Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-15
ECLI:NL:RBDHA:2026:10107
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,858 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10107 text/xml public 2026-05-08T08:36:51 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-15 C/09/693868 / HA ZA 25-959 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10107 text/html public 2026-05-08T08:35:19 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10107 Rechtbank Den Haag , 15-04-2026 / C/09/693868 / HA ZA 25-959 Verzetzaak. Kredietovereenkomst. Verzetdagvaarding te laat uitgebracht. Opposante niet-ontvankelijk in verzet. RECHTBANK Den Haag Team Handel Zaaknummer: C/09/693868 / HA ZA 25-959 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van [opposante] te [woonplaats], eiseres in het verzet (oorspronkelijk gedaagde), opposante, hierna te noemen: ‘[opposante]’, advocaat: mr. P. van Baaren, tegen DEFAM B.V. te Bunnik, gedaagde in het verzet (rechtsopvolger van oorspronkelijk eiseres), geopposeerde, hierna te noemen: ‘Defam’, advocaat: mr. E. Stammers De zaak is voor Defam inhoudelijk behandeld door mr. Stammers voornoemd en mr. A. Robustella. 1 De procedure 1.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: de dagvaarding van 15 april 2005, met producties 1 tot en met 6; het verstekvonnis van 25 mei 2005; de verzetdagvaarding van 13 oktober 2025, met bijlagen 1 tot en met 3; het herstelexploot van 24 oktober 2025, ingekomen op 6 november 2025, zonder producties; het bericht van [opposante] van 28 januari 2026, met bijlage; de twee berichten van Defam van 17 februari 2026, met producties 1 tot en met 15. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Partijen en hun advocaten hebben hun standpunten toegelicht, vragen van de rechtbank beantwoord en op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat ter zitting is besproken. 1.3. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 2 De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt van het volgende uitgegaan. 2.1. Omstreeks 8 juni 2000 heeft Direktbank N.V. (hierna: ‘Direktbank’) op basis van twee ondertekende schriftelijk stukken, te weten een ‘Contract Doorlopend Krediet’ van 6 juni 2000 (hierna: ‘de Kredietovereenkomst’) en een ‘Opdrachtformulier Doorlopend Krediet’ van 8 juni 2000 (hierna: ‘het Opdrachtformulier’), een bedrag van fl. 25.000,00 overgemaakt naar [rekeningnummer]. 2.2. In het kader van de totstandkoming van de Kredietovereenkomst zijn met Direktbank gedeeld (i) een kopie-bankafschrift van ABN Amro Bank van 23 mei 2000, waaruit blijkt dat voornoemd bankrekeningnummer op naam van [opposante] staat en (ii) een kopie-loonstrook voor de maand mei 2000 van de toenmalige werkgever van [opposante], waarop staat dat het salaris van [opposante] wordt uitbetaald op voornoemd bankrekeningnummer. 2.3. In de Kredietovereenkomst worden [opposante] en haar (voormalig) echtgenoot aangeduid als ‘Cliënt 2B’ respectievelijk ‘Cliënt 2A’. De Kredietovereenkomst is onderaan de pagina, bij “ Direktbank N.V. ”, “ Cliënt 2A ” en “ Cliënt 2B ”, voorzien van drie handtekeningen. 2.4. Op de Kredietovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing. Hierin is onder meer bepaald dat degene die in de overeenkomst als ‘cliënt’ wordt genoemd en/of deze als zodanig heeft getekend, hoofdelijk en voor het geheel aansprakelijk is tegenover de bank voor alle verplichtingen voortvloeiende uit die overeenkomst. Verder hebben de algemene voorwaarden onder meer betrekking op dat wat door de cliënt verschuldigd is in geval van niet nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst na het verstrijken van een in een ingebrekestelling genoemde termijn, zoals rente en vertragingsvergoeding. 2.5. Op het Opdrachtformulier is bij de tekst “ Ondergetekende(n) verzoekt / verzoeken de volgende uitbetalingen te verrichten ” ingevuld met pen het hiervoor genoemde bankrekeningnummer ten name van [opposante], haar naam als begunstigde en het bedrag van fl. 25.000,00. Het Opdrachtformulier is onderaan de pagina, bij “ Cliënt 2A ” en “ Cliënt 2B ”, voorzien van twee handtekeningen. 2.6. Bij brief van 21 januari 2005 heeft Direktbank de Kredietovereenkomst opgezegd vanwege achterstallige betalingen en [opposante], althans haar (voormalig) echtgenoot, gesommeerd een bedrag te voldoen van € 10.969,86 aan hoofdsom exclusief rente. 2.7. Bij dagvaarding van 15 april 2005, betekend aan [opposante] (en haar voormalig echtgenoot) in persoon, heeft Direktbank gevorderd [opposante] en haar (voormalig) echtgenoot bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis (hoofdelijk) te veroordelen om te betalen aan Direktbank een bedrag van € 11.054,82, te vermeerderen met overeengekomen rente (te maximeren conform wettelijke consumentenkredietvergoeding), met veroordeling van [opposante] en haar (voormalig) echtgenoot in de proceskosten. 2.8. Bij verstekvonnis met rolnummer 05-1337 van deze rechtbank van 25 mei 2005 (hierna: ‘het verstekvonnis’) zijn de hiervoor genoemde vorderingen van Direktbank toegewezen. 2.9. Bij exploot van 12 augustus 2005 heeft de deurwaarder een grosse van het verstekvonnis betekend aan [opposante] (en haar voormalig echtgenoot) door achterlating daarvan in een gesloten envelop op het (gezamenlijke) woonadres in [plaats]. 2.10. Ook de hierna genoemde exploten die zijn uitgebracht aan [opposante] en haar (voormalig) echtgenoot zijn betekend door middel van achterlating daarvan in een gesloten envelop of openbaar betekend. 2.11. Bij exploot van 19 augustus 2005 is op verzoek van Direktbank uit hoofde van het verstekvonnis executoriaal beslag gelegd op de op dat moment aan [opposante] en haar (voormalig) echtgenoot in gezamenlijke eigendom toebehorende woning in [plaats] (hierna: ‘de gezamenlijke woning’). 2.12. Bij exploot van 24 augustus 2005 is aan [opposante] (en haar voormalig echtgenoot) betekend een afschrift van het proces-verbaal van overbetekening van voornoemd exploot van executoriale beslaglegging op de gezamenlijke woning van 19 augustus 2005. 2.13. Bij exploot van 1 maart 2006 is aan [opposante] (en haar voormalig echtgenoot) aangezegd dat Direktbank Financieringen B.V. (hierna: ‘Direktbank Financieringen’) de vordering uit hoofde van het verstekvonnis bij akte van overdracht van 18 november 2005 heeft overgenomen van Direktbank. 2.14. Bij brief van 11 januari 2007 aan [opposante] heeft de deurwaarder geschreven dat niet meer is vernomen na telefonisch contact met haar advocaat op 28 november 2006 en dat [opposante] nog een bedrag van € 15.155,45 verschuldigd is. 2.15. Bij exploot van 5 maart 2010 is aan [opposante] aangezegd dat de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de grosse van het verstekvonnis is overgegaan op Defam. 2.16. Bij brief van 1 mei 2017 aan [opposante] heeft de deurwaarder geschreven dat zij nog een bedrag van € 24.694,26 verschuldigd is. 2.17. Bij exploot van 8 mei 2020 is aan [opposante] aangezegd dat Defam aanspraak maakt op betaling van dat wat [opposante] en haar (voormalig) echtgenoot uit hoofde van het verstekvonnis verschuldigd zijn. 2.18. Bij exploot van 15 april 2025 is de vordering van Defam op [opposante] en haar (voormalig) echtgenoot uit hoofde van het verstekvonnis gestuit. 2.19. Bij exploot van 26 augustus 2025 is uit hoofde van het verstekvonnis executoriaal derdenbeslag gelegd onder de [gemeente] ten laste van alle vorderingen die [opposante] heeft op die gemeente. Uit een ‘Modelformulier verklaring bij Derdenbeslag’ van 9 september 2025 volgt dat een bedrag van € 68,45 per maand onder het beslag valt. 2.20. Uit een bericht van Deurwaarder.com van 16 februari 2026 volgt dat de woning van [opposante] en haar (voormalig) echtgenoot in [plaats] is verkocht per veiling in 2006. 2.21. Defam (althans haar rechtsvoorganger) heeft de rente op de vordering uit hoofde van het verstekvonnis gefixeerd op € 10.000,00. De vordering bedraagt nu € 21.610,77 inclusief rente en kosten. 3 Het geschil 3.1.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10107 text/xml public 2026-05-08T08:36:51 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-15 C/09/693868 / HA ZA 25-959 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10107 text/html public 2026-05-08T08:35:19 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10107 Rechtbank Den Haag , 15-04-2026 / C/09/693868 / HA ZA 25-959 Verzetzaak. Kredietovereenkomst. Verzetdagvaarding te laat uitgebracht. Opposante niet-ontvankelijk in verzet. RECHTBANK Den Haag Team Handel Zaaknummer: C/09/693868 / HA ZA 25-959 Vonnis van 15 april 2026 in de zaak van [opposante] te [woonplaats], eiseres in het verzet (oorspronkelijk gedaagde), opposante, hierna te noemen: ‘[opposante]’, advocaat: mr. P. van Baaren, tegen DEFAM B.V. te Bunnik, gedaagde in het verzet (rechtsopvolger van oorspronkelijk eiseres), geopposeerde, hierna te noemen: ‘Defam’, advocaat: mr. E. Stammers De zaak is voor Defam inhoudelijk behandeld door mr. Stammers voornoemd en mr. A. Robustella. 1 De procedure 1.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: de dagvaarding van 15 april 2005, met producties 1 tot en met 6; het verstekvonnis van 25 mei 2005; de verzetdagvaarding van 13 oktober 2025, met bijlagen 1 tot en met 3; het herstelexploot van 24 oktober 2025, ingekomen op 6 november 2025, zonder producties; het bericht van [opposante] van 28 januari 2026, met bijlage; de twee berichten van Defam van 17 februari 2026, met producties 1 tot en met 15. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Partijen en hun advocaten hebben hun standpunten toegelicht, vragen van de rechtbank beantwoord en op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat ter zitting is besproken. 1.3. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 2 De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt van het volgende uitgegaan. 2.1. Omstreeks 8 juni 2000 heeft Direktbank N.V. (hierna: ‘Direktbank’) op basis van twee ondertekende schriftelijk stukken, te weten een ‘Contract Doorlopend Krediet’ van 6 juni 2000 (hierna: ‘de Kredietovereenkomst’) en een ‘Opdrachtformulier Doorlopend Krediet’ van 8 juni 2000 (hierna: ‘het Opdrachtformulier’), een bedrag van fl. 25.000,00 overgemaakt naar [rekeningnummer]. 2.2. In het kader van de totstandkoming van de Kredietovereenkomst zijn met Direktbank gedeeld (i) een kopie-bankafschrift van ABN Amro Bank van 23 mei 2000, waaruit blijkt dat voornoemd bankrekeningnummer op naam van [opposante] staat en (ii) een kopie-loonstrook voor de maand mei 2000 van de toenmalige werkgever van [opposante], waarop staat dat het salaris van [opposante] wordt uitbetaald op voornoemd bankrekeningnummer. 2.3. In de Kredietovereenkomst worden [opposante] en haar (voormalig) echtgenoot aangeduid als ‘Cliënt 2B’ respectievelijk ‘Cliënt 2A’. De Kredietovereenkomst is onderaan de pagina, bij “ Direktbank N.V. ”, “ Cliënt 2A ” en “ Cliënt 2B ”, voorzien van drie handtekeningen. 2.4. Op de Kredietovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing. Hierin is onder meer bepaald dat degene die in de overeenkomst als ‘cliënt’ wordt genoemd en/of deze als zodanig heeft getekend, hoofdelijk en voor het geheel aansprakelijk is tegenover de bank voor alle verplichtingen voortvloeiende uit die overeenkomst. Verder hebben de algemene voorwaarden onder meer betrekking op dat wat door de cliënt verschuldigd is in geval van niet nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst na het verstrijken van een in een ingebrekestelling genoemde termijn, zoals rente en vertragingsvergoeding. 2.5. Op het Opdrachtformulier is bij de tekst “ Ondergetekende(n) verzoekt / verzoeken de volgende uitbetalingen te verrichten ” ingevuld met pen het hiervoor genoemde bankrekeningnummer ten name van [opposante], haar naam als begunstigde en het bedrag van fl. 25.000,00. Het Opdrachtformulier is onderaan de pagina, bij “ Cliënt 2A ” en “ Cliënt 2B ”, voorzien van twee handtekeningen. 2.6. Bij brief van 21 januari 2005 heeft Direktbank de Kredietovereenkomst opgezegd vanwege achterstallige betalingen en [opposante], althans haar (voormalig) echtgenoot, gesommeerd een bedrag te voldoen van € 10.969,86 aan hoofdsom exclusief rente. 2.7. Bij dagvaarding van 15 april 2005, betekend aan [opposante] (en haar voormalig echtgenoot) in persoon, heeft Direktbank gevorderd [opposante] en haar (voormalig) echtgenoot bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis (hoofdelijk) te veroordelen om te betalen aan Direktbank een bedrag van € 11.054,82, te vermeerderen met overeengekomen rente (te maximeren conform wettelijke consumentenkredietvergoeding), met veroordeling van [opposante] en haar (voormalig) echtgenoot in de proceskosten. 2.8. Bij verstekvonnis met rolnummer 05-1337 van deze rechtbank van 25 mei 2005 (hierna: ‘het verstekvonnis’) zijn de hiervoor genoemde vorderingen van Direktbank toegewezen. 2.9. Bij exploot van 12 augustus 2005 heeft de deurwaarder een grosse van het verstekvonnis betekend aan [opposante] (en haar voormalig echtgenoot) door achterlating daarvan in een gesloten envelop op het (gezamenlijke) woonadres in [plaats]. 2.10. Ook de hierna genoemde exploten die zijn uitgebracht aan [opposante] en haar (voormalig) echtgenoot zijn betekend door middel van achterlating daarvan in een gesloten envelop of openbaar betekend. 2.11. Bij exploot van 19 augustus 2005 is op verzoek van Direktbank uit hoofde van het verstekvonnis executoriaal beslag gelegd op de op dat moment aan [opposante] en haar (voormalig) echtgenoot in gezamenlijke eigendom toebehorende woning in [plaats] (hierna: ‘de gezamenlijke woning’). 2.12. Bij exploot van 24 augustus 2005 is aan [opposante] (en haar voormalig echtgenoot) betekend een afschrift van het proces-verbaal van overbetekening van voornoemd exploot van executoriale beslaglegging op de gezamenlijke woning van 19 augustus 2005. 2.13. Bij exploot van 1 maart 2006 is aan [opposante] (en haar voormalig echtgenoot) aangezegd dat Direktbank Financieringen B.V. (hierna: ‘Direktbank Financieringen’) de vordering uit hoofde van het verstekvonnis bij akte van overdracht van 18 november 2005 heeft overgenomen van Direktbank. 2.14. Bij brief van 11 januari 2007 aan [opposante] heeft de deurwaarder geschreven dat niet meer is vernomen na telefonisch contact met haar advocaat op 28 november 2006 en dat [opposante] nog een bedrag van € 15.155,45 verschuldigd is. 2.15. Bij exploot van 5 maart 2010 is aan [opposante] aangezegd dat de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de grosse van het verstekvonnis is overgegaan op Defam. 2.16. Bij brief van 1 mei 2017 aan [opposante] heeft de deurwaarder geschreven dat zij nog een bedrag van € 24.694,26 verschuldigd is. 2.17. Bij exploot van 8 mei 2020 is aan [opposante] aangezegd dat Defam aanspraak maakt op betaling van dat wat [opposante] en haar (voormalig) echtgenoot uit hoofde van het verstekvonnis verschuldigd zijn. 2.18. Bij exploot van 15 april 2025 is de vordering van Defam op [opposante] en haar (voormalig) echtgenoot uit hoofde van het verstekvonnis gestuit. 2.19. Bij exploot van 26 augustus 2025 is uit hoofde van het verstekvonnis executoriaal derdenbeslag gelegd onder de [gemeente] ten laste van alle vorderingen die [opposante] heeft op die gemeente. Uit een ‘Modelformulier verklaring bij Derdenbeslag’ van 9 september 2025 volgt dat een bedrag van € 68,45 per maand onder het beslag valt. 2.20. Uit een bericht van Deurwaarder.com van 16 februari 2026 volgt dat de woning van [opposante] en haar (voormalig) echtgenoot in [plaats] is verkocht per veiling in 2006. 2.21. Defam (althans haar rechtsvoorganger) heeft de rente op de vordering uit hoofde van het verstekvonnis gefixeerd op € 10.000,00. De vordering bedraagt nu € 21.610,77 inclusief rente en kosten. 3 Het geschil 3.1.
Volledig
Zoals hiervoor is vastgesteld, zijn [opposante] en haar voormalig echtgenoot bij verstekvonnis van deze rechtbank van 25 mei 2005 hoofdelijk veroordeeld om te betalen aan de rechtsvoorganger van Defam een bedrag van € 11.054,82, te vermeerderen met overeengekomen rente (te maximeren conform wettelijke consumentenkredietvergoeding), met veroordeling van [opposante] en haar (voormalig) echtgenoot in de proceskosten. 3.2. [opposante] vordert in deze verzetprocedure dat zij zal worden ontheven van de veroordeling tegen haar uitgesproken bij voornoemd verstekvonnis, met niet-ontvankelijkheid of ontzegging van de oorspronkelijke vordering en veroordeling van Defam in de kosten van deze verzetprocedure. 3.3. [opposante] legt hieraan het volgende ten grondslag. [opposante] heeft pas in september 2025 kennisgenomen van het verstekvonnis, waarin zij en haar (voormalig) echtgenoot hoofdelijk zijn veroordeeld om aan Direktbank te betalen een bedrag van € 11.000,00, te vermeerderen met rente en kosten. Defam executeert het verstekvonnis, zonder dat [opposante] duidelijk is wat de positie van Defam is, of de vordering aan Defam is gecedeerd en of Defam gevolmachtigd is. [opposante] is het niet eens met de veroordeling in het verstekvonnis, want zij heeft geen geldleningsovereenkomst gesloten met Direktbank of ingestemd met een geldlening tussen Direktbank en haar (voormalig) echtgenoot. Het verstekvonnis moet worden vernietigd en het verzet richt zich tegen degene die het verstekvonnis executeert, aldus [opposante]. 3.4. Defam concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [opposante], omdat zij niet tijdig in verzet is gekomen van het verstekvonnis. Inhoudelijk blijft zij bij haar vorderingen en standpunten zoals ingenomen in de dagvaarding van 15 april 2005 en nader onderbouwd in deze verzetprocedure. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. De eerste vraag die voorligt, is of het verzet van [opposante] tijdig is ingesteld. In artikel 143 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (‘Rv’) is - kort gezegd - bepaald dat de verzettermijn begint te lopen op het moment dat het verstekvonnis is betekend in persoon of als sprake is van een daad van bekendheid waaruit blijkt dat de veroordeelde van het verstekvonnis op de hoogte is, of zodra de executie van het verstekvonnis ten uitvoer is gelegd. 4.2. Vast staat dat het verstekvonnis waarin de vordering van (de rechtsvoorganger van) Defam is toegewezen, niet aan [opposante] in persoon is betekend. Ook is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat [opposante] een daad van bekendheid heeft verricht in de zin van artikel 143 lid 2 Rv waardoor de verzettermijn is gaan lopen en vóór 13 oktober 2025 (de datum van de verzetdagvaarding) was verstreken. 4.3. Op grond van artikel 143 lid 2 en lid 3 Rv geldt dat het verzet moet worden ingesteld binnen vier weken (of acht in geval van werkelijk verblijf in het buitenland) vanaf de dag waarop het verstekvonnis ten uitvoer is gelegd. Volgens artikel 144 sub a Rv wordt een vonnis in het geval van gerechtelijke verkoop van goederen geacht ten uitvoer te zijn gelegd na de verkoop. In die situatie is het mogelijk dat de verzettermijn gaat lopen en verstrijkt zonder dat de veroordeelde met het verstekvonnis bekend is. 4.4. Bij exploot van 19 augustus 2005 is executoriaal beslag gelegd op de gezamenlijke woning (zie r.o. 2.11) en daarna is een proces-verbaal van deze beslaglegging overbetekend aan [opposante]. De gezamenlijke woning is executoriaal verkocht in 2006 (zie r.o. 2.20). Er is dus sprake van een gerechtelijke tenuitvoerlegging van het verstekvonnis op onroerende zaken, in de zin van artikel 502 e.v. Rv, in samenhang met artikel 430 e.v. Rv. Na de executoriale verkoop van de woning moet het verstekvonnis ingevolge artikel 144 sub a Rv worden geacht ten uitvoer te zijn gelegd. Gelet hierop is de verzettermijn van vier of acht weken gaan lopen in 2006 en was deze termijn (dus) ruimschoots verstreken op het moment dat [opposante] de verzetdagvaarding uitbracht op 13 oktober 2025. Dit betekent dat [opposante] te laat een verzetdagvaarding heeft uitgebracht en niet in haar verzet kan worden ontvangen. 4.5. Dat [opposante] ter zitting naar voren heeft gebracht dat zij ervan uitging dat de woning werd geveild door de hypotheekverstrekker, omdat (ook) daar sprake was van betalingsachterstanden, maakt dit niet anders. Daarvoor is het volgende redengevend. 4.6. In dezelfde periode dat kennelijk sprake was van betalingsachterstanden bij de hypotheekverstrekker, is de inleidende dagvaarding waarmee (de rechtsvoorganger van) Defam een (hoofdelijke) vordering heeft ingesteld tegen [opposante] en haar (voormalig) echtgenoot, betekend aan [opposante] in persoon (zie r.o. 2.7). Verder is uit een logboek van de afdeling debiteurenbeheer van (de rechtsvoorganger van) Defam af te leiden dat er in de daaraan voorafgaande periode (tussen 15 oktober 2001 en 7 mei 2004) meermaals telefonisch contact is geweest met [opposante] over betalingsachterstanden bij de Kredietovereenkomst en dat [opposante] in die gesprekken toezeggingen voor deelbetalingen heeft gedaan. Namens Defam is ter zitting toegelicht dat die toezeggingen soms zijn nagekomen. Bij deze stand van zaken houdt de rechtbank het ervoor dat [opposante] ervan op de hoogte was, of in ieder geval ervan op de hoogte had kunnen zijn, dat er in de periode dat er kennelijk ook betalingsproblemen waren bij de hypotheekverstrekker en de woning werd geveild, tevens sprake was van betalingsachterstanden bij (de rechtsvoorganger van) Defam en dat uit dien hoofde mogelijk een (hoofdelijke) vordering op haar zou worden verhaald. 4.7. Ter zitting heeft [opposante] desgevraagd verteld dat zij wist van de executieveiling van de gezamenlijke woning in 2006. [opposante] is naar eigen zeggen juist vanwege de executieveiling van de gezamenlijke woning uit Nederland vertrokken en heeft vervolgens enkele jaren in [land] verbleven. Zij heeft zich niet uitgeschreven in [plaats]. Dat alle exploten over de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis en de overdracht van de vordering op Defam zijn uitgebracht (op twee verschillende adressen) in [plaats], waar [opposante] toen niet meer verbleef, komt onder deze omstandigheden voor haar rekening en risico. 4.8. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat onder omstandigheden onverkorte toepassing van de regeling van de verzettermijn achterwege moet blijven als die tot een resultaat leidt dat niet voldoet aan de eisen van een eerlijk proces, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM. Dat hiervan in dit geval sprake is, is niet gesteld en, gelet op de hiervoor (r.o. 4.6-4.7) besproken feiten en omstandigheden, ook niet gebleken. Proceskosten 4.9. [opposante] is in het ongelijk gesteld en moet daarom – naar ambtshalve oordeel van de rechtbank - de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Defam worden begroot op: - salaris advocaat € 979,50 (1,5 punten × € 653,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.168,50 5 De beslissing De rechtbank: 5.1. verklaart [opposante] niet-ontvankelijk in haar verzet; 5.2. veroordeelt [opposante] in de proceskosten van Defam van € 1.168,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend. Dit vonnis is gewezen door mr. L. Kelkensberg en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026. Type: 2513. [opposante] was niet in persoon bij de mondelinge behandeling aanwezig. Enige tijd na aanvang van de mondelinge behandeling heeft zij hier, met instemming van alle aanwezigen, telefonisch aan deelgenomen.
Volledig
Zoals hiervoor is vastgesteld, zijn [opposante] en haar voormalig echtgenoot bij verstekvonnis van deze rechtbank van 25 mei 2005 hoofdelijk veroordeeld om te betalen aan de rechtsvoorganger van Defam een bedrag van € 11.054,82, te vermeerderen met overeengekomen rente (te maximeren conform wettelijke consumentenkredietvergoeding), met veroordeling van [opposante] en haar (voormalig) echtgenoot in de proceskosten. 3.2. [opposante] vordert in deze verzetprocedure dat zij zal worden ontheven van de veroordeling tegen haar uitgesproken bij voornoemd verstekvonnis, met niet-ontvankelijkheid of ontzegging van de oorspronkelijke vordering en veroordeling van Defam in de kosten van deze verzetprocedure. 3.3. [opposante] legt hieraan het volgende ten grondslag. [opposante] heeft pas in september 2025 kennisgenomen van het verstekvonnis, waarin zij en haar (voormalig) echtgenoot hoofdelijk zijn veroordeeld om aan Direktbank te betalen een bedrag van € 11.000,00, te vermeerderen met rente en kosten. Defam executeert het verstekvonnis, zonder dat [opposante] duidelijk is wat de positie van Defam is, of de vordering aan Defam is gecedeerd en of Defam gevolmachtigd is. [opposante] is het niet eens met de veroordeling in het verstekvonnis, want zij heeft geen geldleningsovereenkomst gesloten met Direktbank of ingestemd met een geldlening tussen Direktbank en haar (voormalig) echtgenoot. Het verstekvonnis moet worden vernietigd en het verzet richt zich tegen degene die het verstekvonnis executeert, aldus [opposante]. 3.4. Defam concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [opposante], omdat zij niet tijdig in verzet is gekomen van het verstekvonnis. Inhoudelijk blijft zij bij haar vorderingen en standpunten zoals ingenomen in de dagvaarding van 15 april 2005 en nader onderbouwd in deze verzetprocedure. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. De eerste vraag die voorligt, is of het verzet van [opposante] tijdig is ingesteld. In artikel 143 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (‘Rv’) is - kort gezegd - bepaald dat de verzettermijn begint te lopen op het moment dat het verstekvonnis is betekend in persoon of als sprake is van een daad van bekendheid waaruit blijkt dat de veroordeelde van het verstekvonnis op de hoogte is, of zodra de executie van het verstekvonnis ten uitvoer is gelegd. 4.2. Vast staat dat het verstekvonnis waarin de vordering van (de rechtsvoorganger van) Defam is toegewezen, niet aan [opposante] in persoon is betekend. Ook is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat [opposante] een daad van bekendheid heeft verricht in de zin van artikel 143 lid 2 Rv waardoor de verzettermijn is gaan lopen en vóór 13 oktober 2025 (de datum van de verzetdagvaarding) was verstreken. 4.3. Op grond van artikel 143 lid 2 en lid 3 Rv geldt dat het verzet moet worden ingesteld binnen vier weken (of acht in geval van werkelijk verblijf in het buitenland) vanaf de dag waarop het verstekvonnis ten uitvoer is gelegd. Volgens artikel 144 sub a Rv wordt een vonnis in het geval van gerechtelijke verkoop van goederen geacht ten uitvoer te zijn gelegd na de verkoop. In die situatie is het mogelijk dat de verzettermijn gaat lopen en verstrijkt zonder dat de veroordeelde met het verstekvonnis bekend is. 4.4. Bij exploot van 19 augustus 2005 is executoriaal beslag gelegd op de gezamenlijke woning (zie r.o. 2.11) en daarna is een proces-verbaal van deze beslaglegging overbetekend aan [opposante]. De gezamenlijke woning is executoriaal verkocht in 2006 (zie r.o. 2.20). Er is dus sprake van een gerechtelijke tenuitvoerlegging van het verstekvonnis op onroerende zaken, in de zin van artikel 502 e.v. Rv, in samenhang met artikel 430 e.v. Rv. Na de executoriale verkoop van de woning moet het verstekvonnis ingevolge artikel 144 sub a Rv worden geacht ten uitvoer te zijn gelegd. Gelet hierop is de verzettermijn van vier of acht weken gaan lopen in 2006 en was deze termijn (dus) ruimschoots verstreken op het moment dat [opposante] de verzetdagvaarding uitbracht op 13 oktober 2025. Dit betekent dat [opposante] te laat een verzetdagvaarding heeft uitgebracht en niet in haar verzet kan worden ontvangen. 4.5. Dat [opposante] ter zitting naar voren heeft gebracht dat zij ervan uitging dat de woning werd geveild door de hypotheekverstrekker, omdat (ook) daar sprake was van betalingsachterstanden, maakt dit niet anders. Daarvoor is het volgende redengevend. 4.6. In dezelfde periode dat kennelijk sprake was van betalingsachterstanden bij de hypotheekverstrekker, is de inleidende dagvaarding waarmee (de rechtsvoorganger van) Defam een (hoofdelijke) vordering heeft ingesteld tegen [opposante] en haar (voormalig) echtgenoot, betekend aan [opposante] in persoon (zie r.o. 2.7). Verder is uit een logboek van de afdeling debiteurenbeheer van (de rechtsvoorganger van) Defam af te leiden dat er in de daaraan voorafgaande periode (tussen 15 oktober 2001 en 7 mei 2004) meermaals telefonisch contact is geweest met [opposante] over betalingsachterstanden bij de Kredietovereenkomst en dat [opposante] in die gesprekken toezeggingen voor deelbetalingen heeft gedaan. Namens Defam is ter zitting toegelicht dat die toezeggingen soms zijn nagekomen. Bij deze stand van zaken houdt de rechtbank het ervoor dat [opposante] ervan op de hoogte was, of in ieder geval ervan op de hoogte had kunnen zijn, dat er in de periode dat er kennelijk ook betalingsproblemen waren bij de hypotheekverstrekker en de woning werd geveild, tevens sprake was van betalingsachterstanden bij (de rechtsvoorganger van) Defam en dat uit dien hoofde mogelijk een (hoofdelijke) vordering op haar zou worden verhaald. 4.7. Ter zitting heeft [opposante] desgevraagd verteld dat zij wist van de executieveiling van de gezamenlijke woning in 2006. [opposante] is naar eigen zeggen juist vanwege de executieveiling van de gezamenlijke woning uit Nederland vertrokken en heeft vervolgens enkele jaren in [land] verbleven. Zij heeft zich niet uitgeschreven in [plaats]. Dat alle exploten over de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis en de overdracht van de vordering op Defam zijn uitgebracht (op twee verschillende adressen) in [plaats], waar [opposante] toen niet meer verbleef, komt onder deze omstandigheden voor haar rekening en risico. 4.8. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat onder omstandigheden onverkorte toepassing van de regeling van de verzettermijn achterwege moet blijven als die tot een resultaat leidt dat niet voldoet aan de eisen van een eerlijk proces, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM. Dat hiervan in dit geval sprake is, is niet gesteld en, gelet op de hiervoor (r.o. 4.6-4.7) besproken feiten en omstandigheden, ook niet gebleken. Proceskosten 4.9. [opposante] is in het ongelijk gesteld en moet daarom – naar ambtshalve oordeel van de rechtbank - de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Defam worden begroot op: - salaris advocaat € 979,50 (1,5 punten × € 653,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.168,50 5 De beslissing De rechtbank: 5.1. verklaart [opposante] niet-ontvankelijk in haar verzet; 5.2. veroordeelt [opposante] in de proceskosten van Defam van € 1.168,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend. Dit vonnis is gewezen door mr. L. Kelkensberg en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026. Type: 2513. [opposante] was niet in persoon bij de mondelinge behandeling aanwezig. Enige tijd na aanvang van de mondelinge behandeling heeft zij hier, met instemming van alle aanwezigen, telefonisch aan deelgenomen.