Vanaf dat moment werd het volgens [gedaagde] zakelijk. [naam 1] en [gedaagde] hebben hier geen afspraken over gemaakt. De communicatie met Sportwagenpolis ging niet per e-mail, maar werd gevoerd via WhatsApp, met het privé telefoonnummer van [gedaagde]. [naam 3] 5.17. [eiseressen] stelt dat [handelsnaam] de auto van [naam 3], een vriend van [gedaagde], te koop heeft aangeboden en dat [naam 3] een bedrag van € 2.700,- heeft overgeboekt naar [eiseres 2], welk bedrag vervolgens door [gedaagde] (vanaf de rekening van [eiseres 2]) is teruggestort naar [naam 3]. [eiseressen] plaatst hier vraagtekens bij en wil de consignatieopdracht zien. 5.18. [gedaagde] heeft dit als volgt toegelicht. [naam 3] is een vriend van hem, die zijn auto wilde verkopen. [gedaagde] heeft een advertentie voor de auto van [naam 3] op de Autoscout van [handelsnaam] geplaatst. [gedaagde] heeft in de advertentie vermeld dat [handelsnaam] voor deze auto alleen de advertentie verzorgt. In de advertentie is niet het telefoonnummer van [handelsnaam] of van [gedaagde] vermeld, maar het telefoonnummer van [naam 3]. [gedaagde] heeft niet bij de verkoop bemiddeld en heeft geen vergoeding van [naam 3] ontvangen. Er is dus geen consignatieovereenkomst gesloten. De auto is door [naam 3] zelf via Marktplaats verkocht. [naam 3] heeft op enig moment per ongeluk een betaling gedaan op de bankrekening van [eiseres 2], waarna [gedaagde] dit bedrag heeft teruggestort. Het factuurnummer dat bij de overboeking stond was heel anders dan de reeks die de facturen van [handelsnaam] had. Daaruit blijkt dat de betreffende factuur niet afkomstig was van [handelsnaam]. [naam 3] had eerder een bedrag aan [handelsnaam] betaald en had bij zijn overboeking abusievelijk het rekeningnummer van [handelsnaam] gebruikt. Deze betaling was echter niet voor [handelsnaam] bedoeld. Recht op wachtwoorden van en toegang tot alle mailboxen? 5.19. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] de door [eiseressen] gestelde vermoedens voldoende gemotiveerd betwist. [eiseressen] heeft haar stellingen vervolgens niet nader onderbouwd. Dit brengt mee dat de voorgaande drie kwesties niet [vestigingsplaats] tot de conclusie dat [gedaagde] werkzaamheden heeft verricht voor derden die hij buiten de administratie van de onderneming heeft gehouden en dat hij zich ten koste van [eiseressen] heeft verrijkt. Deze kwesties geven naar het oordeel van de rechtbank ook geen aanleiding tot verder onderzoek. Dit heeft tot gevolg dat het door [eiseressen] gestelde belang bij de vordering ontbreekt. 5.20. Daar komt bij dat de verlangde informatie voldoende bepaald moet zijn.
Volledig
Daar is niet aan voldaan. [eiseressen] vordert toegang tot ‘alle [handelsnaam] mailboxen’ en geeft bovendien niet aan over welke periode zij inzage vordert. Bovendien heeft [gedaagde] onweersproken gesteld dat de betreffende mailbox ook zijn privé e-mails bevat omdat deze mailbox is gekoppeld aan zijn Microsoft 365 account. [gedaagde] beroept zich op zijn recht op privacy. Dit weegt naar het oordeel van de rechtbank zwaarder dan het recht van [eiseressen] om inzichtelijk te krijgen wat er in de vennootschap is gebeurd. Er zijn immers geen concrete aanwijzingen dat [gedaagde] zich onrechtmatig heeft verrijkt ten koste van [eiseressen] 5.21. Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank de vordering tot het verstrekken van de wachtwoorden van en toegang tot alle [handelsnaam] mailboxen afwijzen. ad b. de wachtwoorden van de website c.q. het domein 5.22. In de dagvaarding is niet omschreven van welke website [eiseressen] de wachtwoorden wil. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseressen] toegelicht dat het gaat om de website www.realcollectablecars.nl. [eiseressen] wenst de gegevens op deze website aan te passen, maar dat kan alleen als zij de wachtwoorden heeft. De beheerder van de website wil de wachtwoorden alleen aan [eiseressen] verstrekken met toestemming van [gedaagde]. 5.23. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] gezegd dat hij de wachtwoorden niet heeft. [gedaagde] heeft toegezegd dat hij de wachtwoorden via de beheerder aan [naam 1] wil geven en hiertoe de beheerder zal instrueren. 5.24. Nu [gedaagde] bereid is om vrijwillig aan deze vordering te voldoen heeft [eiseressen] geen belang meer bij haar vordering. De rechtbank zal de vordering dan ook afwijzen. ad c. alle informatie met betrekking tot de aan de rode Lamborghini uitgevoerde werkzaamheden 5.25. [eiseressen] vordert afgifte van alle informatie met betrekking tot de aan de rode Lamborghini uitgevoerde werkzaamheden. [eiseressen] heeft deze vordering niet onderbouwd in de dagvaarding. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseressen] de vordering als volgt toegelicht. In de dagvaarding staat inderdaad niets over de rode Lamborghini, omdat dat een van de zaken is die partijen genoegzaam bekend is. De rode Lamborghini stond maanden bij het bedrijf. Er zijn werkzaamheden aan deze auto verricht. De auto stond in consignatie, maar is niet verkocht. [eiseressen] weet niet wat er over de rode Lamborghini is gecorrespondeerd, welke overeenkomst is gesloten, welke werkzaamheden zijn uitgevoerd, of wat de vergoeding is die is ontvangen. [gedaagde] heeft gezegd dat hij de auto zou verkopen op basis van no cure no pay en dat [handelsnaam] er niets aan heeft verdiend. [eiseressen] vindt het onwaarschijnlijk dat een Lamborghini met een waarde van twee ton wordt langsgebracht bij [handelsnaam] zonder dat daarover afspraken worden gemaakt. Er moeten op zijn minst e-mails zijn waar de afspraken met de eigenaar van de auto uit blijken, aldus [eiseressen] 5.26. [gedaagde] erkent dat er inderdaad een rode Lamborghini bij het bedrijf heeft gestaan. Hij betoogt dat hij [naam 1] meermaals heeft uitgelegd dat hij met de eigenaar van de Lamborghini een mondelinge no cure no pay afspraak heeft gemaakt. Er zijn geen substantiële werkzaamheden aan deze auto verricht. [gedaagde] heeft alleen de wielen aan de binnenkant schoongemaakt en het dak gepolijst. [naam 1] heeft meerdere malen aangegeven dat de auto niet verkoopbaar was, waarop [gedaagde] de eigenaar heeft geïnformeerd dat de auto zou worden teruggestuurd. Omdat de auto niet is verkocht, zijn er geen facturen gestuurd en geen inkomsten ontvangen. Er zijn dus geen werkzaamheden uitgevoerd aan de rode Lamborghini en er zijn geen schriftelijke afspraken gemaakt, aldus [gedaagde]. 5.27. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] hiermee voldoende gemotiveerd betwist dat hij met de eigenaar van de rode Lamborghini schriftelijke afspraken heeft gemaakt (die aan [eiseressen] verstrekt zouden kunnen worden) en dat hij substantiële werkzaamheden aan deze auto heeft verricht. [eiseressen] heeft haar vermoedens niet nader onderbouwd. Daarmee staat vast dat [gedaagde] met zijn toelichting alle informatie met betrekking tot de aan de rode Lamborghini uitgevoerde werkzaamheden aan [eiseressen] heeft verstrekt. Daarmee heeft [eiseressen] onvoldoende belang bij haar vordering, zodat deze zal worden afgewezen. ad d. order- en verkoopmappen van [handelsnaam] 5.28. [eiseressen] vordert, na wijziging van eis, afgifte van alle order- en verkoopmappen van [handelsnaam]. Deze mappen bevatten administratie van [handelsnaam]. [eiseressen] heeft toegelicht dat zij aan de hand van de informatie uit de mappen wil controleren welke auto’s zijn verkocht en of er wellicht rechtstreeks aan [gedaagde] is betaald. 5.29. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling het volgende verweer gevoerd tegen de vordering. [gedaagde] heeft thuis geen administratie van [eiseressen] Hij heeft geen order- en verkoopmappen. De consignatieovereenkomsten zijn allemaal digitaal aangegaan. [gedaagde] heeft elk kwartaal overleg gehad met de boekhouder van [eiseressen], de heer [naam 2]. [naam 2] beschikt over alle facturen. [gedaagde] heeft die aan hem overhandigd. [naam 1] heeft [gedaagde] aan het eind van de samenwerking geïnstrueerd dat hij opdrachtbevestigingen en consignatieopdrachten moest sturen naar de klanten. Daaruit volgt dat dat voorheen niet gebeurde. [gedaagde] heeft verklaard dat hij de sleutels aan [naam 1] heeft gegeven en dat er een blauwe map ligt in de lade van het bureau dat [gedaagde] gebruikte op de voormalige bedrijfslocatie, waar [naam 1] bij kan. In die map zitten de papieren facturen. 5.30. De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [eiseressen] inzage wil in de administratie van [handelsnaam]. Vast staat dat de administratie werd gevoerd door [naam 1] en [naam 2]. Dat blijkt ook uit de e-mail van 4 mei 2021 (vierde bullet point onder ‘Activiteiten [gedaagde]’). Het was dus niet de taak van [gedaagde] om de administratie bij te houden, nu [naam 2] dat deed. Als onweersproken staat voorts vast dat [gedaagde] ieder kwartaal contact had met [naam 2] en dat [naam 2] nooit vragen over de administratie aan [gedaagde] heeft gesteld die door [gedaagde] niet zijn beantwoord. [gedaagde] stelt dat hij geen order- en verkoopmappen van [handelsnaam] heeft. [gedaagde] hoefde de administratie ook niet bij te houden. [gedaagde] heeft bovendien onweersproken gesteld dat hij de sleutels aan [naam 1] heeft afgegeven en dat er alleen een blauwe map in de bureaula ligt, waar [naam 1] bij kan. Meer is er niet, volgens [gedaagde]. Tijdens de vier jaar samenwerking heeft [gedaagde] nooit enige opmerking gehad over het feit dat de administratie op andere wijze moest worden bijgehouden of dat dingen zouden ontbreken. Ook dit is niet weersproken door [eiseressen] Gelet op al het voorgaande heeft [eiseressen] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat [gedaagde] wel over de door hem gevorderde order- en verkoopmappen beschikt. 5.31. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering wordt afgewezen. Overdracht domeinnaam 5.32. [eiseressen] vordert veroordeling van [gedaagde] om zorg te dragen voor het registeren van de domeinnaam (de rechtbank begrijpt: www.realcollectablecars.nl) op naam van [handelsnaam]. 5.33. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] gezegd dat hij bereid is om zorg te dragen voor het registreren van de domeinnaam op naam van [handelsnaam]. 5.34. Nu [gedaagde] bereid is om vrijwillig aan deze vordering te voldoen heeft [eiseressen] geen belang meer bij haar vordering. De rechtbank zal de vordering dan ook afwijzen. Aanzuiveren negatief eigen vermogen van [eiseressen] 5.35. [eiseressen] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 99.999,-, zijnde het aandeel van [gedaagde] in het negatieve kapitaal van [eiseres 1] en [eiseres 2]. 5.36. [eiseressen] legt hieraan – samengevat – het volgende ten grondslag.
Volledig
Daar is niet aan voldaan. [eiseressen] vordert toegang tot ‘alle [handelsnaam] mailboxen’ en geeft bovendien niet aan over welke periode zij inzage vordert. Bovendien heeft [gedaagde] onweersproken gesteld dat de betreffende mailbox ook zijn privé e-mails bevat omdat deze mailbox is gekoppeld aan zijn Microsoft 365 account. [gedaagde] beroept zich op zijn recht op privacy. Dit weegt naar het oordeel van de rechtbank zwaarder dan het recht van [eiseressen] om inzichtelijk te krijgen wat er in de vennootschap is gebeurd. Er zijn immers geen concrete aanwijzingen dat [gedaagde] zich onrechtmatig heeft verrijkt ten koste van [eiseressen] 5.21. Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank de vordering tot het verstrekken van de wachtwoorden van en toegang tot alle [handelsnaam] mailboxen afwijzen. ad b. de wachtwoorden van de website c.q. het domein 5.22. In de dagvaarding is niet omschreven van welke website [eiseressen] de wachtwoorden wil. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseressen] toegelicht dat het gaat om de website www.realcollectablecars.nl. [eiseressen] wenst de gegevens op deze website aan te passen, maar dat kan alleen als zij de wachtwoorden heeft. De beheerder van de website wil de wachtwoorden alleen aan [eiseressen] verstrekken met toestemming van [gedaagde]. 5.23. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] gezegd dat hij de wachtwoorden niet heeft. [gedaagde] heeft toegezegd dat hij de wachtwoorden via de beheerder aan [naam 1] wil geven en hiertoe de beheerder zal instrueren. 5.24. Nu [gedaagde] bereid is om vrijwillig aan deze vordering te voldoen heeft [eiseressen] geen belang meer bij haar vordering. De rechtbank zal de vordering dan ook afwijzen. ad c. alle informatie met betrekking tot de aan de rode Lamborghini uitgevoerde werkzaamheden 5.25. [eiseressen] vordert afgifte van alle informatie met betrekking tot de aan de rode Lamborghini uitgevoerde werkzaamheden. [eiseressen] heeft deze vordering niet onderbouwd in de dagvaarding. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseressen] de vordering als volgt toegelicht. In de dagvaarding staat inderdaad niets over de rode Lamborghini, omdat dat een van de zaken is die partijen genoegzaam bekend is. De rode Lamborghini stond maanden bij het bedrijf. Er zijn werkzaamheden aan deze auto verricht. De auto stond in consignatie, maar is niet verkocht. [eiseressen] weet niet wat er over de rode Lamborghini is gecorrespondeerd, welke overeenkomst is gesloten, welke werkzaamheden zijn uitgevoerd, of wat de vergoeding is die is ontvangen. [gedaagde] heeft gezegd dat hij de auto zou verkopen op basis van no cure no pay en dat [handelsnaam] er niets aan heeft verdiend. [eiseressen] vindt het onwaarschijnlijk dat een Lamborghini met een waarde van twee ton wordt langsgebracht bij [handelsnaam] zonder dat daarover afspraken worden gemaakt. Er moeten op zijn minst e-mails zijn waar de afspraken met de eigenaar van de auto uit blijken, aldus [eiseressen] 5.26. [gedaagde] erkent dat er inderdaad een rode Lamborghini bij het bedrijf heeft gestaan. Hij betoogt dat hij [naam 1] meermaals heeft uitgelegd dat hij met de eigenaar van de Lamborghini een mondelinge no cure no pay afspraak heeft gemaakt. Er zijn geen substantiële werkzaamheden aan deze auto verricht. [gedaagde] heeft alleen de wielen aan de binnenkant schoongemaakt en het dak gepolijst. [naam 1] heeft meerdere malen aangegeven dat de auto niet verkoopbaar was, waarop [gedaagde] de eigenaar heeft geïnformeerd dat de auto zou worden teruggestuurd. Omdat de auto niet is verkocht, zijn er geen facturen gestuurd en geen inkomsten ontvangen. Er zijn dus geen werkzaamheden uitgevoerd aan de rode Lamborghini en er zijn geen schriftelijke afspraken gemaakt, aldus [gedaagde]. 5.27. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] hiermee voldoende gemotiveerd betwist dat hij met de eigenaar van de rode Lamborghini schriftelijke afspraken heeft gemaakt (die aan [eiseressen] verstrekt zouden kunnen worden) en dat hij substantiële werkzaamheden aan deze auto heeft verricht. [eiseressen] heeft haar vermoedens niet nader onderbouwd. Daarmee staat vast dat [gedaagde] met zijn toelichting alle informatie met betrekking tot de aan de rode Lamborghini uitgevoerde werkzaamheden aan [eiseressen] heeft verstrekt. Daarmee heeft [eiseressen] onvoldoende belang bij haar vordering, zodat deze zal worden afgewezen. ad d. order- en verkoopmappen van [handelsnaam] 5.28. [eiseressen] vordert, na wijziging van eis, afgifte van alle order- en verkoopmappen van [handelsnaam]. Deze mappen bevatten administratie van [handelsnaam]. [eiseressen] heeft toegelicht dat zij aan de hand van de informatie uit de mappen wil controleren welke auto’s zijn verkocht en of er wellicht rechtstreeks aan [gedaagde] is betaald. 5.29. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling het volgende verweer gevoerd tegen de vordering. [gedaagde] heeft thuis geen administratie van [eiseressen] Hij heeft geen order- en verkoopmappen. De consignatieovereenkomsten zijn allemaal digitaal aangegaan. [gedaagde] heeft elk kwartaal overleg gehad met de boekhouder van [eiseressen], de heer [naam 2]. [naam 2] beschikt over alle facturen. [gedaagde] heeft die aan hem overhandigd. [naam 1] heeft [gedaagde] aan het eind van de samenwerking geïnstrueerd dat hij opdrachtbevestigingen en consignatieopdrachten moest sturen naar de klanten. Daaruit volgt dat dat voorheen niet gebeurde. [gedaagde] heeft verklaard dat hij de sleutels aan [naam 1] heeft gegeven en dat er een blauwe map ligt in de lade van het bureau dat [gedaagde] gebruikte op de voormalige bedrijfslocatie, waar [naam 1] bij kan. In die map zitten de papieren facturen. 5.30. De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [eiseressen] inzage wil in de administratie van [handelsnaam]. Vast staat dat de administratie werd gevoerd door [naam 1] en [naam 2]. Dat blijkt ook uit de e-mail van 4 mei 2021 (vierde bullet point onder ‘Activiteiten [gedaagde]’). Het was dus niet de taak van [gedaagde] om de administratie bij te houden, nu [naam 2] dat deed. Als onweersproken staat voorts vast dat [gedaagde] ieder kwartaal contact had met [naam 2] en dat [naam 2] nooit vragen over de administratie aan [gedaagde] heeft gesteld die door [gedaagde] niet zijn beantwoord. [gedaagde] stelt dat hij geen order- en verkoopmappen van [handelsnaam] heeft. [gedaagde] hoefde de administratie ook niet bij te houden. [gedaagde] heeft bovendien onweersproken gesteld dat hij de sleutels aan [naam 1] heeft afgegeven en dat er alleen een blauwe map in de bureaula ligt, waar [naam 1] bij kan. Meer is er niet, volgens [gedaagde]. Tijdens de vier jaar samenwerking heeft [gedaagde] nooit enige opmerking gehad over het feit dat de administratie op andere wijze moest worden bijgehouden of dat dingen zouden ontbreken. Ook dit is niet weersproken door [eiseressen] Gelet op al het voorgaande heeft [eiseressen] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat [gedaagde] wel over de door hem gevorderde order- en verkoopmappen beschikt. 5.31. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering wordt afgewezen. Overdracht domeinnaam 5.32. [eiseressen] vordert veroordeling van [gedaagde] om zorg te dragen voor het registeren van de domeinnaam (de rechtbank begrijpt: www.realcollectablecars.nl) op naam van [handelsnaam]. 5.33. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] gezegd dat hij bereid is om zorg te dragen voor het registreren van de domeinnaam op naam van [handelsnaam]. 5.34. Nu [gedaagde] bereid is om vrijwillig aan deze vordering te voldoen heeft [eiseressen] geen belang meer bij haar vordering. De rechtbank zal de vordering dan ook afwijzen. Aanzuiveren negatief eigen vermogen van [eiseressen] 5.35. [eiseressen] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 99.999,-, zijnde het aandeel van [gedaagde] in het negatieve kapitaal van [eiseres 1] en [eiseres 2]. 5.36. [eiseressen] legt hieraan – samengevat – het volgende ten grondslag.
Volledig
Uit de tussen [naam 1] en [gedaagde] voorafgaand aan de samenwerking op 4 mei 2021 gemaakte afspraken blijkt dat [naam 1] en [gedaagde] ieder voor de helft gerechtigd zijn tot de eventueel te realiseren winsten, maar dat zij ook bij helfte gehouden zijn de eventuele verliezen te dragen. Het voor rekening van [gedaagde] komende deel in het negatieve kapitaal van [eiseres 1] en [eiseres 2] is door [eiseressen] begroot op € 105.000,-. De hoogte van de vordering blijkt uit productie 10 bij de dagvaarding (jaarrekening 2024). Om proceseconomische redenen heeft [eiseressen] de vordering beperkt tot € 99.999,-. 5.37. [gedaagde] betwist dat hij met [naam 1] afspraken heeft gemaakt over het aanzuiveren van negatief eigen vermogen van [eiseressen] en dat zij hebben afgesproken dat [gedaagde] de helft van het verlies zou dragen. Bovendien heeft [naam 1] in zijn e-mail van 26 april 2022 aan [gedaagde] geschreven dat hij het verlies betaalt. Ook betwist [gedaagde] de wijze waarop [eiseressen] de vordering heeft berekend. 5.38. De rechtbank overweegt als volgt. Voor de beoordeling van deze vordering van [eiseressen] is in de eerste plaats van belang wat [naam 1] en [gedaagde] met betrekking tot het bijdragen in de verliezen van de onderneming zijn overeengekomen. Partijen zijn het daar niet over eens. Zij geven een verschillende uitleg aan de afspraken. De beantwoording van de vraag wat [naam 1] en [gedaagde] zijn overeengekomen, vindt niet alleen plaats op grond van een (zuiver) taalkundige uitleg van de bewoordingen van die bepalingen, maar geschiedt aan de hand van de zogenoemde Haviltex-maatstaf. Op basis van die maatstof komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en op wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Hierbij kan van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. Daarbij zijn telkens van beslissende betekenis alle concrete omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis van bewoordingen, alhoewel niet beslissend, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang. Dat neemt niet weg dat de overige omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat een andere dan de taalkundige betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. 5.39. In de e-mail van 4 mei 2021 heeft [naam 1] aan [gedaagde] bericht dat het idee is dat [gedaagde] de activiteiten doet. [naam 1] noemt zichzelf de ‘bankier en risiconemer’ van de samenwerking. In de bijlage bij deze e-mail staat: “ Daarna wordt het resultaat (winst of verlies) in [handelsnaam] gelijk verdeeld over beide vennoten ”. In de bullet point daarna staat echter dat voor het geval er twee jaar achtereen verlies wordt gemaakt de samenwerking, kort gezegd, kan worden beëindigd en dat dan geldt: “ [naam 1] betaalt het verlies van dit avontuur. ” 5.40. Vervolgens heeft [naam 1] op 26 april 2022 per e-mail aan [gedaagde] de afspraak dat het resultaat zou worden verdeeld aangevuld met de zin: “ Deze fee is uitgekeerd. Het verlies is niet verdeeld. Doe ik ook niet. Ik betaal het verlies wel. ” 5.41. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de bewoordingen over het dragen van de verliezen in de e-mails van 4 mei 2021 en 26 april 2022 duidelijk. Weliswaar staat in de tekst van de door [naam 1] opgestelde e-mail van 4 mei 2021 ook dat de winst of het verlies gelijk wordt verdeeld tussen [naam 1] en [gedaagde], maar het is de vraag of het delen van de verliezen ook daadwerkelijk de bedoeling van partijen was, gelet op de bullet point erna en de tekst van [naam 1] in de begeleidende e-mail. Voor zover het delen van de verliezen bij aanvang van de samenwerking al werkelijk de bedoeling is geweest van [naam 1] en [gedaagde], is die afspraak naar het oordeel van de rechtbank aangepast overeenkomstig de inhoud van de eveneens door [naam 1] opgestelde e-mail van 26 april 2022, waarin hij schrijft dat hij ([naam 1]) het verliest betaalt. De rechtbank leidt daaruit af dat [naam 1] en [gedaagde] (nader) zijn overeengekomen, althans dat [naam 1] (nader) heeft toegezegd, dat [naam 1] de verliezen van de onderneming voor zijn rekening zal nemen. Dit sluit ook aan bij de achtergrond van de samenwerking tussen [naam 1] en [gedaagde], die blijkt uit de e-mail van 4 mei 2021 van [naam 1]: [naam 1] is geldschieter (‘bankier en risiconemer’) en [gedaagde] voert de feitelijke werkzaamheden voor de onderneming uit. 5.42. In het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] en de afspraken zoals die door [naam 1] aan [gedaagde] zijn gemaild op 4 mei 2021 en op 26 april 2022 heeft [eiseressen] onvoldoende gesteld om te komen tot het oordeel dat [naam 1] en [gedaagde] ieder bij helfte gehouden zijn de eventuele verliezen van de onderneming te dragen. [gedaagde] had de gemaakte afspraken ook niet zo hoeven begrijpen, zeker niet na de aanvullende afspraken die [naam 1] op 26 april 2022 aan [gedaagde] heeft gemaild. 5.43. Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering wordt afgewezen. De overige stellingen en verweren over de tussen [naam 1] en [gedaagde] gemaakte afspraken die zien op dit onderdeel van de samenwerking, zoals over de oorzaken van de verliezen en de hoogte ervan, behoeven gelet op het voorgaande geen bespreking meer. Beslagkosten 5.44. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseressen] haar eis op dit punt verminderd en verklaard dat zij geen beslagkosten meer vordert, zodat deze vordering geen bespreking en beoordeling meer behoeft. Proceskosten 5.45. [eiseressen] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op: - griffierecht € 1.374,- - salaris advocaat € 6.153,- (3 punten x tarief V à € 2.051,-) - nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 7.716,- 5.46. Zoals de rechtbank hiervoor onder 5.6 heeft overwogen heeft zij bij de begroting van de proceskosten voor wat betreft het salaris advocaat een punt extra toegekend aan de conclusie van antwoord. 6 De beslissing De rechtbank: 6.1. wijst de vorderingen af; 6.2. veroordeelt [eiseressen] in de proceskosten van [gedaagde] van € 7.716,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiseressen] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiseressen] € 98,- extra aan nakosten betalen, plus de kosten van betekening; 6.3. verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. L. Amperse en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026. 2339 Onderstreping is door de rechtbank toegevoegd en betreft een van de aanvullingen (in het originele stuk in het rood) ten opzichte van de e-mail van 4 mei 2021.
Volledig
Uit de tussen [naam 1] en [gedaagde] voorafgaand aan de samenwerking op 4 mei 2021 gemaakte afspraken blijkt dat [naam 1] en [gedaagde] ieder voor de helft gerechtigd zijn tot de eventueel te realiseren winsten, maar dat zij ook bij helfte gehouden zijn de eventuele verliezen te dragen. Het voor rekening van [gedaagde] komende deel in het negatieve kapitaal van [eiseres 1] en [eiseres 2] is door [eiseressen] begroot op € 105.000,-. De hoogte van de vordering blijkt uit productie 10 bij de dagvaarding (jaarrekening 2024). Om proceseconomische redenen heeft [eiseressen] de vordering beperkt tot € 99.999,-. 5.37. [gedaagde] betwist dat hij met [naam 1] afspraken heeft gemaakt over het aanzuiveren van negatief eigen vermogen van [eiseressen] en dat zij hebben afgesproken dat [gedaagde] de helft van het verlies zou dragen. Bovendien heeft [naam 1] in zijn e-mail van 26 april 2022 aan [gedaagde] geschreven dat hij het verlies betaalt. Ook betwist [gedaagde] de wijze waarop [eiseressen] de vordering heeft berekend. 5.38. De rechtbank overweegt als volgt. Voor de beoordeling van deze vordering van [eiseressen] is in de eerste plaats van belang wat [naam 1] en [gedaagde] met betrekking tot het bijdragen in de verliezen van de onderneming zijn overeengekomen. Partijen zijn het daar niet over eens. Zij geven een verschillende uitleg aan de afspraken. De beantwoording van de vraag wat [naam 1] en [gedaagde] zijn overeengekomen, vindt niet alleen plaats op grond van een (zuiver) taalkundige uitleg van de bewoordingen van die bepalingen, maar geschiedt aan de hand van de zogenoemde Haviltex-maatstaf. Op basis van die maatstof komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en op wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Hierbij kan van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. Daarbij zijn telkens van beslissende betekenis alle concrete omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis van bewoordingen, alhoewel niet beslissend, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang. Dat neemt niet weg dat de overige omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat een andere dan de taalkundige betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. 5.39. In de e-mail van 4 mei 2021 heeft [naam 1] aan [gedaagde] bericht dat het idee is dat [gedaagde] de activiteiten doet. [naam 1] noemt zichzelf de ‘bankier en risiconemer’ van de samenwerking. In de bijlage bij deze e-mail staat: “ Daarna wordt het resultaat (winst of verlies) in [handelsnaam] gelijk verdeeld over beide vennoten ”. In de bullet point daarna staat echter dat voor het geval er twee jaar achtereen verlies wordt gemaakt de samenwerking, kort gezegd, kan worden beëindigd en dat dan geldt: “ [naam 1] betaalt het verlies van dit avontuur. ” 5.40. Vervolgens heeft [naam 1] op 26 april 2022 per e-mail aan [gedaagde] de afspraak dat het resultaat zou worden verdeeld aangevuld met de zin: “ Deze fee is uitgekeerd. Het verlies is niet verdeeld. Doe ik ook niet. Ik betaal het verlies wel. ” 5.41. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de bewoordingen over het dragen van de verliezen in de e-mails van 4 mei 2021 en 26 april 2022 duidelijk. Weliswaar staat in de tekst van de door [naam 1] opgestelde e-mail van 4 mei 2021 ook dat de winst of het verlies gelijk wordt verdeeld tussen [naam 1] en [gedaagde], maar het is de vraag of het delen van de verliezen ook daadwerkelijk de bedoeling van partijen was, gelet op de bullet point erna en de tekst van [naam 1] in de begeleidende e-mail. Voor zover het delen van de verliezen bij aanvang van de samenwerking al werkelijk de bedoeling is geweest van [naam 1] en [gedaagde], is die afspraak naar het oordeel van de rechtbank aangepast overeenkomstig de inhoud van de eveneens door [naam 1] opgestelde e-mail van 26 april 2022, waarin hij schrijft dat hij ([naam 1]) het verliest betaalt. De rechtbank leidt daaruit af dat [naam 1] en [gedaagde] (nader) zijn overeengekomen, althans dat [naam 1] (nader) heeft toegezegd, dat [naam 1] de verliezen van de onderneming voor zijn rekening zal nemen. Dit sluit ook aan bij de achtergrond van de samenwerking tussen [naam 1] en [gedaagde], die blijkt uit de e-mail van 4 mei 2021 van [naam 1]: [naam 1] is geldschieter (‘bankier en risiconemer’) en [gedaagde] voert de feitelijke werkzaamheden voor de onderneming uit. 5.42. In het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] en de afspraken zoals die door [naam 1] aan [gedaagde] zijn gemaild op 4 mei 2021 en op 26 april 2022 heeft [eiseressen] onvoldoende gesteld om te komen tot het oordeel dat [naam 1] en [gedaagde] ieder bij helfte gehouden zijn de eventuele verliezen van de onderneming te dragen. [gedaagde] had de gemaakte afspraken ook niet zo hoeven begrijpen, zeker niet na de aanvullende afspraken die [naam 1] op 26 april 2022 aan [gedaagde] heeft gemaild. 5.43. Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering wordt afgewezen. De overige stellingen en verweren over de tussen [naam 1] en [gedaagde] gemaakte afspraken die zien op dit onderdeel van de samenwerking, zoals over de oorzaken van de verliezen en de hoogte ervan, behoeven gelet op het voorgaande geen bespreking meer. Beslagkosten 5.44. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseressen] haar eis op dit punt verminderd en verklaard dat zij geen beslagkosten meer vordert, zodat deze vordering geen bespreking en beoordeling meer behoeft. Proceskosten 5.45. [eiseressen] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op: - griffierecht € 1.374,- - salaris advocaat € 6.153,- (3 punten x tarief V à € 2.051,-) - nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 7.716,- 5.46. Zoals de rechtbank hiervoor onder 5.6 heeft overwogen heeft zij bij de begroting van de proceskosten voor wat betreft het salaris advocaat een punt extra toegekend aan de conclusie van antwoord. 6 De beslissing De rechtbank: 6.1. wijst de vorderingen af; 6.2. veroordeelt [eiseressen] in de proceskosten van [gedaagde] van € 7.716,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiseressen] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiseressen] € 98,- extra aan nakosten betalen, plus de kosten van betekening; 6.3. verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. L. Amperse en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026. 2339 Onderstreping is door de rechtbank toegevoegd en betreft een van de aanvullingen (in het originele stuk in het rood) ten opzichte van de e-mail van 4 mei 2021.