Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-24
ECLI:NL:RBDHA:2026:10513
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,061 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10513 text/xml public 2026-05-04T13:03:49 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-24 C/09/683501 / FA RK 25-2768 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10513 text/html public 2026-05-04T12:17:55 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10513 Rechtbank Den Haag , 24-03-2026 / C/09/683501 / FA RK 25-2768 Tussenbeschikking in verband met aanleveren aanvullende inkomensgegevens. Wijziging partneralimentatie. Verbreken lotsverbondenheid. Gewijzigde omstandigheden. Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 25-2768 Zaaknummer: C/09/683501 Datum beschikking: 24 maart 2026 Alimentatie Beschikking op het op 7 april 2025 ingekomen verzoek van: [de man] de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. A.A.G. Balkenende te Katwijk. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. M.A. Sobral te Den Haag. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het verweerschrift; het bericht van 6 november 2025, met bijlagen, van de zijde van de vrouw; het bericht van 11 februari 2026, met bijlagen, van de zijde van de man; het bericht van 13 februari 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw; het bericht van 19 februari 2026, met bijlage, van de zijde van de man. Op 23 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Feiten - Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2007 tot [datum 2] 2015. - Bij beschikking van deze rechtbank van 16 februari 2015 is – voor zover hier van belang – de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, is bepaald dat de man aan de vrouw ter zake van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden dient te voldoen € 26.769,50 en is een door de man met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand te betalen partneralimentatie vastgesteld van € 1.915,- per maand. - Bij beschikking van het gerechtshof Den Haag van 27 januari 2016 is – met wijziging van de beschikking van 16 februari 2015 en voor zover hier van belang – de door de man met ingang van [datum 2] 2015 te bepalen partneralimentatie vastgesteld op € 1.513,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en dat er op de vrouw geen terugbetalingsverplichting rust ten aanzien van de te veel ontvangen partneralimentatie. - Als gevolg van de wijziging van rechtswege op grond van artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedraagt de door de man te betalen partneralimentatie: sinds 1 januari 2017 € 1.544,77; sinds 1 januari 2018 € 1.567,94; sinds 1 januari 2019 € 1.599,30; sinds 1 januari 2020 € 1.639,28; sinds 1 januari 2021 € 1.688,46; sinds 1 januari 2022 € 1.720,54; sinds 1 januari 2023 € 1.779,04; sinds 1 januari 2024 € 1.889,34; sinds 1 januari 2025 € 2.012,15; sinds 1 januari 2026 € 2.104,71. Verzoek en verweer Het verzoek van de man luidt – met wijziging van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 26 januari 2016 en de beschikking van deze rechtbank van 16 februari 2015 – met ingang van 1 december 2023, dan wel 1 januari 2025, dan wel 19 februari 2025, de partneralimentatie op nihil te stellen, subsidiair op een bedrag van € 1.521,- en meer subsidiair op een lager bedrag, een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en veroordeling van de vrouw in de door de man gemaakte proceskosten. Voorts vordert de man terugbetaling van de te veel betaalde alimentatie ten bedrage van € 3.978,-. De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Beoordeling Ontvankelijkheid Standpunten man De man stelt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401, lid 1 BW, die maken dat de partneralimentatie op nihil moet worden gesteld dan wel op een lager bedrag moet worden bepaald. Hij stelt zich daarbij allereerst op het standpunt dat de lotsverbondenheid tussen partijen is verbroken vanwege grievend gedrag van de vrouw, namelijk het niet uit eigen beweging informeren van de man over haar inkomen uit (onder meer) huishoudelijk werk voor de familie [naam] , bij [bedrijfsnaam 1] en bij [bedrijfsnaam 2] . Volgens de man kan de vrouw met dit inkomen geheel of gedeeltelijk voorzien in haar eigen kosten van levensonderhoud, is zij daarom niet behoeftig en had zij de man hierover moeten informeren, zoals het gerechtshof Den Haag in de beschikking van 27 januari 2016 ook heeft overwogen. De man stelt dat hiermee de lotsverbondenheid tussen partijen is verbroken en dat de man daardoor niet langer verplicht is om een onderhoudsbijdrage aan de vrouw te betalen. Ten tweede stelt de man dat de vrouw ook voor december 2023 had kunnen werken, maar dat zij ervoor heeft gekozen om enkel van de partneralimentatie te leven. Deze keuze van de vrouw, alsook het tijdsverloop, maakt volgens de man dat haar behoefte is verbleekt. Volgens de man kan de vrouw met haar huidige inkomen en het pensioen dat zij ontvangt, zelfstandig voorzien in haar eigen kosten van levensonderhoud, waardoor er geen sprake is van behoeftigheid aan de zijde van de vrouw. Ten derde meent de man dat van de vrouw kan worden verwacht dat zij fulltime gaat werken en dat er sprake is van onbenutte verdiencapaciteit. Dit maakt dat de vrouw geen aanspraak meer kan maken op een onderhoudsbijdrage, aldus de man. Tot slot stelt de man zich op het standpunt dat hij geen draagkracht heeft om de geïndexeerde onderhoudsbijdrage te betalen, dan wel dat uit de inkomensvergelijking volgt dat de man te veel betaalt. Standpunten vrouw De vrouw stelt dat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden. Ten aanzien van de door de man gestelde verbroken lotsverbondenheid stelt de vrouw dat zij de man mogelijk niet actief heeft geïnformeerd over haar inkomen, maar dat de man hiervan wel op de hoogte was en dat zij deze informatie niet bewust heeft achtergehouden. Ook wijst de vrouw erop dat de man partneralimentatie is blijven betalen, terwijl hij wist dat dat zij werkte. Ten tweede stelt de vrouw dat zij niet eerder kon gaan werken vanwege een langdurige periode van ziekte (borstkanker), waarvan de man op de hoogte was en hetgeen de man ten onrechte niet heeft vermeld in zijn verzoekschrift. Zij betwist dat haar behoefte is verbleekt door tijdsverloop doordat zij enige tijd alleen van de partneralimentatie heeft geleefd. Ten derde stelt de vrouw dat zij haar volledige verdiencapaciteit reeds benut. De vrouw geeft aan dat zij eerder 32 uur per week heeft gewerkt, maar dat zij haar arbeidsomvang per december 2025 (in overleg met haar werkgever) heeft verlaagd naar 21 uur per week vanwege medische beperkingen als gevolg van de borstkanker. Ten slotte voert de vrouw aan dat de wettelijke indexering van de partneralimentatie geen relevante wijziging van omstandigheden oplevert, ook niet indien het inkomen van de man niet evenredig stijgt met de wettelijke indexering, alsmede dat de man zijn draagkrachtverweer onvoldoende heeft onderbouwd. Daarbij wijst de vrouw erop dat de man DGA is, dat hij daarom zelfstandig zijn inkomen kan bepalen en dat zij betwijfelt of het inkomen van de man daadwerkelijk is gedaald tot € 53.228,-, zoals hij stelt. Beoordeling van de rechtbank Op de zitting heeft de rechtbank met partijen gesproken over de door de man gestelde wijziging van omstandigheden. De vrouw heeft aangegeven dat zij in 2021 dertien keer voor de duur van drie uur en tegen betaling van € 50,- per keer heeft schoongemaakt bij mevrouw [naam] . Daarnaast heeft de vrouw bevestigd dat zij vanaf eind 2022 voor de duur van zes maanden voor 32 uur in de week bij de [bedrijfsnaam 1] heeft gewerkt en vanaf 2023 voor 32 uur in de week bij [bedrijfsnaam 2] heeft gewerkt, waarbij haar arbeidscontract bij [bedrijfsnaam 2] per december 2025 is verlaagd naar 21 uur per week in verband met haar gezondheid.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10513 text/xml public 2026-05-04T13:03:49 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-24 C/09/683501 / FA RK 25-2768 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10513 text/html public 2026-05-04T12:17:55 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10513 Rechtbank Den Haag , 24-03-2026 / C/09/683501 / FA RK 25-2768 Tussenbeschikking in verband met aanleveren aanvullende inkomensgegevens. Wijziging partneralimentatie. Verbreken lotsverbondenheid. Gewijzigde omstandigheden. Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 25-2768 Zaaknummer: C/09/683501 Datum beschikking: 24 maart 2026 Alimentatie Beschikking op het op 7 april 2025 ingekomen verzoek van: [de man] de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. A.A.G. Balkenende te Katwijk. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. M.A. Sobral te Den Haag. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het verweerschrift; het bericht van 6 november 2025, met bijlagen, van de zijde van de vrouw; het bericht van 11 februari 2026, met bijlagen, van de zijde van de man; het bericht van 13 februari 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw; het bericht van 19 februari 2026, met bijlage, van de zijde van de man. Op 23 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Feiten - Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2007 tot [datum 2] 2015. - Bij beschikking van deze rechtbank van 16 februari 2015 is – voor zover hier van belang – de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, is bepaald dat de man aan de vrouw ter zake van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden dient te voldoen € 26.769,50 en is een door de man met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand te betalen partneralimentatie vastgesteld van € 1.915,- per maand. - Bij beschikking van het gerechtshof Den Haag van 27 januari 2016 is – met wijziging van de beschikking van 16 februari 2015 en voor zover hier van belang – de door de man met ingang van [datum 2] 2015 te bepalen partneralimentatie vastgesteld op € 1.513,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en dat er op de vrouw geen terugbetalingsverplichting rust ten aanzien van de te veel ontvangen partneralimentatie. - Als gevolg van de wijziging van rechtswege op grond van artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedraagt de door de man te betalen partneralimentatie: sinds 1 januari 2017 € 1.544,77; sinds 1 januari 2018 € 1.567,94; sinds 1 januari 2019 € 1.599,30; sinds 1 januari 2020 € 1.639,28; sinds 1 januari 2021 € 1.688,46; sinds 1 januari 2022 € 1.720,54; sinds 1 januari 2023 € 1.779,04; sinds 1 januari 2024 € 1.889,34; sinds 1 januari 2025 € 2.012,15; sinds 1 januari 2026 € 2.104,71. Verzoek en verweer Het verzoek van de man luidt – met wijziging van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 26 januari 2016 en de beschikking van deze rechtbank van 16 februari 2015 – met ingang van 1 december 2023, dan wel 1 januari 2025, dan wel 19 februari 2025, de partneralimentatie op nihil te stellen, subsidiair op een bedrag van € 1.521,- en meer subsidiair op een lager bedrag, een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en veroordeling van de vrouw in de door de man gemaakte proceskosten. Voorts vordert de man terugbetaling van de te veel betaalde alimentatie ten bedrage van € 3.978,-. De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Beoordeling Ontvankelijkheid Standpunten man De man stelt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401, lid 1 BW, die maken dat de partneralimentatie op nihil moet worden gesteld dan wel op een lager bedrag moet worden bepaald. Hij stelt zich daarbij allereerst op het standpunt dat de lotsverbondenheid tussen partijen is verbroken vanwege grievend gedrag van de vrouw, namelijk het niet uit eigen beweging informeren van de man over haar inkomen uit (onder meer) huishoudelijk werk voor de familie [naam] , bij [bedrijfsnaam 1] en bij [bedrijfsnaam 2] . Volgens de man kan de vrouw met dit inkomen geheel of gedeeltelijk voorzien in haar eigen kosten van levensonderhoud, is zij daarom niet behoeftig en had zij de man hierover moeten informeren, zoals het gerechtshof Den Haag in de beschikking van 27 januari 2016 ook heeft overwogen. De man stelt dat hiermee de lotsverbondenheid tussen partijen is verbroken en dat de man daardoor niet langer verplicht is om een onderhoudsbijdrage aan de vrouw te betalen. Ten tweede stelt de man dat de vrouw ook voor december 2023 had kunnen werken, maar dat zij ervoor heeft gekozen om enkel van de partneralimentatie te leven. Deze keuze van de vrouw, alsook het tijdsverloop, maakt volgens de man dat haar behoefte is verbleekt. Volgens de man kan de vrouw met haar huidige inkomen en het pensioen dat zij ontvangt, zelfstandig voorzien in haar eigen kosten van levensonderhoud, waardoor er geen sprake is van behoeftigheid aan de zijde van de vrouw. Ten derde meent de man dat van de vrouw kan worden verwacht dat zij fulltime gaat werken en dat er sprake is van onbenutte verdiencapaciteit. Dit maakt dat de vrouw geen aanspraak meer kan maken op een onderhoudsbijdrage, aldus de man. Tot slot stelt de man zich op het standpunt dat hij geen draagkracht heeft om de geïndexeerde onderhoudsbijdrage te betalen, dan wel dat uit de inkomensvergelijking volgt dat de man te veel betaalt. Standpunten vrouw De vrouw stelt dat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden. Ten aanzien van de door de man gestelde verbroken lotsverbondenheid stelt de vrouw dat zij de man mogelijk niet actief heeft geïnformeerd over haar inkomen, maar dat de man hiervan wel op de hoogte was en dat zij deze informatie niet bewust heeft achtergehouden. Ook wijst de vrouw erop dat de man partneralimentatie is blijven betalen, terwijl hij wist dat dat zij werkte. Ten tweede stelt de vrouw dat zij niet eerder kon gaan werken vanwege een langdurige periode van ziekte (borstkanker), waarvan de man op de hoogte was en hetgeen de man ten onrechte niet heeft vermeld in zijn verzoekschrift. Zij betwist dat haar behoefte is verbleekt door tijdsverloop doordat zij enige tijd alleen van de partneralimentatie heeft geleefd. Ten derde stelt de vrouw dat zij haar volledige verdiencapaciteit reeds benut. De vrouw geeft aan dat zij eerder 32 uur per week heeft gewerkt, maar dat zij haar arbeidsomvang per december 2025 (in overleg met haar werkgever) heeft verlaagd naar 21 uur per week vanwege medische beperkingen als gevolg van de borstkanker. Ten slotte voert de vrouw aan dat de wettelijke indexering van de partneralimentatie geen relevante wijziging van omstandigheden oplevert, ook niet indien het inkomen van de man niet evenredig stijgt met de wettelijke indexering, alsmede dat de man zijn draagkrachtverweer onvoldoende heeft onderbouwd. Daarbij wijst de vrouw erop dat de man DGA is, dat hij daarom zelfstandig zijn inkomen kan bepalen en dat zij betwijfelt of het inkomen van de man daadwerkelijk is gedaald tot € 53.228,-, zoals hij stelt. Beoordeling van de rechtbank Op de zitting heeft de rechtbank met partijen gesproken over de door de man gestelde wijziging van omstandigheden. De vrouw heeft aangegeven dat zij in 2021 dertien keer voor de duur van drie uur en tegen betaling van € 50,- per keer heeft schoongemaakt bij mevrouw [naam] . Daarnaast heeft de vrouw bevestigd dat zij vanaf eind 2022 voor de duur van zes maanden voor 32 uur in de week bij de [bedrijfsnaam 1] heeft gewerkt en vanaf 2023 voor 32 uur in de week bij [bedrijfsnaam 2] heeft gewerkt, waarbij haar arbeidscontract bij [bedrijfsnaam 2] per december 2025 is verlaagd naar 21 uur per week in verband met haar gezondheid.