Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-03
ECLI:NL:RBDHA:2025:9818
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,593 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.21570
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D.H. Yabasun),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 8 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft op 9 mei 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [datum] 1974. Eiser heeft op 1 december 2024 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. In dit artikel is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit EU-VIS is gebleken dat eiser door Roemenië in het bezit is gesteld van een visum, dat geldig was van 21 oktober 2024 tot 18 april 2025. Op grond van artikel 12, tweede lid van de Dublinverordening heeft verweerder aan Roemenië een verzoek om overname gedaan. Op 17 maart 2025 hebben de Roemeense autoriteiten het verzoek aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Roemenië vast staat.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Er is in Roemenië sprake van een gebrekkige opvang en hij vreest daarom voor een verslechtering van zijn mentale en fysieke toestand bij terugkeer. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser naar het AIDA-rapport van mei 2023. Volgens eiser volgt hieruit dat de hygiënische omstandigheden in de opvangvoorzieningen als ontoereikend zijn. Het kan niet worden uitgesloten dat eiser hier bij terugkeer naar Roemenië niet mee te maken krijgt. Tot slot beroept eiser zich op artikel 17 van de Dublinverordening vanwege zijn medische omstandigheden. Eiser ervaart klachten vanwege zijn lever. In beroep heeft hij een document overgelegd waaruit blijkt dat er op 24 juni 2025 onderzoeken in het ziekenhuis plaatsvinden. Om deze reden getuigt overdracht aan Roemenië van onevenredige hardheid.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Verweerder mag er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel vanuit gaan dat Roemenië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld in haar uitspraak van 27 december 2023. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat daar in zijn geval niet vanuit kan worden gegaan. Eiser is hier niet in geslaagd. Het AIDA-rapport waar eiser naar verwijst is door de Afdeling meegenomen in genoemde uitspraak en leidt daarom niet tot een ander oordeel. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de situatie nu wezenlijk anders is dan de situatie die de Afdeling heeft betrokken in haar uitspraak. In het geval eiser eventueel problemen zou ervaren na zijn overdracht aan Roemenië dient hij daarover te klagen bij de competente (hogere) Roemeense autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
5. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening komt verweerder een discretionaire bevoegdheid toe. Hierin is bepaald dat in afwijking van artikel 3, eerste lid, elke lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. Verweerder maakt hier terughoudend gebruik van, namelijk in situaties waarin overdracht getuigt van onevenredige hardheid.
6. In de door eiser genoemde medische klachten heeft verweerder terecht geen bijzondere omstandigheden aanwezig hoeven achten die maken dat overdracht aan Roemenië getuigt van onevenredige hardheid. Het uitgangspunt is dat verweerder ervan uit mag gaan dat in de verantwoordelijke lidstaat de medische voorzieningen vergelijkbaar zijn met die in andere lidstaten en ook ter beschikking staan van Dublinclaimanten. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat dit uitgangspunt in zijn geval niet opgaat. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij na de overdracht aan Roemenië geen medische behandeling zal kunnen verkrijgen, mocht hij dat nodig hebben. Bovendien zijn er geen aanwijzingen dat Nederland het meest aangewezen land is voor de medische behandeling van eiser.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 3 juni 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Vreemdelingenwet 2000.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
AIDA Country Report: Romania 2022 update mei 2023.
ECLI:NL:RVS:2023:4844, en meer recent de uitspraak van 22 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2970.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.21570
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D.H. Yabasun),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 8 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft op 9 mei 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [datum] 1974. Eiser heeft op 1 december 2024 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. In dit artikel is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit EU-VIS is gebleken dat eiser door Roemenië in het bezit is gesteld van een visum, dat geldig was van 21 oktober 2024 tot 18 april 2025. Op grond van artikel 12, tweede lid van de Dublinverordening heeft verweerder aan Roemenië een verzoek om overname gedaan. Op 17 maart 2025 hebben de Roemeense autoriteiten het verzoek aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Roemenië vast staat.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Er is in Roemenië sprake van een gebrekkige opvang en hij vreest daarom voor een verslechtering van zijn mentale en fysieke toestand bij terugkeer. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser naar het AIDA-rapport van mei 2023. Volgens eiser volgt hieruit dat de hygiënische omstandigheden in de opvangvoorzieningen als ontoereikend zijn. Het kan niet worden uitgesloten dat eiser hier bij terugkeer naar Roemenië niet mee te maken krijgt. Tot slot beroept eiser zich op artikel 17 van de Dublinverordening vanwege zijn medische omstandigheden. Eiser ervaart klachten vanwege zijn lever. In beroep heeft hij een document overgelegd waaruit blijkt dat er op 24 juni 2025 onderzoeken in het ziekenhuis plaatsvinden. Om deze reden getuigt overdracht aan Roemenië van onevenredige hardheid.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Verweerder mag er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel vanuit gaan dat Roemenië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld in haar uitspraak van 27 december 2023. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat daar in zijn geval niet vanuit kan worden gegaan. Eiser is hier niet in geslaagd. Het AIDA-rapport waar eiser naar verwijst is door de Afdeling meegenomen in genoemde uitspraak en leidt daarom niet tot een ander oordeel. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de situatie nu wezenlijk anders is dan de situatie die de Afdeling heeft betrokken in haar uitspraak. In het geval eiser eventueel problemen zou ervaren na zijn overdracht aan Roemenië dient hij daarover te klagen bij de competente (hogere) Roemeense autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
5. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening komt verweerder een discretionaire bevoegdheid toe. Hierin is bepaald dat in afwijking van artikel 3, eerste lid, elke lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. Verweerder maakt hier terughoudend gebruik van, namelijk in situaties waarin overdracht getuigt van onevenredige hardheid.
6. In de door eiser genoemde medische klachten heeft verweerder terecht geen bijzondere omstandigheden aanwezig hoeven achten die maken dat overdracht aan Roemenië getuigt van onevenredige hardheid. Het uitgangspunt is dat verweerder ervan uit mag gaan dat in de verantwoordelijke lidstaat de medische voorzieningen vergelijkbaar zijn met die in andere lidstaten en ook ter beschikking staan van Dublinclaimanten. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat dit uitgangspunt in zijn geval niet opgaat. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij na de overdracht aan Roemenië geen medische behandeling zal kunnen verkrijgen, mocht hij dat nodig hebben. Bovendien zijn er geen aanwijzingen dat Nederland het meest aangewezen land is voor de medische behandeling van eiser.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 3 juni 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Vreemdelingenwet 2000.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
AIDA Country Report: Romania 2022 update mei 2023.
ECLI:NL:RVS:2023:4844, en meer recent de uitspraak van 22 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2970.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.21570
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D.H. Yabasun),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 8 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft op 9 mei 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [datum] 1974. Eiser heeft op 1 december 2024 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. In dit artikel is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit EU-VIS is gebleken dat eiser door Roemenië in het bezit is gesteld van een visum, dat geldig was van 21 oktober 2024 tot 18 april 2025. Op grond van artikel 12, tweede lid van de Dublinverordening heeft verweerder aan Roemenië een verzoek om overname gedaan. Op 17 maart 2025 hebben de Roemeense autoriteiten het verzoek aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Roemenië vast staat.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Er is in Roemenië sprake van een gebrekkige opvang en hij vreest daarom voor een verslechtering van zijn mentale en fysieke toestand bij terugkeer. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser naar het AIDA-rapport van mei 2023. Volgens eiser volgt hieruit dat de hygiënische omstandigheden in de opvangvoorzieningen als ontoereikend zijn. Het kan niet worden uitgesloten dat eiser hier bij terugkeer naar Roemenië niet mee te maken krijgt. Tot slot beroept eiser zich op artikel 17 van de Dublinverordening vanwege zijn medische omstandigheden. Eiser ervaart klachten vanwege zijn lever. In beroep heeft hij een document overgelegd waaruit blijkt dat er op 24 juni 2025 onderzoeken in het ziekenhuis plaatsvinden. Om deze reden getuigt overdracht aan Roemenië van onevenredige hardheid.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Verweerder mag er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel vanuit gaan dat Roemenië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld in haar uitspraak van 27 december 2023. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat daar in zijn geval niet vanuit kan worden gegaan. Eiser is hier niet in geslaagd. Het AIDA-rapport waar eiser naar verwijst is door de Afdeling meegenomen in genoemde uitspraak en leidt daarom niet tot een ander oordeel. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de situatie nu wezenlijk anders is dan de situatie die de Afdeling heeft betrokken in haar uitspraak. In het geval eiser eventueel problemen zou ervaren na zijn overdracht aan Roemenië dient hij daarover te klagen bij de competente (hogere) Roemeense autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
5. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening komt verweerder een discretionaire bevoegdheid toe. Hierin is bepaald dat in afwijking van artikel 3, eerste lid, elke lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. Verweerder maakt hier terughoudend gebruik van, namelijk in situaties waarin overdracht getuigt van onevenredige hardheid.
6. In de door eiser genoemde medische klachten heeft verweerder terecht geen bijzondere omstandigheden aanwezig hoeven achten die maken dat overdracht aan Roemenië getuigt van onevenredige hardheid. Het uitgangspunt is dat verweerder ervan uit mag gaan dat in de verantwoordelijke lidstaat de medische voorzieningen vergelijkbaar zijn met die in andere lidstaten en ook ter beschikking staan van Dublinclaimanten. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat dit uitgangspunt in zijn geval niet opgaat. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij na de overdracht aan Roemenië geen medische behandeling zal kunnen verkrijgen, mocht hij dat nodig hebben. Bovendien zijn er geen aanwijzingen dat Nederland het meest aangewezen land is voor de medische behandeling van eiser.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 3 juni 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Vreemdelingenwet 2000.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
AIDA Country Report: Romania 2022 update mei 2023.
ECLI:NL:RVS:2023:4844, en meer recent de uitspraak van 22 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2970.