Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-03
ECLI:NL:RBDHA:2025:9727
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
4,738 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18586
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. M.A.M. Karsten),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. R.R. Scholtens).
Procesverloop
Verweerder heeft met het besluit van 18 april 2025 ambtshalve besloten dat verzoeker niet in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op medische gronden op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, A. El Manouzi als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Spoedeisend belang
1.1.
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
1.2.
Verzoeker heeft aangevoerd dat er spoedeisend belang is omdat hij niet rechtmatig in Nederland verblijft en kan worden uitgezet. Verzoeker verblijft thans in
vreemdelingenbewaring. Verzoeker heeft ernstige medische problemen en meent dat de benodigde medische behandeling niet voor hem toegankelijk is in Marokko. Als verzoeker wordt uitgezet, kan dit onomkeerbare gevolgen hebben. Uitzetting zal volgens verzoeker in strijd zijn met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) omdat er een medische noodsituatie (op korte
termijn) zou ontstaan.
1.3.
In de omstandigheid dat verzoeker in vreemdelingenbewaring is gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, welke maatregel het doel heeft om verzoeker uit te zetten, ziet de voorzieningenrechter voldoende aanleiding om spoedeisend belang aan te nemen. Toewijzing van het onderhavige verzoek kan bovendien gevolgen hebben voor de inbewaringstelling van verzoeker.
Bestreden besluit
2. Verweerder heeft zijn standpunt dat er geen aanleiding is voor uitstel voor vertrek op grond van artikel 64 van de Vw gebaseerd op het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA-advies) van 25 februari 2025. Uit dit BMA-advies blijkt dat verzoeker niet in staat is om te reizen, tenzij hij direct na de reis fysiek kan worden overgedragen aan Ibn Rochd University Hospital Center te Casablanca. Het BMA heeft ook reisvoorwaarden gesteld voor de periode voorafgaand aan en tijdens de reis. Uit het BMA-advies blijkt verder dat bij het uitblijven van de medische behandeling een medische noodsituatie binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden wordt verwacht en dat de noodzakelijke medische behandeling in Marokko aanwezig is, namelijk in het eerder genoemde Ibn Rochd University Hospital Center in Casablanca. Ook de benodigde medicatie is in Marokko voorhanden. Ten slotte is in het advies aanbevolen dat verzoeker een schriftelijke overdracht van zijn medische gegevens meeneemt en voldoende medicatie om de periode van de reis te overbruggen. Volgens verweerder heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat de benodigde zorg voor hem feitelijk niet toegankelijk is. Dat verzoeker in bewijsnood verkeert, volgt verweerder niet.
Standpunt verzoeker
3. Verzoeker stelt dat hij geen toegang heeft tot adequate gezondheidszorg in Marokko. In de eerste plaats vanwege capaciteitsproblemen. Verzoeker verwijst in dit verband naar het nieuwsartikel “Ibn Rochd University Hospital Center in Casablanca: central role as a pillar of tertiary healthcare delivery in the Casablanca-Settat region” van Hibapress van 24 december 2024. In de tweede plaats stelt verzoeker dat hij de benodigde zorg in Marokko niet kan bekostigen. Voor een zorgverzekering komt hij niet in aanmerking en hij kan ook niet terugvallen op familie of de Marokkaanse overheid voor financiële steun. Gelet op zijn persoonlijke omstandigheden is het onredelijk om te verlangen dat hij zijn stellingen over de feitelijke toegankelijkheid van de zorg met bewijsstukken onderbouwt. Verzoeker heeft namelijk medische problemen, zit in vreemdelingenbewaring en heeft geen banden met Marokko. Verzoeker doet daarom een beroep op bewijsnood.
Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
4. Beoordeeld moet worden of het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter geeft hierover een voorlopig oordeel.
4.1.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar van verzoeker geen redelijke kans van slagen en zal het bestreden besluit naar verwachting in stand kunnen blijven. Daartoe wordt als volgt overwogen.
4.2.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraken van 15 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1268, en van 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1674, volgt dat een BMA-advies een deskundigenadvies is en dat verweerder, als hij een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich er op grond van artikel 3:2 van de Awb van moet vergewissen dat dit advies naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Als aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij zijn beoordeling in beginsel van de juistheid van dit advies uitgaan. Uit de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2017 volgt ook dat verzoeker de zorgvuldigheid, inzichtelijkheid en concludentie van het BMA-advies aan de orde kan stellen en concrete aanknopingspunten kan aanvoeren voor twijfel aan de inhoud van dat advies.
4.3.
Uit het BMA-advies van 25 februari 2025 blijkt dat verzoeker niet in staat is om te reizen, tenzij hij direct na de reis fysiek kan worden overgedragen aan Ibn Rochd University Hospital Center te Casablanca. Ook zijn er aanwijzingen dat enige medische voorzieningen noodzakelijk zijn voorafgaand aan, tijdens en direct na de reis. Verder wordt aanbevolen dat verzoeker in geval van terugkeer een schriftelijke overdracht van zijn medische gegevens meeneemt en om de medicatie te continueren tijdens de reis en voldoende medicatie mee te nemen om de periode van de reis te overbruggen. Bij het uitblijven van de medische behandeling verwacht het BMA een medische noodsituatie binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden. De noodzakelijke medische behandeling is evenwel in Marokko aanwezig. Uit een brondocument blijkt dat behandeling door een psychiater, zowel poliklinisch als klinisch, alsmede opname in een gesloten setting, gedwongen opname en crisisinterventie in geval van suïcidaliteit aanwezig is in Ibn Rochd University Hospital Center, Casablanca. Eveneens zijn behandeling door een psycholoog en verschillende behandelmogelijkheden voor PTSS-klachten aanwezig in deze zelfde instelling. Ook de benodigde (alternatieve) medicatie is in de Al Boudour Pharmacy Casablanca beschikbaar.
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat bij het uitblijven van medische behandeling er binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden een medische noodsituatie wordt verwacht. Ook staat vast dat de benodigde medische behandeling in Marokko aanwezig is.
In geschil is wel of de noodzakelijke medische behandeling in Marokko feitelijk toegankelijk is voor verzoeker.
4.5.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 29 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:984) en de uitspraak van 16 oktober 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3876) blijkt dat uit het arrest Paposhvili (het arrest van het EHRM van 13 december 2016, Paposhvili tegen België, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810, paragraaf 186) wordt afgeleid dat de drempel onverminderd hoog blijft voor een beroep op artikel 3 van het EVRM in zaken die gaan over het uitzetten van ernstig zieke vreemdelingen. Daarnaast heeft de Afdeling uit dit arrest afgeleid dat het aan een vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij op grond van zijn slechte gezondheidstoestand een reëel risico in de zin van artikel 3 van het EVRM loopt.
Conclusie
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
P. Deinum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18586
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. M.A.M. Karsten),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. R.R. Scholtens).
Procesverloop
Verweerder heeft met het besluit van 18 april 2025 ambtshalve besloten dat verzoeker niet in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op medische gronden op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, A. El Manouzi als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Spoedeisend belang
1.1.
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
1.2.
Verzoeker heeft aangevoerd dat er spoedeisend belang is omdat hij niet rechtmatig in Nederland verblijft en kan worden uitgezet. Verzoeker verblijft thans in
vreemdelingenbewaring. Verzoeker heeft ernstige medische problemen en meent dat de benodigde medische behandeling niet voor hem toegankelijk is in Marokko. Als verzoeker wordt uitgezet, kan dit onomkeerbare gevolgen hebben. Uitzetting zal volgens verzoeker in strijd zijn met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) omdat er een medische noodsituatie (op korte
termijn) zou ontstaan.
1.3.
In de omstandigheid dat verzoeker in vreemdelingenbewaring is gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, welke maatregel het doel heeft om verzoeker uit te zetten, ziet de voorzieningenrechter voldoende aanleiding om spoedeisend belang aan te nemen. Toewijzing van het onderhavige verzoek kan bovendien gevolgen hebben voor de inbewaringstelling van verzoeker.
Bestreden besluit
2. Verweerder heeft zijn standpunt dat er geen aanleiding is voor uitstel voor vertrek op grond van artikel 64 van de Vw gebaseerd op het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA-advies) van 25 februari 2025. Uit dit BMA-advies blijkt dat verzoeker niet in staat is om te reizen, tenzij hij direct na de reis fysiek kan worden overgedragen aan Ibn Rochd University Hospital Center te Casablanca. Het BMA heeft ook reisvoorwaarden gesteld voor de periode voorafgaand aan en tijdens de reis. Uit het BMA-advies blijkt verder dat bij het uitblijven van de medische behandeling een medische noodsituatie binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden wordt verwacht en dat de noodzakelijke medische behandeling in Marokko aanwezig is, namelijk in het eerder genoemde Ibn Rochd University Hospital Center in Casablanca. Ook de benodigde medicatie is in Marokko voorhanden. Ten slotte is in het advies aanbevolen dat verzoeker een schriftelijke overdracht van zijn medische gegevens meeneemt en voldoende medicatie om de periode van de reis te overbruggen. Volgens verweerder heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat de benodigde zorg voor hem feitelijk niet toegankelijk is. Dat verzoeker in bewijsnood verkeert, volgt verweerder niet.
Standpunt verzoeker
3. Verzoeker stelt dat hij geen toegang heeft tot adequate gezondheidszorg in Marokko. In de eerste plaats vanwege capaciteitsproblemen. Verzoeker verwijst in dit verband naar het nieuwsartikel “Ibn Rochd University Hospital Center in Casablanca: central role as a pillar of tertiary healthcare delivery in the Casablanca-Settat region” van Hibapress van 24 december 2024. In de tweede plaats stelt verzoeker dat hij de benodigde zorg in Marokko niet kan bekostigen. Voor een zorgverzekering komt hij niet in aanmerking en hij kan ook niet terugvallen op familie of de Marokkaanse overheid voor financiële steun. Gelet op zijn persoonlijke omstandigheden is het onredelijk om te verlangen dat hij zijn stellingen over de feitelijke toegankelijkheid van de zorg met bewijsstukken onderbouwt. Verzoeker heeft namelijk medische problemen, zit in vreemdelingenbewaring en heeft geen banden met Marokko. Verzoeker doet daarom een beroep op bewijsnood.
Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
4. Beoordeeld moet worden of het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter geeft hierover een voorlopig oordeel.
4.1.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar van verzoeker geen redelijke kans van slagen en zal het bestreden besluit naar verwachting in stand kunnen blijven. Daartoe wordt als volgt overwogen.
4.2.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraken van 15 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1268, en van 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1674, volgt dat een BMA-advies een deskundigenadvies is en dat verweerder, als hij een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich er op grond van artikel 3:2 van de Awb van moet vergewissen dat dit advies naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Als aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij zijn beoordeling in beginsel van de juistheid van dit advies uitgaan. Uit de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2017 volgt ook dat verzoeker de zorgvuldigheid, inzichtelijkheid en concludentie van het BMA-advies aan de orde kan stellen en concrete aanknopingspunten kan aanvoeren voor twijfel aan de inhoud van dat advies.
4.3.
Uit het BMA-advies van 25 februari 2025 blijkt dat verzoeker niet in staat is om te reizen, tenzij hij direct na de reis fysiek kan worden overgedragen aan Ibn Rochd University Hospital Center te Casablanca. Ook zijn er aanwijzingen dat enige medische voorzieningen noodzakelijk zijn voorafgaand aan, tijdens en direct na de reis. Verder wordt aanbevolen dat verzoeker in geval van terugkeer een schriftelijke overdracht van zijn medische gegevens meeneemt en om de medicatie te continueren tijdens de reis en voldoende medicatie mee te nemen om de periode van de reis te overbruggen. Bij het uitblijven van de medische behandeling verwacht het BMA een medische noodsituatie binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden. De noodzakelijke medische behandeling is evenwel in Marokko aanwezig. Uit een brondocument blijkt dat behandeling door een psychiater, zowel poliklinisch als klinisch, alsmede opname in een gesloten setting, gedwongen opname en crisisinterventie in geval van suïcidaliteit aanwezig is in Ibn Rochd University Hospital Center, Casablanca. Eveneens zijn behandeling door een psycholoog en verschillende behandelmogelijkheden voor PTSS-klachten aanwezig in deze zelfde instelling. Ook de benodigde (alternatieve) medicatie is in de Al Boudour Pharmacy Casablanca beschikbaar.
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat bij het uitblijven van medische behandeling er binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden een medische noodsituatie wordt verwacht. Ook staat vast dat de benodigde medische behandeling in Marokko aanwezig is.
In geschil is wel of de noodzakelijke medische behandeling in Marokko feitelijk toegankelijk is voor verzoeker.
4.5.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 29 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:984) en de uitspraak van 16 oktober 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3876) blijkt dat uit het arrest Paposhvili (het arrest van het EHRM van 13 december 2016, Paposhvili tegen België, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810, paragraaf 186) wordt afgeleid dat de drempel onverminderd hoog blijft voor een beroep op artikel 3 van het EVRM in zaken die gaan over het uitzetten van ernstig zieke vreemdelingen. Daarnaast heeft de Afdeling uit dit arrest afgeleid dat het aan een vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij op grond van zijn slechte gezondheidstoestand een reëel risico in de zin van artikel 3 van het EVRM loopt.
Conclusie
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
P. Deinum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.