Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-21
ECLI:NL:RBDHA:2026:10235
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
3,657 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10235 text/xml public 2026-05-04T08:40:14 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-21 NL26.20746 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10235 text/html public 2026-05-04T08:39:27 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10235 Rechtbank Den Haag , 21-04-2026 / NL26.20746 Verzoek om voorlopige voorziening gevraagd zodat verzoekster tot vier weken nadat op het beroep is beslist niet kan worden verwijderd uit Nederland en niet uit de opvang kan worden gezet. Er is sprake van spoedeisend belang. Het beroep heeft geen redelijke kans van slagen, omdat hieraan geen andere feiten en omstandigheden ten grondslag zijn gelegd die niet al eerder zijn betrokken. Het verzoek is kennelijk ongegrond en de voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL26.20746 V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoekster] , verzoekster geboren op [geboortedag] 1978, van Nigeriaanse nationaliteit (gemachtigde: mr. S. de Schutter), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. M.F. Aly). Inleiding 1. Op 7 augustus 2025 heeft de minister aan verzoekster een terugkeerbesluit uitgevaardigd met een vertrektermijn van vier weken (ingaande vanaf 4 september 2025). Dit besluit ziet ook op de/het minderjarige kind(-eren) van verzoekster. 1.1. Verzoekster heeft op 27 augustus 2025 beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. 1.2. Op 19 december 2025 heeft verzoekster de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats verzocht om met spoed uitspraak te doen op het verzoek om een voorlopige voorziening, omdat haar recht op gemeentelijke opvang wordt beëindigd. De voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats heeft dit verzoek op 24 december 2025 afgewezen. 1.3. Op 13 april 2026 heeft verzoekster nogmaals de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, omdat haar recht op gemeentelijke opvang op 21 april 2026 wordt beëindigd. 1.4. De minister heeft op 20 april 2026 laten weten zich te verzetten tegen de toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening. Op 21 april 2026 heeft verzoekster hier een schriftelijke reactie op gegeven. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Op grond van 8:83, derde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, als de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken, nu zij van oordeel is dat het verzoek kennelijk ongegrond is. De voorzieningenrechter licht dit als volgt toe. Achtergrond, besluitvormig en het verzoek van verzoekster 3. Verzoekster verbleef in Oekraïne toen de oorlog uitbrak. Als zogenoemde derdelander uit Oekraïne had verzoekster in Nederland recht op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming . Dat recht is beëindigd op 4 maart 2024. Verzoekster had op grond van een tijdelijke bevriezingsmaatregel nog recht op opvang en recht om te werken tot 4 september 2025. Op 7 augustus 2025 heeft de minister het terugkeerbesluit genomen, inhoudende dat verzoekster vanaf 4 september 2025 vier weken de tijd heeft om te vertrekken uit Nederland en de Europese Unie. 4. Verzoekster voert aan dat haar recht op gemeentelijke opvang wordt beëindigd en verwijst daarbij naar een brief van de gemeente Amsterdam van 7 april 2026. Zij verzoekt de voorzieningenrechter met spoed een voorziening te treffen zodat verzoekster tot vier weken nadat op het beroep is beslist niet kan worden verwijderd uit Nederland en niet uit de opvang kan worden gezet. Is er sprake van spoedeisend belang? 5. Het feit dat verzoekster verwijderbaar is uit Nederland, brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter op zichzelf mee dat sprake is van een spoedeisend belang. Dat er nog geen concrete plannen voor uitzetting bestaan, is daarvoor niet relevant. Heeft het beroep een redelijke kans van slagen? 6. Deze voorlopige voorziening is ingediend connex aan het beroep dat is gericht tegen het uitvaardigen van een terugkeerbesluit omdat het recht op tijdelijke bescherming van verzoekster is stopgezet. De voorzieningenrechter zal zich daarom in deze procedure buigen over de vraag of het beroep een redelijke kans van slagen heeft. 6.1. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Verzoekster betoogt allereerst dat het terugkeerbesluit prematuur is opgelegd en zij dus nog rechtmatig verblijf heeft op grond van de bevriezingsmaatregel. Verder stelt verzoekster zich op het standpunt dat de minister ten onrechte geen overweging heeft gewijd aan het ambtshalve verlenen van een verblijfsvergunning op reguliere gronden op grond van artikel 3.6b van het Vb . Er is volgens verzoekster sprake van een schrijnende situatie waarbij sprake is van een samenstel van bijzondere omstandigheden. Verzoekster woont en werkt inmiddels al ruim drie jaar in Nederland en heeft hier beschermenswaardig privéleven opgebouwd. Tot slot stelt verzoekster dat de minister de hoorplicht heeft geschonden. 6.2. De minister stelt zich op het standpunt dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft. Verzoekster heeft in het huidige verzoek geen nieuwe feiten, omstandigheden of gewijzigde inzichten aangevoerd ten opzichte van het eerdere verzoek om een voorlopige voorziening, dat al door de voorzieningenrechter is afgewezen op 24 december 2025. Nu de voorzieningenrechter zich hierover al heeft uitgelaten, en verzoeker geen nieuwe feiten, omstandigheden of gewijzigde inzichten heeft gesteld, is er geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. 6.3. De voorzieningenrechter volgt de minister in het standpunt dat aan het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening geen andere feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd die niet al zijn betrokken in de hiervoor genoemde uitspraak van 24 december 2025. Verzoekster heeft niet toegelicht waarom de voorzieningenrechter nu tot een ander oordeel moet komen. De voorzieningenrechter ziet daar ook geen aanleiding toe. Gelet op het vorenstaande vindt de voorzieningenrechter voorlopig oordelend dat het beroep van verzoekster geen redelijke kans van slagen heeft en wijst het verzoek daarom af. Conclusie en gevolgen 7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Zaaknummer NL25.40752. Zaaknummer NL25.40753. Algemene wet bestuursrecht. Richtlijn 2001/55/EG. Vreemdelingenbesluit 2000.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10235 text/xml public 2026-05-04T08:40:14 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-21 NL26.20746 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10235 text/html public 2026-05-04T08:39:27 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10235 Rechtbank Den Haag , 21-04-2026 / NL26.20746 Verzoek om voorlopige voorziening gevraagd zodat verzoekster tot vier weken nadat op het beroep is beslist niet kan worden verwijderd uit Nederland en niet uit de opvang kan worden gezet. Er is sprake van spoedeisend belang. Het beroep heeft geen redelijke kans van slagen, omdat hieraan geen andere feiten en omstandigheden ten grondslag zijn gelegd die niet al eerder zijn betrokken. Het verzoek is kennelijk ongegrond en de voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL26.20746 V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoekster] , verzoekster geboren op [geboortedag] 1978, van Nigeriaanse nationaliteit (gemachtigde: mr. S. de Schutter), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. M.F. Aly). Inleiding 1. Op 7 augustus 2025 heeft de minister aan verzoekster een terugkeerbesluit uitgevaardigd met een vertrektermijn van vier weken (ingaande vanaf 4 september 2025). Dit besluit ziet ook op de/het minderjarige kind(-eren) van verzoekster. 1.1. Verzoekster heeft op 27 augustus 2025 beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. 1.2. Op 19 december 2025 heeft verzoekster de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats verzocht om met spoed uitspraak te doen op het verzoek om een voorlopige voorziening, omdat haar recht op gemeentelijke opvang wordt beëindigd. De voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats heeft dit verzoek op 24 december 2025 afgewezen. 1.3. Op 13 april 2026 heeft verzoekster nogmaals de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, omdat haar recht op gemeentelijke opvang op 21 april 2026 wordt beëindigd. 1.4. De minister heeft op 20 april 2026 laten weten zich te verzetten tegen de toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening. Op 21 april 2026 heeft verzoekster hier een schriftelijke reactie op gegeven. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Op grond van 8:83, derde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, als de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken, nu zij van oordeel is dat het verzoek kennelijk ongegrond is. De voorzieningenrechter licht dit als volgt toe. Achtergrond, besluitvormig en het verzoek van verzoekster 3. Verzoekster verbleef in Oekraïne toen de oorlog uitbrak. Als zogenoemde derdelander uit Oekraïne had verzoekster in Nederland recht op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming . Dat recht is beëindigd op 4 maart 2024. Verzoekster had op grond van een tijdelijke bevriezingsmaatregel nog recht op opvang en recht om te werken tot 4 september 2025. Op 7 augustus 2025 heeft de minister het terugkeerbesluit genomen, inhoudende dat verzoekster vanaf 4 september 2025 vier weken de tijd heeft om te vertrekken uit Nederland en de Europese Unie. 4. Verzoekster voert aan dat haar recht op gemeentelijke opvang wordt beëindigd en verwijst daarbij naar een brief van de gemeente Amsterdam van 7 april 2026. Zij verzoekt de voorzieningenrechter met spoed een voorziening te treffen zodat verzoekster tot vier weken nadat op het beroep is beslist niet kan worden verwijderd uit Nederland en niet uit de opvang kan worden gezet. Is er sprake van spoedeisend belang? 5. Het feit dat verzoekster verwijderbaar is uit Nederland, brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter op zichzelf mee dat sprake is van een spoedeisend belang. Dat er nog geen concrete plannen voor uitzetting bestaan, is daarvoor niet relevant. Heeft het beroep een redelijke kans van slagen? 6. Deze voorlopige voorziening is ingediend connex aan het beroep dat is gericht tegen het uitvaardigen van een terugkeerbesluit omdat het recht op tijdelijke bescherming van verzoekster is stopgezet. De voorzieningenrechter zal zich daarom in deze procedure buigen over de vraag of het beroep een redelijke kans van slagen heeft. 6.1. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Verzoekster betoogt allereerst dat het terugkeerbesluit prematuur is opgelegd en zij dus nog rechtmatig verblijf heeft op grond van de bevriezingsmaatregel. Verder stelt verzoekster zich op het standpunt dat de minister ten onrechte geen overweging heeft gewijd aan het ambtshalve verlenen van een verblijfsvergunning op reguliere gronden op grond van artikel 3.6b van het Vb . Er is volgens verzoekster sprake van een schrijnende situatie waarbij sprake is van een samenstel van bijzondere omstandigheden. Verzoekster woont en werkt inmiddels al ruim drie jaar in Nederland en heeft hier beschermenswaardig privéleven opgebouwd. Tot slot stelt verzoekster dat de minister de hoorplicht heeft geschonden. 6.2. De minister stelt zich op het standpunt dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft. Verzoekster heeft in het huidige verzoek geen nieuwe feiten, omstandigheden of gewijzigde inzichten aangevoerd ten opzichte van het eerdere verzoek om een voorlopige voorziening, dat al door de voorzieningenrechter is afgewezen op 24 december 2025. Nu de voorzieningenrechter zich hierover al heeft uitgelaten, en verzoeker geen nieuwe feiten, omstandigheden of gewijzigde inzichten heeft gesteld, is er geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. 6.3. De voorzieningenrechter volgt de minister in het standpunt dat aan het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening geen andere feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd die niet al zijn betrokken in de hiervoor genoemde uitspraak van 24 december 2025. Verzoekster heeft niet toegelicht waarom de voorzieningenrechter nu tot een ander oordeel moet komen. De voorzieningenrechter ziet daar ook geen aanleiding toe. Gelet op het vorenstaande vindt de voorzieningenrechter voorlopig oordelend dat het beroep van verzoekster geen redelijke kans van slagen heeft en wijst het verzoek daarom af. Conclusie en gevolgen 7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Zaaknummer NL25.40752. Zaaknummer NL25.40753. Algemene wet bestuursrecht. Richtlijn 2001/55/EG. Vreemdelingenbesluit 2000.