Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-30
ECLI:NL:RBDHA:2026:10309
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,649 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10309 text/xml public 2026-05-04T17:00:25 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-30 NL26.22640 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10309 text/html public 2026-05-01T10:22:49 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10309 Rechtbank Den Haag , 30-04-2026 / NL26.22640 Vervolgberoep bewaring - beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.22640 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. W.R.S. Ramhit), en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop De minister heeft op 14 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft deze maatregel al eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 30 januari 2026. Op het laatste vervolgberoep is beslist bij uitspraak van 24 februari 2026. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. De rechtbank heeft het vooronderzoek op 28 april 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Overwegingen 1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 24 februari 2026 (in de zaak NL26.7485) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 17 februari 2026). Bestaat er zicht op uitzetting en gaat de minister voldoende voortvarend te werk? 3. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting is en dat de minister onvoldoende voortvarend te werk gaat. Eiser zit al geruime tijd in bewaring en de minister heeft enkel een bericht gestuurd aan het consulaat. 3.1. In wat eiser in zijn beroepschrift aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht is op uitzetting of dat de minister onvoldoende voortvarend te werk gaat. Uit het voortgangsrapport blijkt dat de minister op 12 maart 2026 en op 2 april 2026 heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Daarnaast heeft er op 10 april 2026 een vertrekgesprek plaatsgevonden met eiser. Uit dat vertrekgesprek blijkt dat eiser zelf niets heeft ondernomen om zijn terugkeer naar Marokko te bespoedigen. Eiser heeft namelijk aangegeven dat hij niet wil terugkeren naar zijn land van herkomst, dat hij geen initiatief neemt om zijn terugkeer te bespoedigen en dat hij de verantwoordelijkheid hiervoor bij de regievoerder legt. Daarnaast wijst de rechtbank er op dat de beroepsgrond over het ontbreken van zicht op uitzetting al eerder is beoordeeld in de uitspraak van 30 januari 2026, onder 2.1. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die dit oordeel nu anders maken. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. Had de minister moeten volstaan met een lichter middel? 4. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht. 4.1. De rechtbank stelt vast dat de gronden, die aan het voortduren van de maatregel ten grondslag liggen, maken dat er sprake is van een onttrekkingsrisico. Dat dat nu niet langer meer het geval is, heeft eiser niet gesteld. Eiser heeft bovendien geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht en onderbouwd waarom er een lichter middel opgelegd zou moeten worden, zodat de beroepsgrond niet slaagt. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel? 5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Göbel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. ECLI:NL:RBDHA:2026:1630. ECLI:NL:RBDHA:2026:4129. Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10309 text/xml public 2026-05-04T17:00:25 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-30 NL26.22640 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10309 text/html public 2026-05-01T10:22:49 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10309 Rechtbank Den Haag , 30-04-2026 / NL26.22640 Vervolgberoep bewaring - beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.22640 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. W.R.S. Ramhit), en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop De minister heeft op 14 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft deze maatregel al eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 30 januari 2026. Op het laatste vervolgberoep is beslist bij uitspraak van 24 februari 2026. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. De rechtbank heeft het vooronderzoek op 28 april 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Overwegingen 1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 24 februari 2026 (in de zaak NL26.7485) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 17 februari 2026). Bestaat er zicht op uitzetting en gaat de minister voldoende voortvarend te werk? 3. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting is en dat de minister onvoldoende voortvarend te werk gaat. Eiser zit al geruime tijd in bewaring en de minister heeft enkel een bericht gestuurd aan het consulaat. 3.1. In wat eiser in zijn beroepschrift aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht is op uitzetting of dat de minister onvoldoende voortvarend te werk gaat. Uit het voortgangsrapport blijkt dat de minister op 12 maart 2026 en op 2 april 2026 heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Daarnaast heeft er op 10 april 2026 een vertrekgesprek plaatsgevonden met eiser. Uit dat vertrekgesprek blijkt dat eiser zelf niets heeft ondernomen om zijn terugkeer naar Marokko te bespoedigen. Eiser heeft namelijk aangegeven dat hij niet wil terugkeren naar zijn land van herkomst, dat hij geen initiatief neemt om zijn terugkeer te bespoedigen en dat hij de verantwoordelijkheid hiervoor bij de regievoerder legt. Daarnaast wijst de rechtbank er op dat de beroepsgrond over het ontbreken van zicht op uitzetting al eerder is beoordeeld in de uitspraak van 30 januari 2026, onder 2.1. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die dit oordeel nu anders maken. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. Had de minister moeten volstaan met een lichter middel? 4. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht. 4.1. De rechtbank stelt vast dat de gronden, die aan het voortduren van de maatregel ten grondslag liggen, maken dat er sprake is van een onttrekkingsrisico. Dat dat nu niet langer meer het geval is, heeft eiser niet gesteld. Eiser heeft bovendien geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht en onderbouwd waarom er een lichter middel opgelegd zou moeten worden, zodat de beroepsgrond niet slaagt. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel? 5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Göbel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. ECLI:NL:RBDHA:2026:1630. ECLI:NL:RBDHA:2026:4129. Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).