Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-30
ECLI:NL:RBDHA:2026:10312
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,081 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10312 text/xml public 2026-05-04T09:00:15 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-30 NL25.26324 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10312 text/html public 2026-05-01T10:37:48 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10312 Rechtbank Den Haag , 30-04-2026 / NL25.26324 Asielaanvraag – motiveringsgebrek – beroep gegrond RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.26324 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. J.E. de Poorte), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: mr. J. Sanchez Rhemrev). Procesverloop Bij besluit van 6 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2025 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is, op verzoek van verweerder, een termijn van vier weken gegeven voor het nemen van een aanvullend besluit. Verweerder heeft geen aanvullend besluit genomen. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten. Overwegingen 1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1997 en de Eritrese nationaliteit te hebben. Hij heeft op 14 februari 2023 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Hij legt daaraan ten grondslag dat hij tot de Tigré bevolkingsgroep behoort en sinds zijn zevende levensjaar tot aan zijn vertrek in 2021 in Soedan heeft gewoond. Eiser heeft Soedan verlaten vanwege de slechte omstandigheden. Hij kan niet meer terug naar Eritrea, omdat hij het land destijds illegaal heeft verlaten en vreest voor de militaire dienst. 2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig. Hem wordt daarbij niet tegengeworpen dat hij weinig over zijn woonomgeving kan vertellen en het Tigré niet volledig beheerst. Wel werpt verweerder eiser tegen dat zijn verklaringen over zijn taal- en etnisch profiel wisselend zijn en niet passen bij een persoon met de Eritrese identiteit, nationaliteit en herkomst. Ook heeft eiser een valse geboorteakte overgelegd. Verweerder heeft de asielmotieven van eiser niet inhoudelijk beoordeeld, nu deze slechts betekenis hebben tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst. Verder overweegt verweerder dat eiser hem heeft misleid over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst. 3. Eiser stelt in beroep dat het overleggen van de, in zijn beleving echte, geboorteakte hem in een slechtere positie heeft gebracht dan Eritreeërs in vergelijkbare zaken die in het geheel geen documenten hebben overgelegd. Hij heeft niet moedwillig een vervalst document overgelegd. Het is eiser niet gelukt om een contra-expertise in gang te zetten, omdat het COa heeft geweigerd om de kosten hiervan te vergoeden. Daarom is geen sprake van equality of arms . Eiser stelt verder, kort weergegeven, dat verweerder hem ten onrechte niet in grote lijnen geloofwaardig heeft bevonden. Naast het overleggen van de volgens Bureau Documenten valse geboorteakte en de door verweerder opgemerkte verwarring over zijn taal- en etnisch profiel zijn er in het geheel geen tegenstrijdigheden of vaagheden in het relaas van eiser. Verder stelt eiser dat verweerder zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel in de zienswijze ten onrechte zonder nadere onderbouwing heeft weerlegd. Verweerder stelt nu slechts dat elke zaak op hun eigen merites moet worden beoordeeld, maar hiermee wordt niet betwist dat eiser een beroep heeft gedaan op vergelijkbare zaken waarin ook vals bevonden documenten zijn overgelegd. Eiser betwist dat hij verweerder misleid zou hebben, dus kan zijn aanvraag niet als kennelijk ongegrond worden aangemerkt. Daarom is ook ten onrechte een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd waarom Eritrea als land van terugkeer wordt genoemd in het bestreden besluit. Er zijn voldoende aanknopingspunten om Soedan aan te merken als land van terugkeer. De rechtbank oordeelt als volgt. 4. De rechtbank stelt vast dat verweerder ter zitting heeft verzocht om een termijn van drie weken om een aanvullend besluit te nemen. De rechtbank is hiermee akkoord gegaan en heeft verweerder zelfs langer de tijd gegund om een besluit te nemen dan de termijn waar verweerder om heeft verzocht. Desondanks heeft verweerder in het geheel niet meer gereageerd. 5. Eiser heeft in de zienswijze gewezen op de uitkomst in de zaken van vier andere vreemdelingen (V-nummers eindigend op ‘640’, ‘783’, ‘216’ en ‘627’). Hij stelt dat dit mannen zijn met een Tigré afkomst, die voornamelijk Soedanees-Arabisch spreken en ook documenten hebben overgelegd die vals zijn bevonden. 6. Uit de uitspraak van de Afdeling van 15 april 2022 volgt dat indien de vreemdeling een concreet geval benoemt dat volgens hem op relevante punten vergelijkbaar is met zijn situatie, het vervolgens aan het bestuursorgaan is om aannemelijk te maken dat de gevallen niet gelijk zijn. Een bestuursorgaan moet een consistent en doordacht bestuursbeleid voeren en bij een concrete melding van de burger dat het daaraan schort ook laten zien dat het consistent en doordacht optreedt. Ter vergelijking wijst de Afdeling op haar uitspraak van 2 februari 2022. 7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom de door eiser genoemde zaken niet vergelijkbaar zijn met de zaak van eiser. Met de enkele stelling van verweerder dat elke asielaanvraag op zijn eigen individuele merites beoordeeld moet worden, heeft verweerder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de door eiser genoemde gevallen niet vergelijkbaar zijn met die van eiser. Eiser noemt immers een aantal concrete gevallen die volgens hem op relevante punten vergelijkbaar zijn met zijn situatie, het is vervolgens aan verweerder om aannemelijk te maken dat de gevallen niet gelijk zijn. Met de enkele stelling dat iedere aanvraag anders is, is hieraan niet voldaan. Er is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een motiveringsgebrek als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb. Verweerder heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat de asielrelazen van deze vreemdelingen persoonlijke informatie betreft die niet gedeeld mag worden. Indien een beroep wordt gedaan op een uitspraak betreft het publieke informatie, maar nu gaat het om informatie die niet openbaar is. Verweerder heeft daarmee ter zitting niet alsnog voldoende gemotiveerd waarom de door eiser aangehaalde zaken niet vergelijkbaar zijn met die van eiser. 8. Gelet op het voorgaande is het beroep reeds gegrond. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking meer. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. 9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868. Deze uitspraak is gedaan op 30 april 2026 door mr. B.F.Th.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10312 text/xml public 2026-05-04T09:00:15 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-30 NL25.26324 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10312 text/html public 2026-05-01T10:37:48 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10312 Rechtbank Den Haag , 30-04-2026 / NL25.26324 Asielaanvraag – motiveringsgebrek – beroep gegrond RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.26324 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. J.E. de Poorte), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: mr. J. Sanchez Rhemrev). Procesverloop Bij besluit van 6 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2025 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is, op verzoek van verweerder, een termijn van vier weken gegeven voor het nemen van een aanvullend besluit. Verweerder heeft geen aanvullend besluit genomen. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten. Overwegingen 1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1997 en de Eritrese nationaliteit te hebben. Hij heeft op 14 februari 2023 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Hij legt daaraan ten grondslag dat hij tot de Tigré bevolkingsgroep behoort en sinds zijn zevende levensjaar tot aan zijn vertrek in 2021 in Soedan heeft gewoond. Eiser heeft Soedan verlaten vanwege de slechte omstandigheden. Hij kan niet meer terug naar Eritrea, omdat hij het land destijds illegaal heeft verlaten en vreest voor de militaire dienst. 2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig. Hem wordt daarbij niet tegengeworpen dat hij weinig over zijn woonomgeving kan vertellen en het Tigré niet volledig beheerst. Wel werpt verweerder eiser tegen dat zijn verklaringen over zijn taal- en etnisch profiel wisselend zijn en niet passen bij een persoon met de Eritrese identiteit, nationaliteit en herkomst. Ook heeft eiser een valse geboorteakte overgelegd. Verweerder heeft de asielmotieven van eiser niet inhoudelijk beoordeeld, nu deze slechts betekenis hebben tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst. Verder overweegt verweerder dat eiser hem heeft misleid over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst. 3. Eiser stelt in beroep dat het overleggen van de, in zijn beleving echte, geboorteakte hem in een slechtere positie heeft gebracht dan Eritreeërs in vergelijkbare zaken die in het geheel geen documenten hebben overgelegd. Hij heeft niet moedwillig een vervalst document overgelegd. Het is eiser niet gelukt om een contra-expertise in gang te zetten, omdat het COa heeft geweigerd om de kosten hiervan te vergoeden. Daarom is geen sprake van equality of arms . Eiser stelt verder, kort weergegeven, dat verweerder hem ten onrechte niet in grote lijnen geloofwaardig heeft bevonden. Naast het overleggen van de volgens Bureau Documenten valse geboorteakte en de door verweerder opgemerkte verwarring over zijn taal- en etnisch profiel zijn er in het geheel geen tegenstrijdigheden of vaagheden in het relaas van eiser. Verder stelt eiser dat verweerder zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel in de zienswijze ten onrechte zonder nadere onderbouwing heeft weerlegd. Verweerder stelt nu slechts dat elke zaak op hun eigen merites moet worden beoordeeld, maar hiermee wordt niet betwist dat eiser een beroep heeft gedaan op vergelijkbare zaken waarin ook vals bevonden documenten zijn overgelegd. Eiser betwist dat hij verweerder misleid zou hebben, dus kan zijn aanvraag niet als kennelijk ongegrond worden aangemerkt. Daarom is ook ten onrechte een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd waarom Eritrea als land van terugkeer wordt genoemd in het bestreden besluit. Er zijn voldoende aanknopingspunten om Soedan aan te merken als land van terugkeer. De rechtbank oordeelt als volgt. 4. De rechtbank stelt vast dat verweerder ter zitting heeft verzocht om een termijn van drie weken om een aanvullend besluit te nemen. De rechtbank is hiermee akkoord gegaan en heeft verweerder zelfs langer de tijd gegund om een besluit te nemen dan de termijn waar verweerder om heeft verzocht. Desondanks heeft verweerder in het geheel niet meer gereageerd. 5. Eiser heeft in de zienswijze gewezen op de uitkomst in de zaken van vier andere vreemdelingen (V-nummers eindigend op ‘640’, ‘783’, ‘216’ en ‘627’). Hij stelt dat dit mannen zijn met een Tigré afkomst, die voornamelijk Soedanees-Arabisch spreken en ook documenten hebben overgelegd die vals zijn bevonden. 6. Uit de uitspraak van de Afdeling van 15 april 2022 volgt dat indien de vreemdeling een concreet geval benoemt dat volgens hem op relevante punten vergelijkbaar is met zijn situatie, het vervolgens aan het bestuursorgaan is om aannemelijk te maken dat de gevallen niet gelijk zijn. Een bestuursorgaan moet een consistent en doordacht bestuursbeleid voeren en bij een concrete melding van de burger dat het daaraan schort ook laten zien dat het consistent en doordacht optreedt. Ter vergelijking wijst de Afdeling op haar uitspraak van 2 februari 2022. 7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom de door eiser genoemde zaken niet vergelijkbaar zijn met de zaak van eiser. Met de enkele stelling van verweerder dat elke asielaanvraag op zijn eigen individuele merites beoordeeld moet worden, heeft verweerder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de door eiser genoemde gevallen niet vergelijkbaar zijn met die van eiser. Eiser noemt immers een aantal concrete gevallen die volgens hem op relevante punten vergelijkbaar zijn met zijn situatie, het is vervolgens aan verweerder om aannemelijk te maken dat de gevallen niet gelijk zijn. Met de enkele stelling dat iedere aanvraag anders is, is hieraan niet voldaan. Er is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een motiveringsgebrek als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb. Verweerder heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat de asielrelazen van deze vreemdelingen persoonlijke informatie betreft die niet gedeeld mag worden. Indien een beroep wordt gedaan op een uitspraak betreft het publieke informatie, maar nu gaat het om informatie die niet openbaar is. Verweerder heeft daarmee ter zitting niet alsnog voldoende gemotiveerd waarom de door eiser aangehaalde zaken niet vergelijkbaar zijn met die van eiser. 8. Gelet op het voorgaande is het beroep reeds gegrond. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking meer. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. 9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868. Deze uitspraak is gedaan op 30 april 2026 door mr. B.F.Th.