Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-23
ECLI:NL:RBDHA:2026:10144
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,979 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10144 text/xml public 2026-05-08T11:15:51 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-23 25/6747 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10144 text/html public 2026-05-08T11:13:41 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10144 Rechtbank Den Haag , 23-04-2026 / 25/6747 Beroep ongegrond. Op basis van het stedenbouwkundig advies heeft het college kunnen concluderen dat het bouwplan van eiser niet leidt tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Nu het bouwplan reeds om stedenbouwkundige redenen niet is toegestaan, was het college dan ook niet gehouden om het bouwplan aan de welstandscommissie voor te leggen. Het omgevingsplan is leidend voor de maatvoering van de uitbouw, zodat reeds hierom geen plaats is voor een standaardplan. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/6747 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2026 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. R. van der Plas), en het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn , het college ([gemachtigde]). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de gedeeltelijke afwijzing van zijn aanvraag om een omgevingsvergunning voor het legaliseren van een dakkapel en uitbouw aan de voorzijde van de woning aan de [adres] in [plaats]. Eiser is het niet eens met de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de gevraagde omgevingsvergunning mocht weigeren. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser woont aan de [adres] in [plaats]. Op 24 februari 2024 heeft hij een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het legaliseren van een dakkapel en uitbouw aan de voorzijde van zijn woning. 2.1. Met het besluit van 5 juni 2025 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag geheel afgewezen. 2.2. Met het besluit van 10 september 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser heeft het college het primaire besluit ten aanzien van de dakkapel herroepen en de gevraagde omgevingsvergunning voor zover deze ziet op de dakkapel alsnog verleend. Het college heeft afwijzing voor zover die zag op de uitbouw in stand gelaten. 2.3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.4. Het college heeft gereageerd met een verweerschrift. 2.5. De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank 3. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) op 1 januari 2024 heeft iedere gemeente van rechtswege een omgevingsplan dat geldt voor het gehele grondgebied. In het tijdelijke deel van dit omgevingsplan zijn onder meer de bestemmingsplannen opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Ter plaatse geldt het [bestemmingsplan] Dit bestemmingsplan maakt dan ook onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Alphen aan den Rijn. 3.1. De rechtbank stelt vast dat de gronden waarop het bouwplan betrekking heeft, voor zover relevant, de bestemming ‘Wonen’ hebben. Op grond van artikel 20.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor ‘Wonen’ aangewezen gronden bestemd voor wonen. 3.2. Voor het juridisch kader verwijst de rechtbank naar de bijlage. Is sprake van strijd met het omgevingsplan? 4. Tussen partijen is niet in geschil dat de uitbouw van eiser in strijd is met het omgevingsplan, omdat deze 70 centimeter dieper is dan het in artikel 20.3, onder b, sub 1, van de planregels vastgestelde maximum van 1,5 meter. Verder is de uitbouw, in strijd met het voornoemde artikel, ongeveer 40 centimeter te dicht op de perceelgrens gerealiseerd. Het stedenbouwkundig advies 5. Eiser voert aan dat het college het welstandstoetsingskader geeft gepasseerd door de besluitvorming te baseren op een extern stedenbouwkundig advies van Buro SRO. De welstandsadvisering is door de gemeenteraad opgedragen aan de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Alphen aan den Rijn (de welstandscommissie). De stedenbouwkundig adviseur van Buro SRO maakt hier geen deel van uit. Volgens eiser had uitsluitend de welstandscommissie advies mogen uitbrengen en moet het stedenbouwkundig advies daarom terzijde worden gelegd. Verder is hem onduidelijk op basis van welke criteria het stedenbouwkundig advies tot stand is gekomen. 5.1. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de aan hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt en de betrokken belangen moet afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. 5.2. Verder volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat het college in beginsel mag afgaan op een deskundigenadvies, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Het overnemen van een deskundigenadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als een andere partij een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht. 5.3. De rechtbank stelt vast dat Buro SRO op 19 maart 2025 op verzoek van het college een stedenbouwkundig advies heeft uitgebracht. Dit advies ligt aan het bestreden besluit ten grondslag. In dit advies wordt opgemerkt dat de woningen in de buurt van eiser een samenhangend bebouwingsbeeld vormen met eenzelfde bouwmassa. De bouwmassa van de aangevraagde uitbouw is volgens het advies niet passend, omdat de combinatie van de diepte en breedte leidt tot een forse toevoeging aan het bouwvolume, hetgeen een grote impact heeft op de herkenbaarheid van het hoofdgebouw. Buro SRO merkt verder op dat uit hoofdstuk 4 van de Welstandsnota volgt dat uitbouwen ondergeschikt moeten zijn aan het hoofdgebouw en dat zij moeten voldoen aan de in de planregels vastgestelde maatvoering. Deze vastgestelde maatvoering is afgestemd op het herkenbaar houden van de hoofdvolumes en beperkt de onderlinge verschillen tussen uitbouwen. De in de Welstandsnota opgenomen basiswelstandscriteria zien op de verschijningsvorm van de uitbouwen en bijgebouwen. De gebiedsgerichte welstandscriteria bepalen dat aandacht moet worden geschonken aan het behoud van het straatbeeld met herhaling in rooilijn en gevelindeling en dat ook in gebieden met een soepel welstandsniveau geen afbreuk mag worden gedaan aan het stadsbeeld. Het toestaan van uitbouwen zoals die van eiser doet volgens Buro SRO afbreuk aan deze aspecten. 5.4. De rechtbank is van oordeel dat het college met het overgelegde advies van Buro SRO van 19 maart 2025 voldoende heeft gemotiveerd waarom het geen medewerking wil verlenen aan de toepassing van een buitenplanse afwijkmogelijkheid. Op basis van dit advies heeft het college kunnen concluderen dat het bouwplan, gelet op de stedenbouwkundige bezwaren, niet leidt tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10144 text/xml public 2026-05-08T11:15:51 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-23 25/6747 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10144 text/html public 2026-05-08T11:13:41 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10144 Rechtbank Den Haag , 23-04-2026 / 25/6747 Beroep ongegrond. Op basis van het stedenbouwkundig advies heeft het college kunnen concluderen dat het bouwplan van eiser niet leidt tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Nu het bouwplan reeds om stedenbouwkundige redenen niet is toegestaan, was het college dan ook niet gehouden om het bouwplan aan de welstandscommissie voor te leggen. Het omgevingsplan is leidend voor de maatvoering van de uitbouw, zodat reeds hierom geen plaats is voor een standaardplan. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/6747 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2026 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. R. van der Plas), en het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn , het college ([gemachtigde]). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de gedeeltelijke afwijzing van zijn aanvraag om een omgevingsvergunning voor het legaliseren van een dakkapel en uitbouw aan de voorzijde van de woning aan de [adres] in [plaats]. Eiser is het niet eens met de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de gevraagde omgevingsvergunning mocht weigeren. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser woont aan de [adres] in [plaats]. Op 24 februari 2024 heeft hij een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het legaliseren van een dakkapel en uitbouw aan de voorzijde van zijn woning. 2.1. Met het besluit van 5 juni 2025 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag geheel afgewezen. 2.2. Met het besluit van 10 september 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser heeft het college het primaire besluit ten aanzien van de dakkapel herroepen en de gevraagde omgevingsvergunning voor zover deze ziet op de dakkapel alsnog verleend. Het college heeft afwijzing voor zover die zag op de uitbouw in stand gelaten. 2.3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.4. Het college heeft gereageerd met een verweerschrift. 2.5. De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank 3. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) op 1 januari 2024 heeft iedere gemeente van rechtswege een omgevingsplan dat geldt voor het gehele grondgebied. In het tijdelijke deel van dit omgevingsplan zijn onder meer de bestemmingsplannen opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Ter plaatse geldt het [bestemmingsplan] Dit bestemmingsplan maakt dan ook onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Alphen aan den Rijn. 3.1. De rechtbank stelt vast dat de gronden waarop het bouwplan betrekking heeft, voor zover relevant, de bestemming ‘Wonen’ hebben. Op grond van artikel 20.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor ‘Wonen’ aangewezen gronden bestemd voor wonen. 3.2. Voor het juridisch kader verwijst de rechtbank naar de bijlage. Is sprake van strijd met het omgevingsplan? 4. Tussen partijen is niet in geschil dat de uitbouw van eiser in strijd is met het omgevingsplan, omdat deze 70 centimeter dieper is dan het in artikel 20.3, onder b, sub 1, van de planregels vastgestelde maximum van 1,5 meter. Verder is de uitbouw, in strijd met het voornoemde artikel, ongeveer 40 centimeter te dicht op de perceelgrens gerealiseerd. Het stedenbouwkundig advies 5. Eiser voert aan dat het college het welstandstoetsingskader geeft gepasseerd door de besluitvorming te baseren op een extern stedenbouwkundig advies van Buro SRO. De welstandsadvisering is door de gemeenteraad opgedragen aan de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Alphen aan den Rijn (de welstandscommissie). De stedenbouwkundig adviseur van Buro SRO maakt hier geen deel van uit. Volgens eiser had uitsluitend de welstandscommissie advies mogen uitbrengen en moet het stedenbouwkundig advies daarom terzijde worden gelegd. Verder is hem onduidelijk op basis van welke criteria het stedenbouwkundig advies tot stand is gekomen. 5.1. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de aan hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt en de betrokken belangen moet afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. 5.2. Verder volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat het college in beginsel mag afgaan op een deskundigenadvies, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Het overnemen van een deskundigenadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als een andere partij een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht. 5.3. De rechtbank stelt vast dat Buro SRO op 19 maart 2025 op verzoek van het college een stedenbouwkundig advies heeft uitgebracht. Dit advies ligt aan het bestreden besluit ten grondslag. In dit advies wordt opgemerkt dat de woningen in de buurt van eiser een samenhangend bebouwingsbeeld vormen met eenzelfde bouwmassa. De bouwmassa van de aangevraagde uitbouw is volgens het advies niet passend, omdat de combinatie van de diepte en breedte leidt tot een forse toevoeging aan het bouwvolume, hetgeen een grote impact heeft op de herkenbaarheid van het hoofdgebouw. Buro SRO merkt verder op dat uit hoofdstuk 4 van de Welstandsnota volgt dat uitbouwen ondergeschikt moeten zijn aan het hoofdgebouw en dat zij moeten voldoen aan de in de planregels vastgestelde maatvoering. Deze vastgestelde maatvoering is afgestemd op het herkenbaar houden van de hoofdvolumes en beperkt de onderlinge verschillen tussen uitbouwen. De in de Welstandsnota opgenomen basiswelstandscriteria zien op de verschijningsvorm van de uitbouwen en bijgebouwen. De gebiedsgerichte welstandscriteria bepalen dat aandacht moet worden geschonken aan het behoud van het straatbeeld met herhaling in rooilijn en gevelindeling en dat ook in gebieden met een soepel welstandsniveau geen afbreuk mag worden gedaan aan het stadsbeeld. Het toestaan van uitbouwen zoals die van eiser doet volgens Buro SRO afbreuk aan deze aspecten. 5.4. De rechtbank is van oordeel dat het college met het overgelegde advies van Buro SRO van 19 maart 2025 voldoende heeft gemotiveerd waarom het geen medewerking wil verlenen aan de toepassing van een buitenplanse afwijkmogelijkheid. Op basis van dit advies heeft het college kunnen concluderen dat het bouwplan, gelet op de stedenbouwkundige bezwaren, niet leidt tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Volledig
Eiser heeft geen deskundig tegenadvies overgelegd of anderszins aangetoond dat het stedenbouwkundig advies dusdanige gebreken vertoond dat het college dit advies niet aan bestreden besluit ten grondslag mocht leggen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college het bestreden besluit niet mocht baseren op het advies van 19 maart 2025. 5.5. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de welstandscommissie wordt gepasseerd met het stedenbouwkundig advies. Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder a, sub 5, van de Verordening op de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Alphen aan den Rijn adviseert de welstandscommissie op verzoek van het college over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een andere activiteit in geval het college een advies nodig acht met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Dit betekent dat er geen verplichting bestaat voor het college om advies in te winnen bij de welstandscommissie. Nu het bouwplan reeds om stedenbouwkundige redenen niet is toegestaan, was het college dan ook niet gehouden om het bouwplan aan de welstandscommissie voor te leggen. Was een standaardplan nodig? 6. Eiser wenst dat het college een standaardplan opstelt voor aan- en/of uitbouwen aan de voorzijde van woningen uitgaande van de nu reeds aanwezige uitbouwen, zoals de zijne. 6.1. De rechtbank overweegt dat, gelet op de Welstandsnota, met een standaardplan een plan wordt bedoeld dat in vergelijkbare situaties als uitgangspunt gehanteerd kan worden voor de welstandsbeoordeling van een bouwblok, cluster of een groter gebied. Aan de welstandstoets hoefde het college in dit geval echter niet toe te komen, zoals overwogen onder 5.4 en 5.5. Bovendien bevat het omgevingsplan regels voor de maatvoering, zodat reeds hierom geen plaats is voor een standaardplan. Tot slot kan de rechtbank eiser niet volgen in zijn betoog dat bij het op te stellen standaardplan uitgegaan zou moeten worden van illegaal gerealiseerde uitbouwen. 6.2. Het betoog van eiser slaagt niet. Is er strijd met het gelijkheidsbeginsel? 7. Eiser acht het van belang dat aan zijn woonblok reeds meerdere uitbouwen zijn gerealiseerd met vergelijkbare dieptematen. Het college is daar ten onrechte niet op ingegaan. 7.1. De rechtbank neemt aan dat eiser hiermee beoogt om een beroep te doen op het gelijkheidsbeginsel. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient sprake te zijn van een (in feitelijke en juridische zin) gelijk geval dat ongelijk wordt behandeld, zonder dat er een objectieve rechtvaardiging bestaat voor het verschil in handelswijze. Door eiser is ter zitting erkend dat de door hem aangehaalde uitbouwen in zijn straat zonder omgevingsvergunning zijn gerealiseerd. Van de overigens door eiser genoemde situaties, waaronder de uitbouw in de Krammer, is niet gebleken dat zij vergelijkbaar zijn in die zin dat het daar eenzelfde overschrijding van de toegestane maatvoering in een soortgelijke omgeving betreft. Het betoog slaagt niet. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M.J. Kemper, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. BIJLAGE Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Ingevolge artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Ow is het verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten. Ingevolge artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Ingevolge artikel 20.2, onder a, van het omgevingsplan onderdeel Alphen Stad (hierna: het omgevingsplan) worden bouwwerken binnen het bouwvlak gebouwd. Ingevolge artikel 20.3, onder b, van het omgevingsplan geldt dat in uitzondering op artikel 20.2, sub a, uitbouwen aan de voorgevel van de woning buiten het bouwvlak mogen worden gebouwd met dien verstande dat: 1. de diepte van de uitbouw vanuit de voorgevel van het hoofdgebouw maximaal 1,5 meter bedraagt, waarbij geldt dat de afstand tot de voorste perceelsgrens minimaal 2 meter bedraagt; 2. de breedte van de uitbouw maximaal 2/3 deel van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt; 3. de bouwhoogte van de uitbouw aansluit op de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, met dien verstande dat een afwijking daarvan is toegestaan van maximaal 0,3 meter boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw. Ingevolge artikel 22.26 van het omgevingsplan is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Ingevolge artikel 22.29, eerste lid, onder a, van het omgevingsplan wordt de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4. Ingevolge artikel 22.280 van het omgevingsplan geldt dat, voor zover voor een activiteit in het tijdelijke deel van het omgevingsplan is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de daarbij aangegeven regels, deze bepaling als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten. Ingevolge artikel 22.181 van het omgevingsplan wordt, voor zover de in het tijdelijke deel van het omgevingsplan gestelde regels over het voor een activiteit als bedoeld in artikel 22.280 van het omgevingsplan bij omgevingsvergunning afwijken van regels in dat tijdelijke deel de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, deze verplichting gelezen als een bevoegdheid. Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder a, sub 5, van de Verordening op de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Alphen aan den Rijn adviseert de commissie op verzoek van het college over een aanvraag om of een ontwerpbesluit voor een omgevingsvergunning voor een andere activiteit in geval het college een advies nodig acht met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4624 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/)). Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1155). Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 september 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:16311 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/)).
Volledig
Eiser heeft geen deskundig tegenadvies overgelegd of anderszins aangetoond dat het stedenbouwkundig advies dusdanige gebreken vertoond dat het college dit advies niet aan bestreden besluit ten grondslag mocht leggen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college het bestreden besluit niet mocht baseren op het advies van 19 maart 2025. 5.5. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de welstandscommissie wordt gepasseerd met het stedenbouwkundig advies. Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder a, sub 5, van de Verordening op de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Alphen aan den Rijn adviseert de welstandscommissie op verzoek van het college over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een andere activiteit in geval het college een advies nodig acht met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Dit betekent dat er geen verplichting bestaat voor het college om advies in te winnen bij de welstandscommissie. Nu het bouwplan reeds om stedenbouwkundige redenen niet is toegestaan, was het college dan ook niet gehouden om het bouwplan aan de welstandscommissie voor te leggen. Was een standaardplan nodig? 6. Eiser wenst dat het college een standaardplan opstelt voor aan- en/of uitbouwen aan de voorzijde van woningen uitgaande van de nu reeds aanwezige uitbouwen, zoals de zijne. 6.1. De rechtbank overweegt dat, gelet op de Welstandsnota, met een standaardplan een plan wordt bedoeld dat in vergelijkbare situaties als uitgangspunt gehanteerd kan worden voor de welstandsbeoordeling van een bouwblok, cluster of een groter gebied. Aan de welstandstoets hoefde het college in dit geval echter niet toe te komen, zoals overwogen onder 5.4 en 5.5. Bovendien bevat het omgevingsplan regels voor de maatvoering, zodat reeds hierom geen plaats is voor een standaardplan. Tot slot kan de rechtbank eiser niet volgen in zijn betoog dat bij het op te stellen standaardplan uitgegaan zou moeten worden van illegaal gerealiseerde uitbouwen. 6.2. Het betoog van eiser slaagt niet. Is er strijd met het gelijkheidsbeginsel? 7. Eiser acht het van belang dat aan zijn woonblok reeds meerdere uitbouwen zijn gerealiseerd met vergelijkbare dieptematen. Het college is daar ten onrechte niet op ingegaan. 7.1. De rechtbank neemt aan dat eiser hiermee beoogt om een beroep te doen op het gelijkheidsbeginsel. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient sprake te zijn van een (in feitelijke en juridische zin) gelijk geval dat ongelijk wordt behandeld, zonder dat er een objectieve rechtvaardiging bestaat voor het verschil in handelswijze. Door eiser is ter zitting erkend dat de door hem aangehaalde uitbouwen in zijn straat zonder omgevingsvergunning zijn gerealiseerd. Van de overigens door eiser genoemde situaties, waaronder de uitbouw in de Krammer, is niet gebleken dat zij vergelijkbaar zijn in die zin dat het daar eenzelfde overschrijding van de toegestane maatvoering in een soortgelijke omgeving betreft. Het betoog slaagt niet. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M.J. Kemper, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. BIJLAGE Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Ingevolge artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Ow is het verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten. Ingevolge artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Ingevolge artikel 20.2, onder a, van het omgevingsplan onderdeel Alphen Stad (hierna: het omgevingsplan) worden bouwwerken binnen het bouwvlak gebouwd. Ingevolge artikel 20.3, onder b, van het omgevingsplan geldt dat in uitzondering op artikel 20.2, sub a, uitbouwen aan de voorgevel van de woning buiten het bouwvlak mogen worden gebouwd met dien verstande dat: 1. de diepte van de uitbouw vanuit de voorgevel van het hoofdgebouw maximaal 1,5 meter bedraagt, waarbij geldt dat de afstand tot de voorste perceelsgrens minimaal 2 meter bedraagt; 2. de breedte van de uitbouw maximaal 2/3 deel van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt; 3. de bouwhoogte van de uitbouw aansluit op de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, met dien verstande dat een afwijking daarvan is toegestaan van maximaal 0,3 meter boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw. Ingevolge artikel 22.26 van het omgevingsplan is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Ingevolge artikel 22.29, eerste lid, onder a, van het omgevingsplan wordt de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4. Ingevolge artikel 22.280 van het omgevingsplan geldt dat, voor zover voor een activiteit in het tijdelijke deel van het omgevingsplan is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de daarbij aangegeven regels, deze bepaling als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten. Ingevolge artikel 22.181 van het omgevingsplan wordt, voor zover de in het tijdelijke deel van het omgevingsplan gestelde regels over het voor een activiteit als bedoeld in artikel 22.280 van het omgevingsplan bij omgevingsvergunning afwijken van regels in dat tijdelijke deel de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, deze verplichting gelezen als een bevoegdheid. Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder a, sub 5, van de Verordening op de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Alphen aan den Rijn adviseert de commissie op verzoek van het college over een aanvraag om of een ontwerpbesluit voor een omgevingsvergunning voor een andere activiteit in geval het college een advies nodig acht met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4624 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/)). Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1155). Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 september 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:16311 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/)).