Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-01
ECLI:NL:RBDHA:2026:10457
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,069 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10457 text/xml public 2026-05-15T12:47:24 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-01 NL26.15082 en NL26.15083 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10457 text/html public 2026-05-15T11:12:49 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10457 Rechtbank Den Haag , 01-05-2026 / NL26.15082 en NL26.15083 zienswijze herhaald en ingelast, interstatelijk vertrouwensbeginsel, AIDA-rapport, rechtsbijstand, artikel 17 Dvo RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL26.15082 en NL26.15083 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser] , [V-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. J.S. Dobosz), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 17 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. Beoordeling door de rechtbank Geen zitting 2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit. Waar gaat deze zaak over? 3. Eiser stelt de Libische nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 2002 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en is van oordeel dat dit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Eiser verzoekt allereerst hetgeen hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Eiser stelt dat ten aanzien van Duitsland niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, met name in het geval van een opvolgende aanvraag, omdat de Duitse asielprocedure ernstige gebreken vertoont. In dit kader verwijst eiser naar het AIDA-rapport over Duitsland, waaruit blijkt dat asielzoekers moeite hebben met toegang tot informatie over hun rechten en plichten. Eiser stelt dat hij geen effectieve toegang heeft tot rechtsbijstand en mogelijk geen recht heeft op opvang. Eiser heeft verklaard dat hij slachtoffer is geworden van mishandeling in Duitsland en dat de daders niet zijn vervolgd en dat hij een reëel risico loopt op hernieuwd geweld in Duitsland. Ook heeft eiser verklaard dat hij ondanks verzoeken niet is overgeplaatst. Dit zijn individuele omstandigheden die onvoldoende zorgvuldig zijn beoordeeld en op grond waarvan verweerder nader onderzoek had moeten doen of gebruik had moeten maken van zijn discretionaire bevoegdheid. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de procedure naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen. 6. De rechtbank overweegt dat in Dublinzaken het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt. Dit houdt in dat verweerder er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat in dit geval Duitsland dit niet doet. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Dit heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. 6.1. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 14 februari 2025 overwogen dat op basis van het AIDA-rapport over Duitsland (update 2023) niet geconcludeerd kan worden dat de tekortkomingen in de Duitse asielprocedure de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. De rechtbank is van oordeel dat het AIDA-rapport (update 2024) geen wezenlijk ander beeld schetst dan in het eerdere rapport, dat reeds is beoordeeld door de Afdeling, is weergegeven. Wat eiser heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om van de hiervoor genoemde Afdelingsjurisprudentie af te wijken. Daartoe oordeelt de rechtbank dat eiser toegang heeft tot rechtsbijstand in Duitsland. Hoewel een vreemdeling in Duitsland alleen kosteloze rechtsbijstand krijgt als een beroep een reële kans van slagen heeft, biedt artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn deze mogelijkheid aan de lidstaten. Een procedure over de kosteloze rechtsbijstand mag volgens die bepaling niet de daadwerkelijke toegang tot de rechter belemmeren. Als eiser vindt dat de toegang tot de rechtsbijstand niet goed is, dan kan hij hierover procederen en klagen in Duitsland. Ten aanzien van eisers stellingen over de mishandeling en de weigering van het verzoek tot overplaatsing overweegt de rechtbank dat dit onvoldoende aanleiding biedt om een nadere onderzoeksplicht voor verweerder aan te nemen. De rechtbank overweegt dat in het geval eiser problemen ondervindt ten aanzien van de Duitse asielprocedure, opvangvoorzieningen of anderszins van eiser mag worden verwacht dat hij zich beklaagt bij de (hogere) Duitse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hem niet is of dat de Duitse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen. Gelet op het voorgaande is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat ten aanzien van Duitsland niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. 7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt dat verweerder zijn asielverzoek in behandeling had moeten nemen op grond van zijn discretionaire bevoegdheid die volgt uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Verweerder stelt zich namelijk niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden, ook als deze in onderlinge samenhang worden bezien, die maken dat de overdracht van eiser naar Duitsland van onevenredige hardheid getuigt. Het bestreden besluit is voldoende gemotiveerd. Conclusie en gevolgen 8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond. 9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. 10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10457 text/xml public 2026-05-15T12:47:24 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-01 NL26.15082 en NL26.15083 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10457 text/html public 2026-05-15T11:12:49 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10457 Rechtbank Den Haag , 01-05-2026 / NL26.15082 en NL26.15083 zienswijze herhaald en ingelast, interstatelijk vertrouwensbeginsel, AIDA-rapport, rechtsbijstand, artikel 17 Dvo RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL26.15082 en NL26.15083 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser] , [V-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. J.S. Dobosz), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 17 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. Beoordeling door de rechtbank Geen zitting 2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit. Waar gaat deze zaak over? 3. Eiser stelt de Libische nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 2002 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en is van oordeel dat dit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Eiser verzoekt allereerst hetgeen hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Eiser stelt dat ten aanzien van Duitsland niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, met name in het geval van een opvolgende aanvraag, omdat de Duitse asielprocedure ernstige gebreken vertoont. In dit kader verwijst eiser naar het AIDA-rapport over Duitsland, waaruit blijkt dat asielzoekers moeite hebben met toegang tot informatie over hun rechten en plichten. Eiser stelt dat hij geen effectieve toegang heeft tot rechtsbijstand en mogelijk geen recht heeft op opvang. Eiser heeft verklaard dat hij slachtoffer is geworden van mishandeling in Duitsland en dat de daders niet zijn vervolgd en dat hij een reëel risico loopt op hernieuwd geweld in Duitsland. Ook heeft eiser verklaard dat hij ondanks verzoeken niet is overgeplaatst. Dit zijn individuele omstandigheden die onvoldoende zorgvuldig zijn beoordeeld en op grond waarvan verweerder nader onderzoek had moeten doen of gebruik had moeten maken van zijn discretionaire bevoegdheid. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de procedure naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen. 6. De rechtbank overweegt dat in Dublinzaken het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt. Dit houdt in dat verweerder er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat in dit geval Duitsland dit niet doet. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Dit heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. 6.1. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 14 februari 2025 overwogen dat op basis van het AIDA-rapport over Duitsland (update 2023) niet geconcludeerd kan worden dat de tekortkomingen in de Duitse asielprocedure de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. De rechtbank is van oordeel dat het AIDA-rapport (update 2024) geen wezenlijk ander beeld schetst dan in het eerdere rapport, dat reeds is beoordeeld door de Afdeling, is weergegeven. Wat eiser heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om van de hiervoor genoemde Afdelingsjurisprudentie af te wijken. Daartoe oordeelt de rechtbank dat eiser toegang heeft tot rechtsbijstand in Duitsland. Hoewel een vreemdeling in Duitsland alleen kosteloze rechtsbijstand krijgt als een beroep een reële kans van slagen heeft, biedt artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn deze mogelijkheid aan de lidstaten. Een procedure over de kosteloze rechtsbijstand mag volgens die bepaling niet de daadwerkelijke toegang tot de rechter belemmeren. Als eiser vindt dat de toegang tot de rechtsbijstand niet goed is, dan kan hij hierover procederen en klagen in Duitsland. Ten aanzien van eisers stellingen over de mishandeling en de weigering van het verzoek tot overplaatsing overweegt de rechtbank dat dit onvoldoende aanleiding biedt om een nadere onderzoeksplicht voor verweerder aan te nemen. De rechtbank overweegt dat in het geval eiser problemen ondervindt ten aanzien van de Duitse asielprocedure, opvangvoorzieningen of anderszins van eiser mag worden verwacht dat hij zich beklaagt bij de (hogere) Duitse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hem niet is of dat de Duitse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen. Gelet op het voorgaande is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat ten aanzien van Duitsland niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. 7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt dat verweerder zijn asielverzoek in behandeling had moeten nemen op grond van zijn discretionaire bevoegdheid die volgt uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Verweerder stelt zich namelijk niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden, ook als deze in onderlinge samenhang worden bezien, die maken dat de overdracht van eiser naar Duitsland van onevenredige hardheid getuigt. Het bestreden besluit is voldoende gemotiveerd. Conclusie en gevolgen 8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond. 9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. 10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.