Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-06
ECLI:NL:RBDHA:2026:10704
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Vereenvoudigde behandeling
1,829 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10704 text/xml public 2026-05-06T15:49:08 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-06 NL26.10122 Uitspraak Vereenvoudigde behandeling NL Groningen Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10704 text/html public 2026-05-06T15:48:34 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10704 Rechtbank Den Haag , 06-05-2026 / NL26.10122 PKV verzoek RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.10122 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], verzoekster, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. A.A. Scholtmeijer), en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Inleiding 1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om de minister te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten. 1.1. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de rechtbank 2. Verzoekster heeft een opvolgend beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag. Vervolgens heeft de minister alsnog een besluit genomen. Verzoekster heeft daarop het beroep ingetrokken en daarbij gevraagd om de minister te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten. 3. De rechtbank stelt vast dat de minister na het indienen van het opvolgende beroep tegen het niet tijdig beslissen alsnog een besluit heeft genomen. Daarmee is de minister aan verzoekster tegemoetgekomen. De minister dient daarom de proceskosten van verzoekster te betalen. 4. De minister heeft laten weten de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 233,50 te willen vergoeden. Gemachtigde heeft aangegeven het hiermee niet eens te zijn en verzoekt de proceskostenvergoeding vast te stellen op ten minste € 467,-. Conclusie en gevolgen 5. Het verzoek wordt toegewezen, gelet op hetgeen is overwogen onder 3. De minister moet de door verzoekster gemaakte proceskosten vergoeden. 6. Anders dan de gemachtigde voorstaat, stelt de rechtbank stelt de wegingsfactor die gebruikt wordt bij het bepalen van de hoogte van die proceskostenvergoeding in een opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen op 0,25. Hiertoe ziet zij aanleiding omdat de omvang van de werkzaamheden die redelijkerwijs nodig zijn voor een opvolgend beroep wegens niet tijdig beslissen in beginsel beperkter zijn dan voor een eerste beroep. Dat betekent dat de proceskostenvergoeding zal worden vastgesteld op € 233,50. Beslissing De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 233,50. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 8:75 en 8:75a van de Awb, nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Zie r.o. 6.2 ECLI:NL:RBDHA:2025:22665 Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,25.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10704 text/xml public 2026-05-06T15:49:08 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-06 NL26.10122 Uitspraak Vereenvoudigde behandeling NL Groningen Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10704 text/html public 2026-05-06T15:48:34 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10704 Rechtbank Den Haag , 06-05-2026 / NL26.10122 PKV verzoek RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.10122 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], verzoekster, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. A.A. Scholtmeijer), en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Inleiding 1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om de minister te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten. 1.1. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de rechtbank 2. Verzoekster heeft een opvolgend beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag. Vervolgens heeft de minister alsnog een besluit genomen. Verzoekster heeft daarop het beroep ingetrokken en daarbij gevraagd om de minister te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten. 3. De rechtbank stelt vast dat de minister na het indienen van het opvolgende beroep tegen het niet tijdig beslissen alsnog een besluit heeft genomen. Daarmee is de minister aan verzoekster tegemoetgekomen. De minister dient daarom de proceskosten van verzoekster te betalen. 4. De minister heeft laten weten de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 233,50 te willen vergoeden. Gemachtigde heeft aangegeven het hiermee niet eens te zijn en verzoekt de proceskostenvergoeding vast te stellen op ten minste € 467,-. Conclusie en gevolgen 5. Het verzoek wordt toegewezen, gelet op hetgeen is overwogen onder 3. De minister moet de door verzoekster gemaakte proceskosten vergoeden. 6. Anders dan de gemachtigde voorstaat, stelt de rechtbank stelt de wegingsfactor die gebruikt wordt bij het bepalen van de hoogte van die proceskostenvergoeding in een opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen op 0,25. Hiertoe ziet zij aanleiding omdat de omvang van de werkzaamheden die redelijkerwijs nodig zijn voor een opvolgend beroep wegens niet tijdig beslissen in beginsel beperkter zijn dan voor een eerste beroep. Dat betekent dat de proceskostenvergoeding zal worden vastgesteld op € 233,50. Beslissing De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 233,50. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 8:75 en 8:75a van de Awb, nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Zie r.o. 6.2 ECLI:NL:RBDHA:2025:22665 Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,25.