Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-06
ECLI:NL:RBDHA:2026:10678
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,801 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10678 text/xml public 2026-05-08T17:00:32 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-06 NL26.2824 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10678 text/html public 2026-05-06T14:28:45 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10678 Rechtbank Den Haag , 06-05-2026 / NL26.2824 Regulier; Turkije; 8 EVRM; inreisverbod; Turkse associatieovereenkomst; standstill-bepaling; discriminatie; hardheidsclausule beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.2824 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. I. Özkara), en de minister van Asiel en Migratie. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag tot het verlenen van verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister deze aanvraag terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 22 oktober 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 januari 2026 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Beoordeling door de rechtbank Achtergrond en het standpunt van de minister 3. Eiser heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft op 24 juni 2025 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met als verblijfsdoel ‘humanitair niet-tijdelijk: uitoefenen van privéleven op grond van artikel 8 EVRM’. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft en niet voldoet aan de voorwaarden om van het vereiste om een mvv te bezitten te worden vrijgesteld. Het is namelijk niet gebleken dat er in eisers geval sprake is van privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Ook heeft de minister aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar, wat volgens de minister niet in strijd is met de Associatieovereenkomst , of het Aanvullend Protocol bij die Associatieovereenkomst. Ten slotte is er geen aanleiding om wegens bijzondere omstandigheden af te wijken van de beleidsregels en eisers aanvraag alsnog in te willigen. Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van beschermwaardig privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM? 4. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er in zijn geval geen sprake is van beschermenswaardig privéleven. Eiser verblijft reeds geruime tijd in Nederland en is hier sociaal en economisch geïntegreerd. Sinds januari 2022 is eiser zelfstandig ondernemer en drijft hij de onderneming [naam onderneming], gevestigd in [plaats]. Vanuit deze onderneming verricht eiser structureel werkzaamheden, heeft hij geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen en heeft hij duurzame zakelijke verplichtingen opgebouwd. Deze economische en maatschappelijke verankering vormt een essentieel onderdeel van het privéleven, wat door de minister is miskend. Verder heeft de minister het toetsingskader onjuist toegepast en daardoor ten onrechte van een belangenafweging afgezien. Eiser wijst op het Rodrigues da Silva-arrest van 31 januari 2006 van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM). Uit dat arrest volgt dat de minister alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar betrekken bij de beoordeling of er sprake is van privéleven en bij de daaropvolgende belangenafweging. 4.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat er in eisers geval geen sprake is van (beschermwaardig) privéleven. Eiser heeft namelijk op geen enkele wijze onderbouwd dat daarvan sprake is, ondanks dat hij bij brief van 22 september 2025 door de minister in de gelegenheid is gesteld het gestelde privéleven toe te lichten. Ook in bezwaar heeft eiser de mogelijkheid gehad om zijn privéleven toe te lichten, maar hij heeft daar geen gebruik van gemaakt. Omdat eiser ten tijde van het bestreden besluit zijn beroep op artikel 8 van het EVRM op geen enkele wijze had onderbouwd, kon de minister daar ook geen rekening mee houden. Eerst in beroep heeft eiser summier toegelicht dat hij zelfstandig ondernemer is en hier sociaal en economisch is geïntegreerd, maar ook hier heeft hij geen enkele onderbouwing van gegeven. De rechtbank ziet dan ook niet in welke relevante feiten en omstandigheden de minister ten onrechte niet bij de beoordeling betrokken zou hebben. Omdat de minister geen privéleven heeft hoeven aannemen in eisers geval, heeft hij ook geen belangenafweging hoeven verrichten. De vraag of inmenging in het recht op privéleven is gerechtvaardigd, is immers pas aan de orde als er sprake is van privéleven. De uitspraak van EHRM waar eiser naar verwijst maakt de conclusie niet anders. In die zaak was niet in geschil dat er sprake was van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, zodat het EHRM daarom toekwam aan een beoordeling van een belangenafweging. Die situatie doet zich, zoals gezegd, in deze zaak niet voor. De beroepsgrond slaagt niet. Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het opgelegde inreisverbod niet in strijd is met de Associatieovereenkomst of het Aanvullende Protocol daarbij? 5. Eiser betoogt dat het door de minister opgelegde inreisverbod in strijd is met de standstill-bepaling van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst EEG-Turkije (Associatieovereenkomst), waaruit volgt dat het invoeren van nieuwe beperkingen voor de vrijheid van vestiging niet is toegestaan. Eiser wijst op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 maart 2008. Niet de kwalificatie van het inreisverbod als vreemdelingenrechtelijke handhavingsmaatregel is doorslaggevend, maar het feitelijke effect ervan, namelijk dat eiser noodgedwongen zijn onderneming noodgedwongen moet beëindigen. Ook betoogt eiser dat het inreisverbod in strijd is met de non-discriminatiebepaling die in de Associatieovereenkomst is opgenomen. Unieburgers kunnen uitsluitend onder zeer strikte voorwaarden, ongewenst worden verklaard op grond van openbare orde of openbare veiligheid. Door aan eiser wél een inreisverbod op te leggen, wordt hij als Turkse onderdaan zwaarder en ongunstiger behandeld dan een Unieburger in een vergelijkbare positie. 5.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank verwijst allereerst naar vaste jurisprudentie van de Afdeling waaruit volgt dat het betoog van eiser niet slaagt. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het opgelegde inreisverbod niet in strijd is met de standstill-bepaling. De minister heeft terecht gesteld dat het aan eiser opgelegde inreisverbod een vreemdelingenrechtelijke handhavingsmaatregel is, die is gebaseerd op het feit dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Het is geen maatregel die voorwaarden stelt aan het uitoefenen van economische activiteiten. Het inreisverbod is daarom niet aan te merken als een nieuwe beperking in de zin van de standstill-bepaling. Dat eiser door het inreisverbod zijn onderneming noodgedwongen zou moeten beëindigen, doet hier niet aan af. De door eiser aangehaalde uitspraak van de Afdeling maakt het oordeel niet anders.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10678 text/xml public 2026-05-08T17:00:32 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-06 NL26.2824 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10678 text/html public 2026-05-06T14:28:45 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10678 Rechtbank Den Haag , 06-05-2026 / NL26.2824 Regulier; Turkije; 8 EVRM; inreisverbod; Turkse associatieovereenkomst; standstill-bepaling; discriminatie; hardheidsclausule beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.2824 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. I. Özkara), en de minister van Asiel en Migratie. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag tot het verlenen van verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister deze aanvraag terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 22 oktober 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 januari 2026 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Beoordeling door de rechtbank Achtergrond en het standpunt van de minister 3. Eiser heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft op 24 juni 2025 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met als verblijfsdoel ‘humanitair niet-tijdelijk: uitoefenen van privéleven op grond van artikel 8 EVRM’. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft en niet voldoet aan de voorwaarden om van het vereiste om een mvv te bezitten te worden vrijgesteld. Het is namelijk niet gebleken dat er in eisers geval sprake is van privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Ook heeft de minister aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar, wat volgens de minister niet in strijd is met de Associatieovereenkomst , of het Aanvullend Protocol bij die Associatieovereenkomst. Ten slotte is er geen aanleiding om wegens bijzondere omstandigheden af te wijken van de beleidsregels en eisers aanvraag alsnog in te willigen. Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van beschermwaardig privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM? 4. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er in zijn geval geen sprake is van beschermenswaardig privéleven. Eiser verblijft reeds geruime tijd in Nederland en is hier sociaal en economisch geïntegreerd. Sinds januari 2022 is eiser zelfstandig ondernemer en drijft hij de onderneming [naam onderneming], gevestigd in [plaats]. Vanuit deze onderneming verricht eiser structureel werkzaamheden, heeft hij geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen en heeft hij duurzame zakelijke verplichtingen opgebouwd. Deze economische en maatschappelijke verankering vormt een essentieel onderdeel van het privéleven, wat door de minister is miskend. Verder heeft de minister het toetsingskader onjuist toegepast en daardoor ten onrechte van een belangenafweging afgezien. Eiser wijst op het Rodrigues da Silva-arrest van 31 januari 2006 van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM). Uit dat arrest volgt dat de minister alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar betrekken bij de beoordeling of er sprake is van privéleven en bij de daaropvolgende belangenafweging. 4.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat er in eisers geval geen sprake is van (beschermwaardig) privéleven. Eiser heeft namelijk op geen enkele wijze onderbouwd dat daarvan sprake is, ondanks dat hij bij brief van 22 september 2025 door de minister in de gelegenheid is gesteld het gestelde privéleven toe te lichten. Ook in bezwaar heeft eiser de mogelijkheid gehad om zijn privéleven toe te lichten, maar hij heeft daar geen gebruik van gemaakt. Omdat eiser ten tijde van het bestreden besluit zijn beroep op artikel 8 van het EVRM op geen enkele wijze had onderbouwd, kon de minister daar ook geen rekening mee houden. Eerst in beroep heeft eiser summier toegelicht dat hij zelfstandig ondernemer is en hier sociaal en economisch is geïntegreerd, maar ook hier heeft hij geen enkele onderbouwing van gegeven. De rechtbank ziet dan ook niet in welke relevante feiten en omstandigheden de minister ten onrechte niet bij de beoordeling betrokken zou hebben. Omdat de minister geen privéleven heeft hoeven aannemen in eisers geval, heeft hij ook geen belangenafweging hoeven verrichten. De vraag of inmenging in het recht op privéleven is gerechtvaardigd, is immers pas aan de orde als er sprake is van privéleven. De uitspraak van EHRM waar eiser naar verwijst maakt de conclusie niet anders. In die zaak was niet in geschil dat er sprake was van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, zodat het EHRM daarom toekwam aan een beoordeling van een belangenafweging. Die situatie doet zich, zoals gezegd, in deze zaak niet voor. De beroepsgrond slaagt niet. Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het opgelegde inreisverbod niet in strijd is met de Associatieovereenkomst of het Aanvullende Protocol daarbij? 5. Eiser betoogt dat het door de minister opgelegde inreisverbod in strijd is met de standstill-bepaling van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst EEG-Turkije (Associatieovereenkomst), waaruit volgt dat het invoeren van nieuwe beperkingen voor de vrijheid van vestiging niet is toegestaan. Eiser wijst op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 maart 2008. Niet de kwalificatie van het inreisverbod als vreemdelingenrechtelijke handhavingsmaatregel is doorslaggevend, maar het feitelijke effect ervan, namelijk dat eiser noodgedwongen zijn onderneming noodgedwongen moet beëindigen. Ook betoogt eiser dat het inreisverbod in strijd is met de non-discriminatiebepaling die in de Associatieovereenkomst is opgenomen. Unieburgers kunnen uitsluitend onder zeer strikte voorwaarden, ongewenst worden verklaard op grond van openbare orde of openbare veiligheid. Door aan eiser wél een inreisverbod op te leggen, wordt hij als Turkse onderdaan zwaarder en ongunstiger behandeld dan een Unieburger in een vergelijkbare positie. 5.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank verwijst allereerst naar vaste jurisprudentie van de Afdeling waaruit volgt dat het betoog van eiser niet slaagt. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het opgelegde inreisverbod niet in strijd is met de standstill-bepaling. De minister heeft terecht gesteld dat het aan eiser opgelegde inreisverbod een vreemdelingenrechtelijke handhavingsmaatregel is, die is gebaseerd op het feit dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Het is geen maatregel die voorwaarden stelt aan het uitoefenen van economische activiteiten. Het inreisverbod is daarom niet aan te merken als een nieuwe beperking in de zin van de standstill-bepaling. Dat eiser door het inreisverbod zijn onderneming noodgedwongen zou moeten beëindigen, doet hier niet aan af. De door eiser aangehaalde uitspraak van de Afdeling maakt het oordeel niet anders.
Volledig
De minister heeft er namelijk terecht op gewezen dat in die uitspraak is geoordeeld dat de standstill-bepaling zich verzet tegen het invoeren van nieuwe beperkingen voor Turkse onderdanen die al rechtmatig gebruikmaken van de vrijheid van vestiging of dit willen doen binnen het kader van rechtmatig verblijf. In eisers geval is daarvan echter geen sprake, nu hij op het moment dat het inreisverbod werd opgelegd geen rechtmatig verblijf in Nederland had en hij niet beschikte over een verblijfsrecht dat verband hield met zelfstandige arbeid of het uitoefenen van een onderneming. 5.2. De minister heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat het inreisverbod niet in strijd is met de non-discriminatiebepaling. De non-discriminatiebepaling gaat over de gelijke behandeling van Turkse onderdanen ten opzichte van onderdanen van EU-lidstaten, voor zover sprake is van situaties die vallen binnen de materiële reikwijdte van de Associatieovereenkomst, namelijk de toegang tot en de uitoefening van economische activiteiten. Zoals in overweging 5.1 al is geoordeeld, gaat het inreisverbod niet over het stellen van voorwaarden voor economische activiteiten. Het inreisverbod wordt bovendien op gelijke wijze toegepast op alle derdelanders die geen rechtmatig verblijf hebben. Had de minister eiser moeten vrijstellen van het mvv-vereiste vanwege de hardheidsclausule (artikel 4:84 van de Awb)? 6. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven tot afwijking van het beleid. De langdurige ondernemingsactiviteiten van eiser, zijn economische en sociale verankering in Nederland en de verstrekkende gevolgen van het inreisverbod maken dat strikte toepassing van het beleid leidt tot onevenredige gevolgen. De minister heeft deze omstandigheden onvoldoende betrokken bij de besluitvorming. 6.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. Nog daargelaten dat eiser niet heeft toegelicht van welke beleidsregel de minister had moeten afwijken, heeft eiser de door hem aangevoerde omstandigheden onvoldoende toegelicht en evenmin onderbouwd. Dat betekent dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die leiden tot vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule. Heeft de minister de hoorplicht geschonden? 7. Eiser betoogt dat in bezwaar ten onrechte is afgezien van horen. Gelet op de aard en omvang van de aangevoerde gronden kan niet worden gesproken van een kennelijk ongegrond bezwaar, aldus eiser. 7.1. Op 6 juli 2022 heeft de Afdeling een uitspraak gedaan over de hoorplicht in vreemdelingenzaken. Volgens de Afdeling is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het aangevoerde in bezwaar niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is opgenomen. 7.2. Zoals de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld, heeft eiser nagelaten bij zijn aanvraag en ook in bezwaar zijn beroep op artikel 8 van het EVRM toe te lichten. Wat betreft de gestelde strijd van het inreisverbod met het Associatierecht heeft eiser in bezwaar niets aangevoerd waarover de Afdeling niet al heeft geoordeeld (zie de in overweging 5.1 genoemde jurisprudentie). In dat geval is evident dat het in bezwaar aangevoerde het primaire besluit redelijkerwijs niet anders kan maken. Om die reden heeft de minister eiser terecht niet uitgenodigd voor een hoorzitting. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en Turkije, Ankara, 12 september 1963 (Associatieovereenkomst). Aanvullend Protocol bij de op 12 september 1963 te Ankara ondertekende Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en Turkije, Brussel, 23 november 1970 (Aanvullend Protocol). ECLI:CE:ECHR:2006:0131JUD005043599. Zie ook ABRvS 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, r.o. 5.4. Artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol. ECLI:NL:RVS:2008:BC6595. Artikel 9 van de Associatieovereenkomst. Zie bijvoorbeeld ABRvS 29 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3922, r.o. 6.1 en ABRvS 11 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1625, r.o. 7.1. Zie ABRvS 6 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2557, r.o. 9.1. ABRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
Volledig
De minister heeft er namelijk terecht op gewezen dat in die uitspraak is geoordeeld dat de standstill-bepaling zich verzet tegen het invoeren van nieuwe beperkingen voor Turkse onderdanen die al rechtmatig gebruikmaken van de vrijheid van vestiging of dit willen doen binnen het kader van rechtmatig verblijf. In eisers geval is daarvan echter geen sprake, nu hij op het moment dat het inreisverbod werd opgelegd geen rechtmatig verblijf in Nederland had en hij niet beschikte over een verblijfsrecht dat verband hield met zelfstandige arbeid of het uitoefenen van een onderneming. 5.2. De minister heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat het inreisverbod niet in strijd is met de non-discriminatiebepaling. De non-discriminatiebepaling gaat over de gelijke behandeling van Turkse onderdanen ten opzichte van onderdanen van EU-lidstaten, voor zover sprake is van situaties die vallen binnen de materiële reikwijdte van de Associatieovereenkomst, namelijk de toegang tot en de uitoefening van economische activiteiten. Zoals in overweging 5.1 al is geoordeeld, gaat het inreisverbod niet over het stellen van voorwaarden voor economische activiteiten. Het inreisverbod wordt bovendien op gelijke wijze toegepast op alle derdelanders die geen rechtmatig verblijf hebben. Had de minister eiser moeten vrijstellen van het mvv-vereiste vanwege de hardheidsclausule (artikel 4:84 van de Awb)? 6. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven tot afwijking van het beleid. De langdurige ondernemingsactiviteiten van eiser, zijn economische en sociale verankering in Nederland en de verstrekkende gevolgen van het inreisverbod maken dat strikte toepassing van het beleid leidt tot onevenredige gevolgen. De minister heeft deze omstandigheden onvoldoende betrokken bij de besluitvorming. 6.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. Nog daargelaten dat eiser niet heeft toegelicht van welke beleidsregel de minister had moeten afwijken, heeft eiser de door hem aangevoerde omstandigheden onvoldoende toegelicht en evenmin onderbouwd. Dat betekent dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die leiden tot vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule. Heeft de minister de hoorplicht geschonden? 7. Eiser betoogt dat in bezwaar ten onrechte is afgezien van horen. Gelet op de aard en omvang van de aangevoerde gronden kan niet worden gesproken van een kennelijk ongegrond bezwaar, aldus eiser. 7.1. Op 6 juli 2022 heeft de Afdeling een uitspraak gedaan over de hoorplicht in vreemdelingenzaken. Volgens de Afdeling is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het aangevoerde in bezwaar niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is opgenomen. 7.2. Zoals de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld, heeft eiser nagelaten bij zijn aanvraag en ook in bezwaar zijn beroep op artikel 8 van het EVRM toe te lichten. Wat betreft de gestelde strijd van het inreisverbod met het Associatierecht heeft eiser in bezwaar niets aangevoerd waarover de Afdeling niet al heeft geoordeeld (zie de in overweging 5.1 genoemde jurisprudentie). In dat geval is evident dat het in bezwaar aangevoerde het primaire besluit redelijkerwijs niet anders kan maken. Om die reden heeft de minister eiser terecht niet uitgenodigd voor een hoorzitting. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en Turkije, Ankara, 12 september 1963 (Associatieovereenkomst). Aanvullend Protocol bij de op 12 september 1963 te Ankara ondertekende Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en Turkije, Brussel, 23 november 1970 (Aanvullend Protocol). ECLI:CE:ECHR:2006:0131JUD005043599. Zie ook ABRvS 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, r.o. 5.4. Artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol. ECLI:NL:RVS:2008:BC6595. Artikel 9 van de Associatieovereenkomst. Zie bijvoorbeeld ABRvS 29 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3922, r.o. 6.1 en ABRvS 11 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1625, r.o. 7.1. Zie ABRvS 6 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2557, r.o. 9.1. ABRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.