Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-01
ECLI:NL:RBDHA:2026:10145
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,050 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10145 text/xml public 2026-05-15T10:05:32 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-01 SGR 25/4728 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10145 text/html public 2026-05-08T11:33:21 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10145 Rechtbank Den Haag , 01-05-2026 / SGR 25/4728 urgentieverklaring - gemeente Den Haag - artikel 4:5 van de Huisvestigingsverordening 2023 - meerdere algemene weigeringsgronden van toepassing - in geschil is hardheidsclausule en belangen van het kind artikel 3 IVRK - beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/4728 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. C.P.R.M. Dekker), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, verweerder (gemachtigde: mr. G. Chkadua) Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een urgentieverklaring. Eiseres is het niet eens met deze afwijzing en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden oordeelt de rechtbank over dit beroep. 1.1 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder een urgentieverklaring mocht weigeren aan eiseres. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt. 1.2 Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit en onder 4 en 5 volgt een weergave van de beroepsgronden en het verweer. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. 1.3 De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop 2. Met het besluit van 20 december 2024 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring afgewezen. 2.1 Met het bestreden besluit van 4 juni 2025 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van de urgentieverklaring gebleven. 2.2 Eiseres heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3 Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.4 De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1990 en is sinds 27 december 2022 in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven op het adres [adres] . Eiseres woont in deze sociale huurwoning van 77 vierkante meter met haar zes kinderen en haar kleindochter. Eiseres heeft op basis van medische redenen een urgentieverklaring aangevraagd, omdat de woning te klein is voor het aantal bewoners en de onvoldoende ruimte biedt om het gezin een gezonde en veilige leefomgeving te bieden. 3.1 De aanvraag van eiseres is met het primaire besluit afgewezen, omdat meerdere algemene weigeringsgronden van toepassing zijn als bedoeld in artikel 4.5 van de destijds geldende Huisvestingsverordening Den Haag 2023 (hierna: de Verordening). Verweerder heeft in het primaire besluit van artikel 4:5 van de Verordening zowel de b-grond, de c-grond als de d-grond aan eiseres tegengeworpen en ook geconcludeerd dat de hardheidsclausule niet leidt tot verlening van een urgentieverklaring. 3.2 In het bestreden besluit heeft verweerder de eerdere conclusies over de algemene weigeringsgronden gehandhaafd. Redengevend daarvoor is het volgende. Psychische klachten of een toename daarvan door de woonsituatie levert volgens verweerder geen urgent huisvestingsprobleem op (b-grond). Verweerder wijst daarbij op artikel 2.12 onder o van de Beleidsregel urgentieverklaringen Den Haag 2019 (hierna: de Beleidsregel). Ook heeft verweerder overwogen dat het huisvestingsprobleem anders opgelost kan worden (c-grond) en wijst daarbij op artikel 2.1.3 onder f van de Beleidsregel. Eiseres kan haar medische en sociale problemen met gerichte behandelingen aanpakken. Ook heeft verweerder overwogen dat eiseres haar huishouden heeft uitgebreid zonder eerst over passende woonruimte te beschikken (d-grond). 3.3 In aanvulling op het primaire besluit is na bezwaar ook de m-grond van artikel 4:5 van de Verordening tegengeworpen. Verweerder wijst hierbij op artikel 2.1.13 van de Beleidsregel en concludeert dat eiseres voorafgaand aan de aanvraag niet ten minste drie maanden aantoonbaar heeft gereageerd op beschikbaar en passend woonaanbod. 3.4 Ook het beroep op de hardheidsclausule van artikel 7:3 van de Verordening slaagt niet naar aanleiding van het bezwaar. Daarbij heeft verweerder meegewogen dat eiseres geen nadere medische stukken heeft overgelegd. 3.5 Verweerder heeft in het bestreden besluit tot slot ook de belangen van het kind als bedoeld in artikel 3 van het IVRK expliciet meegewogen en geconcludeerd dat ook deze niet tot verlening van een urgentieverklaring kunnen leiden. Wat vinden eiseres en verweerder in beroep? 4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert in beroep ten aanzien van de algemene weigeringsgronden van artikel 4:5 van de Verordening het volgende aan: 4.1 Ten eerste heeft verweerder de d-grond ten onrechte tegengeworpen. Eiseres en haar gezin hebben naar eigen zeggen de vorige grotere gezinswoning in [plaats] noodgedwongen verlaten, omdat er sprake was van schimmelvorming en er naaktslakken waren, terwijl de verhuurder van deze woning daar niets aan deed of wilde doen. Eiseres kan dan ook niet worden tegengeworpen dat het huidige woningprobleem was te voorzien of te voorkomen. Ook het anders oplossen of voorkomen van het huidige probleem vanwege de c-grond is ten onrechte aan eiseres tegengeworpen. Eiseres doet haar best om geschikte woonruimte te vinden voor haar gezin van 8 personen, maar stelt dat dit niet mogelijk is. Zij zoekt naar woningen die aan haar eis van minimaal vier slaapkamers voldoen, maar dat is tot nu toe nog niet gelukt. De regionale voorrang die zij heeft vanwege de grootte van haar huishouden is dan ook niet afdoende en geeft geen redelijke kans om het huisvestingsprobleem op te lossen. 4.2 In het kader van de hardheidsclausule van artikel 7:3 van de Verordening voert eiseres aan dat de huidige leefsituatie van het gezin schrijnend en onhoudbaar is. Haar minderjarige zoon heeft leerproblemen. Zij wijst in dit verband op het rapport van de orthopedagoog. Hij is gebaat bij een veilige en rustige leefomgeving. Haar minderjarige dochter heeft een kind gekregen en heeft, zo stelt eiseres, te maken met reclassering. Nu jeugdzorg betrokken is bij de gezinssituatie, waarvan ook stukken aanwezig zijn in het procesdossier, heeft verweerder ten onrechte afgezien van het toepassen van de hardheidsclausule en ten onrechte geen aanleiding gezien om alsnog een urgentieverklaring aan eiseres te verlenen. Verweerder heeft in het bestreden besluit onvoldoende betekenis toegekend aan de belangen van het kind, als bedoeld in artikel 3 van het IVRK. 5. Verweerder heeft in het verweerschrift en op de zitting gemotiveerd gereageerd op de beroepsgronden en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Wat is het oordeel van de rechtbank? 6. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres aangegeven dat het eiseres in de kern gaat om een oordeel over de toepassing van de hardheidsclausule en in dat kader ook de weging van de belangen van de kinderen als bedoeld in artikel 3 IVRK. Eiseres wil dat naar ‘het totaalplaatje’ wordt gekeken en dat alle individuele feiten en omstandigheden van het geval worden meegewogen. De rechtbank zal gelet op deze mededelingen enkel over de hardheidsclausule en artikel 3 IVRK oordelen in deze uitspraak. 7.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10145 text/xml public 2026-05-15T10:05:32 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-01 SGR 25/4728 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10145 text/html public 2026-05-08T11:33:21 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10145 Rechtbank Den Haag , 01-05-2026 / SGR 25/4728 urgentieverklaring - gemeente Den Haag - artikel 4:5 van de Huisvestigingsverordening 2023 - meerdere algemene weigeringsgronden van toepassing - in geschil is hardheidsclausule en belangen van het kind artikel 3 IVRK - beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/4728 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. C.P.R.M. Dekker), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, verweerder (gemachtigde: mr. G. Chkadua) Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een urgentieverklaring. Eiseres is het niet eens met deze afwijzing en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden oordeelt de rechtbank over dit beroep. 1.1 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder een urgentieverklaring mocht weigeren aan eiseres. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt. 1.2 Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit en onder 4 en 5 volgt een weergave van de beroepsgronden en het verweer. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. 1.3 De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop 2. Met het besluit van 20 december 2024 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring afgewezen. 2.1 Met het bestreden besluit van 4 juni 2025 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van de urgentieverklaring gebleven. 2.2 Eiseres heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3 Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.4 De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1990 en is sinds 27 december 2022 in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven op het adres [adres] . Eiseres woont in deze sociale huurwoning van 77 vierkante meter met haar zes kinderen en haar kleindochter. Eiseres heeft op basis van medische redenen een urgentieverklaring aangevraagd, omdat de woning te klein is voor het aantal bewoners en de onvoldoende ruimte biedt om het gezin een gezonde en veilige leefomgeving te bieden. 3.1 De aanvraag van eiseres is met het primaire besluit afgewezen, omdat meerdere algemene weigeringsgronden van toepassing zijn als bedoeld in artikel 4.5 van de destijds geldende Huisvestingsverordening Den Haag 2023 (hierna: de Verordening). Verweerder heeft in het primaire besluit van artikel 4:5 van de Verordening zowel de b-grond, de c-grond als de d-grond aan eiseres tegengeworpen en ook geconcludeerd dat de hardheidsclausule niet leidt tot verlening van een urgentieverklaring. 3.2 In het bestreden besluit heeft verweerder de eerdere conclusies over de algemene weigeringsgronden gehandhaafd. Redengevend daarvoor is het volgende. Psychische klachten of een toename daarvan door de woonsituatie levert volgens verweerder geen urgent huisvestingsprobleem op (b-grond). Verweerder wijst daarbij op artikel 2.12 onder o van de Beleidsregel urgentieverklaringen Den Haag 2019 (hierna: de Beleidsregel). Ook heeft verweerder overwogen dat het huisvestingsprobleem anders opgelost kan worden (c-grond) en wijst daarbij op artikel 2.1.3 onder f van de Beleidsregel. Eiseres kan haar medische en sociale problemen met gerichte behandelingen aanpakken. Ook heeft verweerder overwogen dat eiseres haar huishouden heeft uitgebreid zonder eerst over passende woonruimte te beschikken (d-grond). 3.3 In aanvulling op het primaire besluit is na bezwaar ook de m-grond van artikel 4:5 van de Verordening tegengeworpen. Verweerder wijst hierbij op artikel 2.1.13 van de Beleidsregel en concludeert dat eiseres voorafgaand aan de aanvraag niet ten minste drie maanden aantoonbaar heeft gereageerd op beschikbaar en passend woonaanbod. 3.4 Ook het beroep op de hardheidsclausule van artikel 7:3 van de Verordening slaagt niet naar aanleiding van het bezwaar. Daarbij heeft verweerder meegewogen dat eiseres geen nadere medische stukken heeft overgelegd. 3.5 Verweerder heeft in het bestreden besluit tot slot ook de belangen van het kind als bedoeld in artikel 3 van het IVRK expliciet meegewogen en geconcludeerd dat ook deze niet tot verlening van een urgentieverklaring kunnen leiden. Wat vinden eiseres en verweerder in beroep? 4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert in beroep ten aanzien van de algemene weigeringsgronden van artikel 4:5 van de Verordening het volgende aan: 4.1 Ten eerste heeft verweerder de d-grond ten onrechte tegengeworpen. Eiseres en haar gezin hebben naar eigen zeggen de vorige grotere gezinswoning in [plaats] noodgedwongen verlaten, omdat er sprake was van schimmelvorming en er naaktslakken waren, terwijl de verhuurder van deze woning daar niets aan deed of wilde doen. Eiseres kan dan ook niet worden tegengeworpen dat het huidige woningprobleem was te voorzien of te voorkomen. Ook het anders oplossen of voorkomen van het huidige probleem vanwege de c-grond is ten onrechte aan eiseres tegengeworpen. Eiseres doet haar best om geschikte woonruimte te vinden voor haar gezin van 8 personen, maar stelt dat dit niet mogelijk is. Zij zoekt naar woningen die aan haar eis van minimaal vier slaapkamers voldoen, maar dat is tot nu toe nog niet gelukt. De regionale voorrang die zij heeft vanwege de grootte van haar huishouden is dan ook niet afdoende en geeft geen redelijke kans om het huisvestingsprobleem op te lossen. 4.2 In het kader van de hardheidsclausule van artikel 7:3 van de Verordening voert eiseres aan dat de huidige leefsituatie van het gezin schrijnend en onhoudbaar is. Haar minderjarige zoon heeft leerproblemen. Zij wijst in dit verband op het rapport van de orthopedagoog. Hij is gebaat bij een veilige en rustige leefomgeving. Haar minderjarige dochter heeft een kind gekregen en heeft, zo stelt eiseres, te maken met reclassering. Nu jeugdzorg betrokken is bij de gezinssituatie, waarvan ook stukken aanwezig zijn in het procesdossier, heeft verweerder ten onrechte afgezien van het toepassen van de hardheidsclausule en ten onrechte geen aanleiding gezien om alsnog een urgentieverklaring aan eiseres te verlenen. Verweerder heeft in het bestreden besluit onvoldoende betekenis toegekend aan de belangen van het kind, als bedoeld in artikel 3 van het IVRK. 5. Verweerder heeft in het verweerschrift en op de zitting gemotiveerd gereageerd op de beroepsgronden en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Wat is het oordeel van de rechtbank? 6. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres aangegeven dat het eiseres in de kern gaat om een oordeel over de toepassing van de hardheidsclausule en in dat kader ook de weging van de belangen van de kinderen als bedoeld in artikel 3 IVRK. Eiseres wil dat naar ‘het totaalplaatje’ wordt gekeken en dat alle individuele feiten en omstandigheden van het geval worden meegewogen. De rechtbank zal gelet op deze mededelingen enkel over de hardheidsclausule en artikel 3 IVRK oordelen in deze uitspraak. 7.
Volledig
De rechtbank is van oordeel dat verweerder draagkrachtig heeft gemotiveerd dat er in het geval van eiseres geen aanleiding bestaat, om ondanks de toepasselijke algemene weigeringsgronden, een urgentieverklaring te verlenen op grond van de hardheidsclausule. 7.1 Uit vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter volgt dat verweerder bij het toekennen van een urgentieverklaring beoordelings- en beleidsruimte toekomt en dat het restrictieve beleid dat hiervoor gevoerd wordt niet onredelijk wordt geacht, met het oog op een rechtvaardige verdeling van de schaarse voorraad aan sociale huurwoningen onder de vele woningzoekenden. Bij het beoordelen van aanvragen voor urgentieverklaringen mag verweerder gebruik maken van algemene weigeringsgronden, alvorens een aanvraag voor een urgentieverklaring inhoudelijk te beoordelen. 7.2 Gelet op dit restrictieve beleid en de ruime beoordelings- en beleidsruimte die verweerder daarbij toekomt, alsmede de formulering van de hardheidsclausule in artikel 7:3 van de Verordening, mag de bestuursrechter de motivering van verweerder ten aanzien van de hardheidsclausule slechts terughoudend toetsen en kan zij enkel beoordelen of verweerder in redelijkheid geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule. 7.3 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden geen aanleiding geven voor toepassing van de hardheidsclausule. Uit de stukken blijkt, en zo heeft eiseres ook ter zitting bevestigd, dat zij met acht personen in een woning van 77 vierkante meter leven en dat de zoon van eiseres leerproblemen heeft. Dat eiseres vreest dat haar dochter in het criminele circuit belandt en dat zij betrokken is in een traject bij de reclassering is niet met stukken onderbouwd en kan dan ook niet tot een ander oordeel leiden. 7.4 Hoewel begrijpelijk en invoelbaar is dat eiseres en haar gezinsleden problemen ervaren in deze woonsituatie en dat de gezinsleden wensen te verhuizen om een betere woonomgeving te krijgen, zodat in het bijzonder de zoon met leerproblemen en de dochter en haar kind zich goed kunnen ontwikkelen, heeft verweerder voldoende inzichtelijk gemotiveerd waarom de persoonlijke omstandigheden van eiseres niet maken dat - in weerwil van de toepasselijke algemene weigeringsgronden - alsnog urgentie moet worden verleend. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat niet inzichtelijk is gemaakt welke pogingen eiseres heeft ondernomen om de gestelde problemen met schimmelvorming en naaktslakken in haar vorige, meer geschikte woning in Wateringen op te lossen, alvorens zij besloten heeft om deze woning te verlaten. Ook heeft verweerder hierbij mogen meewegen dat eiseres vanwege de grootte van haar gezin reeds over regionale voorrang beschikt en daarmee enige voorrang krijgt bij het reageren op woningen in de regio Haaglanden die groter zijn dan 80 vierkante meters. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat zij zoekt naar een woning met minimaal vier kamers en dat die zoekopdracht tot nu toe geen woningen oplevert. Gemachtigde van verweerder heeft verklaard dat als eiseres via haar regionale voorkeur zou zoeken, zonder dat minimum aantal kamers, dat zij meer kans maakt op een geschikte woning. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid hiervan te twijfelen. 7.5 Ook het beroep op artikel 3 van het IVRK slaagt niet. In lijn met vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter heeft verweerder de belangen van de minderjarige kinderen die tot het huishouden van eiseres behoren kenbaar betrokken in de afwegingen over de hardheidsclausule en heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat, ondanks deze belangen en de schrijnende gezinssituatie, geen aanleiding bestaat om eiseres – in aanvulling op haar regionale voorrang – een urgentieverklaring te verlenen. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder op goede gronden een urgentieverklaring aan eiseres heeft geweigerd. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De verzenddatum van deze uitspraak ziet u hierboven met een stempel vermeld staan. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Huisvestingsverordening Den Haag 2023 Artikel 4:5 Algemene weigeringsgronden urgentieverklaring Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring als naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden: (…) b. er geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem; c. de aanvrager kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen; d. het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of was te voorzien; (…) m. de aanvrager heeft niet eerst direct voorafgaand aan de aanvraag drie maanden zelf of na het ontstaan van het huisvestingsprobleem aantoonbaar gereageerd op het beschikbare woningaanbod, tenzij: 1° de aanvraag wordt gedaan op grond van artikel 4:6; of 2° er sprake is van een acute onvoorzienbare noodsituatie, waardoor de aanvrager niet heeft kunnen reageren, of waarbij het zeer onwenselijk is om direct voorafgaand aan de aanvraag drie maanden te reageren. Artikel 7:3 Hardheidsclausule Burgemeester en wethouders kunnen een artikel of artikelen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing ervan gelet op het belang van de bestrijding van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. Beleidsregel urgentieverklaringen Den Haag 2019 Artikel 2.1.2 Nadere uitwerking afwijzingsgrond artikel 4:5, onder b, van de verordening Er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem waarvoor indeling in een urgentiecategorie mogelijk is, bij de volgende op zichzelf staande situaties: (…) o. de aanvraag heeft psychische problemen en/of klachten of een toename van psychische problemen en/of klachten als gevolg van één of meer van de hierboven genoemde omstandigheden. Artikel 2.1.3 Nadere uitwerking afwijzingsgrond artikel 4:5, onder c, van de verordening Er is in ieder geval sprake van een huisvestingsprobleem dat redelijkerwijs te voorkomen is of op andere wijze op te lossen is, indien de aanvrager: (…) f. met behulp van gerichte behandeling diens medische of sociale woonprobleem kan oplossen; (…) Artikel 2.1.4 Nadere uitwerking afwijzingsgrond artikel 4:5, onder d, van de verordening Er is in ieder geval sprake van een huisvestingsprobleem dat redelijkerwijs kon worden voorkomen of te voorzien was, indien de aanvrager: a. diens huishouden heeft uitgebreid, zonder over een daartoe passende woonruimte te beschikken; (…) Artikel 2.1.13 Nadere uitwerking afwijzingsgrond artikel 4:5, onder m, van de verordening Een woningzoekende kan niet in een urgentiecategorie worden ingedeeld, indien de aanvrager niet eerst zelf, direct voorafgaand aan de aanvraag, gedurende minstens drie maanden aantoonbaar heeft gereageerd op beschikbaar en passend woningaanbod, met uitzondering van een aanvraag die wordt gedaan op grond van artikel 4:6 van de verordening (mantelzorg en blijf-van-mijn-lijf-huis).
Volledig
De rechtbank is van oordeel dat verweerder draagkrachtig heeft gemotiveerd dat er in het geval van eiseres geen aanleiding bestaat, om ondanks de toepasselijke algemene weigeringsgronden, een urgentieverklaring te verlenen op grond van de hardheidsclausule. 7.1 Uit vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter volgt dat verweerder bij het toekennen van een urgentieverklaring beoordelings- en beleidsruimte toekomt en dat het restrictieve beleid dat hiervoor gevoerd wordt niet onredelijk wordt geacht, met het oog op een rechtvaardige verdeling van de schaarse voorraad aan sociale huurwoningen onder de vele woningzoekenden. Bij het beoordelen van aanvragen voor urgentieverklaringen mag verweerder gebruik maken van algemene weigeringsgronden, alvorens een aanvraag voor een urgentieverklaring inhoudelijk te beoordelen. 7.2 Gelet op dit restrictieve beleid en de ruime beoordelings- en beleidsruimte die verweerder daarbij toekomt, alsmede de formulering van de hardheidsclausule in artikel 7:3 van de Verordening, mag de bestuursrechter de motivering van verweerder ten aanzien van de hardheidsclausule slechts terughoudend toetsen en kan zij enkel beoordelen of verweerder in redelijkheid geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule. 7.3 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden geen aanleiding geven voor toepassing van de hardheidsclausule. Uit de stukken blijkt, en zo heeft eiseres ook ter zitting bevestigd, dat zij met acht personen in een woning van 77 vierkante meter leven en dat de zoon van eiseres leerproblemen heeft. Dat eiseres vreest dat haar dochter in het criminele circuit belandt en dat zij betrokken is in een traject bij de reclassering is niet met stukken onderbouwd en kan dan ook niet tot een ander oordeel leiden. 7.4 Hoewel begrijpelijk en invoelbaar is dat eiseres en haar gezinsleden problemen ervaren in deze woonsituatie en dat de gezinsleden wensen te verhuizen om een betere woonomgeving te krijgen, zodat in het bijzonder de zoon met leerproblemen en de dochter en haar kind zich goed kunnen ontwikkelen, heeft verweerder voldoende inzichtelijk gemotiveerd waarom de persoonlijke omstandigheden van eiseres niet maken dat - in weerwil van de toepasselijke algemene weigeringsgronden - alsnog urgentie moet worden verleend. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat niet inzichtelijk is gemaakt welke pogingen eiseres heeft ondernomen om de gestelde problemen met schimmelvorming en naaktslakken in haar vorige, meer geschikte woning in Wateringen op te lossen, alvorens zij besloten heeft om deze woning te verlaten. Ook heeft verweerder hierbij mogen meewegen dat eiseres vanwege de grootte van haar gezin reeds over regionale voorrang beschikt en daarmee enige voorrang krijgt bij het reageren op woningen in de regio Haaglanden die groter zijn dan 80 vierkante meters. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat zij zoekt naar een woning met minimaal vier kamers en dat die zoekopdracht tot nu toe geen woningen oplevert. Gemachtigde van verweerder heeft verklaard dat als eiseres via haar regionale voorkeur zou zoeken, zonder dat minimum aantal kamers, dat zij meer kans maakt op een geschikte woning. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid hiervan te twijfelen. 7.5 Ook het beroep op artikel 3 van het IVRK slaagt niet. In lijn met vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter heeft verweerder de belangen van de minderjarige kinderen die tot het huishouden van eiseres behoren kenbaar betrokken in de afwegingen over de hardheidsclausule en heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat, ondanks deze belangen en de schrijnende gezinssituatie, geen aanleiding bestaat om eiseres – in aanvulling op haar regionale voorrang – een urgentieverklaring te verlenen. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder op goede gronden een urgentieverklaring aan eiseres heeft geweigerd. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De verzenddatum van deze uitspraak ziet u hierboven met een stempel vermeld staan. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Huisvestingsverordening Den Haag 2023 Artikel 4:5 Algemene weigeringsgronden urgentieverklaring Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring als naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden: (…) b. er geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem; c. de aanvrager kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen; d. het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of was te voorzien; (…) m. de aanvrager heeft niet eerst direct voorafgaand aan de aanvraag drie maanden zelf of na het ontstaan van het huisvestingsprobleem aantoonbaar gereageerd op het beschikbare woningaanbod, tenzij: 1° de aanvraag wordt gedaan op grond van artikel 4:6; of 2° er sprake is van een acute onvoorzienbare noodsituatie, waardoor de aanvrager niet heeft kunnen reageren, of waarbij het zeer onwenselijk is om direct voorafgaand aan de aanvraag drie maanden te reageren. Artikel 7:3 Hardheidsclausule Burgemeester en wethouders kunnen een artikel of artikelen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing ervan gelet op het belang van de bestrijding van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. Beleidsregel urgentieverklaringen Den Haag 2019 Artikel 2.1.2 Nadere uitwerking afwijzingsgrond artikel 4:5, onder b, van de verordening Er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem waarvoor indeling in een urgentiecategorie mogelijk is, bij de volgende op zichzelf staande situaties: (…) o. de aanvraag heeft psychische problemen en/of klachten of een toename van psychische problemen en/of klachten als gevolg van één of meer van de hierboven genoemde omstandigheden. Artikel 2.1.3 Nadere uitwerking afwijzingsgrond artikel 4:5, onder c, van de verordening Er is in ieder geval sprake van een huisvestingsprobleem dat redelijkerwijs te voorkomen is of op andere wijze op te lossen is, indien de aanvrager: (…) f. met behulp van gerichte behandeling diens medische of sociale woonprobleem kan oplossen; (…) Artikel 2.1.4 Nadere uitwerking afwijzingsgrond artikel 4:5, onder d, van de verordening Er is in ieder geval sprake van een huisvestingsprobleem dat redelijkerwijs kon worden voorkomen of te voorzien was, indien de aanvrager: a. diens huishouden heeft uitgebreid, zonder over een daartoe passende woonruimte te beschikken; (…) Artikel 2.1.13 Nadere uitwerking afwijzingsgrond artikel 4:5, onder m, van de verordening Een woningzoekende kan niet in een urgentiecategorie worden ingedeeld, indien de aanvrager niet eerst zelf, direct voorafgaand aan de aanvraag, gedurende minstens drie maanden aantoonbaar heeft gereageerd op beschikbaar en passend woningaanbod, met uitzondering van een aanvraag die wordt gedaan op grond van artikel 4:6 van de verordening (mantelzorg en blijf-van-mijn-lijf-huis).