Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-19
ECLI:NL:RBDHA:2025:9671
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,352 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.15880
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedatum] 1987, van Nigeriaanse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en
de minister van Asiel en Migratie
,
(gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
1.1.
De minister heeft de aanvraag van eiser met het bestreden besluit van 28 maart 2025 niet in behandeling genomen, omdat België verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat ging er aan deze zaak vooraf?
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die regels staan in de Dublinverordening. De minister neemt in beginsel een asielaanvraag niet in behandeling als op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
5. Op 11 november 2023 heeft eiser voor het eerst een asielaanvraag in Nederland ingediend. De minister heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat België verantwoordelijk was voor deze aanvraag. Uit Eurodac bleek namelijk dat eiser op 13 mei 2022 in België een asielaanvraag had ingediend. De minister heeft daarom de Belgische autoriteiten op 12 december 2023 verzocht om eiser terug te nemen. De Belgische autoriteiten hebben dit verzoek op 18 december 2023 geaccepteerd. De verantwoordelijkheid van België voor eisers asielaanvraag is daarmee vast komen te staan.
6. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de weigering van de minister om zijn eerste aanvraag in behandeling te nemen. Dit beroep is ongegrond verklaard bij uitspraak van 8 mei 2024 door deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht. Eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak bij de Afdeling. Dit hoger beroep is bij uitspraak van 10 juni 2024 eveneens ongegrond verklaard.
7. Op 6 juni 2024 heeft de minister de overdrachtstermijn aan België verlengd met achttien maanden omdat eiser met onbekende bestemming was vertrokken.
8. Op 7 februari 2025 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag gedaan. De minister heeft met het bestreden besluit van 28 maart 2025 eisers opvolgende asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat België nog steeds verantwoordelijk is voor eisers asielaanvraag.
9. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
10. Op 23 april 2025 heeft de rechtbank eiser en de minister verzocht om hun standpunt te geven over de huidige situatie ten aanzien van de opvangvoorzieningen in België. Zowel eiser als de minister hebben hun standpunt gegeven.
Had de minister eiser moeten horen?
11. Eiser voert aan dat de minister hem ten onrechte niet heeft gehoord. Tijdens een gehoor had eiser toelichting kunnen geven op zijn medische klachten en de relatie met zijn minderjarige kinderen die zich in Nederland bevinden.
11.1.
De rechtbank overweegt dat eiser niet kenbaar heeft gemaakt bij zijn opvolgende aanvraag dat hij deze wilde baseren op zijn medische klachten of de aanwezigheid van zijn minderjarige kinderen in Nederland. De minister heeft daarom geen aanleiding hoeven te zien om eiser hierover te horen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Mag de minister ten aanzien van België uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
12. Eiser voert aan dat de minister ten aanzien van België niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Er zijn namelijk aanknopingspunten dat de opvangvoorzieningen in België systeemfouten bevatten die kunnen resulteren in een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. De opvangvoorzieningen in België zijn namelijk zo overbelast, dat alleenstaande meerderjarige niet kwetsbare mannen geen toegang krijgen tot de opvang. Eiser legt in dit kader een rapport van Amnesty International over van 2 april 2025. Ook wijst hij in dit kader op de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 17 maart 2025 en 11 april 2025.
12.1.
De minister is bekend met de omstandigheid dat België kampt met een tekort aan opvangplaatsen. Zij stelt zich echter op het standpunt dat zij ten aanzien van België nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De Afdeling dit heeft in haar uitspraak van 13 maart 2024 ook bevestigd. Sindsdien is de situatie in België niet wezenlijk veranderd. De opvangcapaciteit is zelfs iets toegenomen. In dit kader legt zij brieven over van haarzelf aan de Afdeling over dit onderwerp van 11 maart, 24 maart en 25 maart 2025. Hieruit volgt ook dat de Belgische autoriteiten de nodige inspanningen verrichten om de capaciteitsproblemen het hoofd te bieden. Hoewel nog steeds niet iedere asielzoeker in België direct toegang tot de reguliere opvang krijgt, betekent dit niet dat een persoon die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn wil en eigen keuzes om terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie als bedoeld in het arrest van het Hof in de zaak [naam]. De minister wijst in dit kader ook op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 25 maart 2025, waar hetzelfde uit volgt.
12.2.
Bij de beoordeling welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een door een vreemdeling bij één van de lidstaten ingediend asielverzoek, gaat de minister uit van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat België haar internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij de overdracht aan België, als gevolg van het niet nakomen van de internationale verplichtingen door de autoriteiten van België, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Eiser kan dit doen met landeninformatie en aan de hand van zijn eigen ervaringen. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in het geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, pas sprake zijn als die tekortkomingen structureel zijn en de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals bedoeld in het arrest [naam] . Dat wil zeggen dat een persoon buiten zijn wil en eigen keuzes om terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie. Als eiser onder verwijzing naar objectieve informatie betoogt dat de minister niet meer van het vermoeden kan uitgaan dat de aangezochte lidstaat aan zijn internationale verplichtingen zal voldoen, is het aan de minister om te motiveren dat zij nog altijd van dat vermoeden mag uitgaan.
12.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 25 maart 2025 volgt dat de wachttijd voor een opvangplek in april 2024 zes maanden bedroeg en dat deze wachttijd op 22 januari 2025 drie tot vier maanden bedroeg. Verder volgt uit deze uitspraak dat er 3.900 mensen op de wachtlijst stonden voor een opvangplek in augustus 2024 en dat er eind 2024 3.000 alleenstaande mannen op de wachtlijst stonden. De rechtbank overweegt verder dat uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem volgt dat de opvangcapaciteit in België over een periode van anderhalf jaar is uitgebreid. In maart 2023 waren er 34.020 opvangplekken; in maart 2024 waren er 35.600 opvangplekkenplekken; op 1 december 2024 waren er 36.501 opvangplekken; en op 1 januari 2025 waren er 36.205 opvangplekken.
12.4.
Deze cijfers over de wachttijden en het aantal mensen op de wachtlijst stroken met de informatie die volgt uit de brief van 24 maart 2025 van de minister aan de Afdeling. In die brief wordt verwezen naar cijfers van Fedasil, het Belgische federaal agentschap voor de opvang van asielzoekers. Hieruit volgt dat de wachttijd voor een opvangplek in januari 2025 vier maanden was en dat er 3.007 mensen op de wachtlijst stonden voor een opvangplek op 27 januari 2025.
Conclusie
13. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit niet toereikend is gemotiveerd en daardoor in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat het bestreden besluit van de minister waarmee eisers aanvraag niet in behandeling is genomen vernietigd wordt. De rechtbank draagt de minister op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op eisers aanvraag.
14. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de hoogte van deze vergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 28 maart 2025;
bepaalt dat de minister een nieuw besluit neemt op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat de minister de proceskosten van eiser moet vergoeden tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van mr.M.A. Hollander, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De minister van Asiel en Migratie is de rechtsopvolger van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Ter bevordering van de leesbaarheid wordt in deze uitspraak wordt alleen ‘de minister’ gebruikt.
Verordening (EU) 604/2013.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Zaaknummer NL24.16380.
Afdeling bestuursrechtspraak voor de Raad van State.
Zaaknummers 202403010/1/V3 en 202403010/2/V3.
Verdrag tot bescherming van rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
‘Unhoused and Unheared: how Belgium’s persistent failure to provide reception violates asylum seekers’ rights’; te vinden via de website van Amnesty International België.
ECLI:NL:RBDHA:2025:4124.
ECLI:NL:RBDHA:2025:6096.
ECLI:NL:RVS:2024:896.
Hof van Justite van de Europese Unie.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, van 19 maart 2019, ECLI:C:EU:2019:218.
ECLI:NL:RBDHA:2025:5581.
Zie het arrest genoemd in voetnoot 12.
Pagina 49.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.15880
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedatum] 1987, van Nigeriaanse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en
de minister van Asiel en Migratie
,
(gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
1.1.
De minister heeft de aanvraag van eiser met het bestreden besluit van 28 maart 2025 niet in behandeling genomen, omdat België verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat ging er aan deze zaak vooraf?
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die regels staan in de Dublinverordening. De minister neemt in beginsel een asielaanvraag niet in behandeling als op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
5. Op 11 november 2023 heeft eiser voor het eerst een asielaanvraag in Nederland ingediend. De minister heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat België verantwoordelijk was voor deze aanvraag. Uit Eurodac bleek namelijk dat eiser op 13 mei 2022 in België een asielaanvraag had ingediend. De minister heeft daarom de Belgische autoriteiten op 12 december 2023 verzocht om eiser terug te nemen. De Belgische autoriteiten hebben dit verzoek op 18 december 2023 geaccepteerd. De verantwoordelijkheid van België voor eisers asielaanvraag is daarmee vast komen te staan.
6. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de weigering van de minister om zijn eerste aanvraag in behandeling te nemen. Dit beroep is ongegrond verklaard bij uitspraak van 8 mei 2024 door deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht. Eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak bij de Afdeling. Dit hoger beroep is bij uitspraak van 10 juni 2024 eveneens ongegrond verklaard.
7. Op 6 juni 2024 heeft de minister de overdrachtstermijn aan België verlengd met achttien maanden omdat eiser met onbekende bestemming was vertrokken.
8. Op 7 februari 2025 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag gedaan. De minister heeft met het bestreden besluit van 28 maart 2025 eisers opvolgende asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat België nog steeds verantwoordelijk is voor eisers asielaanvraag.
9. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
10. Op 23 april 2025 heeft de rechtbank eiser en de minister verzocht om hun standpunt te geven over de huidige situatie ten aanzien van de opvangvoorzieningen in België. Zowel eiser als de minister hebben hun standpunt gegeven.
Had de minister eiser moeten horen?
11. Eiser voert aan dat de minister hem ten onrechte niet heeft gehoord. Tijdens een gehoor had eiser toelichting kunnen geven op zijn medische klachten en de relatie met zijn minderjarige kinderen die zich in Nederland bevinden.
11.1.
De rechtbank overweegt dat eiser niet kenbaar heeft gemaakt bij zijn opvolgende aanvraag dat hij deze wilde baseren op zijn medische klachten of de aanwezigheid van zijn minderjarige kinderen in Nederland. De minister heeft daarom geen aanleiding hoeven te zien om eiser hierover te horen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Mag de minister ten aanzien van België uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
12. Eiser voert aan dat de minister ten aanzien van België niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Er zijn namelijk aanknopingspunten dat de opvangvoorzieningen in België systeemfouten bevatten die kunnen resulteren in een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. De opvangvoorzieningen in België zijn namelijk zo overbelast, dat alleenstaande meerderjarige niet kwetsbare mannen geen toegang krijgen tot de opvang. Eiser legt in dit kader een rapport van Amnesty International over van 2 april 2025. Ook wijst hij in dit kader op de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 17 maart 2025 en 11 april 2025.
12.1.
De minister is bekend met de omstandigheid dat België kampt met een tekort aan opvangplaatsen. Zij stelt zich echter op het standpunt dat zij ten aanzien van België nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De Afdeling dit heeft in haar uitspraak van 13 maart 2024 ook bevestigd. Sindsdien is de situatie in België niet wezenlijk veranderd. De opvangcapaciteit is zelfs iets toegenomen. In dit kader legt zij brieven over van haarzelf aan de Afdeling over dit onderwerp van 11 maart, 24 maart en 25 maart 2025. Hieruit volgt ook dat de Belgische autoriteiten de nodige inspanningen verrichten om de capaciteitsproblemen het hoofd te bieden. Hoewel nog steeds niet iedere asielzoeker in België direct toegang tot de reguliere opvang krijgt, betekent dit niet dat een persoon die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn wil en eigen keuzes om terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie als bedoeld in het arrest van het Hof in de zaak [naam]. De minister wijst in dit kader ook op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 25 maart 2025, waar hetzelfde uit volgt.
12.2.
Bij de beoordeling welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een door een vreemdeling bij één van de lidstaten ingediend asielverzoek, gaat de minister uit van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat België haar internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij de overdracht aan België, als gevolg van het niet nakomen van de internationale verplichtingen door de autoriteiten van België, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Eiser kan dit doen met landeninformatie en aan de hand van zijn eigen ervaringen. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in het geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, pas sprake zijn als die tekortkomingen structureel zijn en de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals bedoeld in het arrest [naam] . Dat wil zeggen dat een persoon buiten zijn wil en eigen keuzes om terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie. Als eiser onder verwijzing naar objectieve informatie betoogt dat de minister niet meer van het vermoeden kan uitgaan dat de aangezochte lidstaat aan zijn internationale verplichtingen zal voldoen, is het aan de minister om te motiveren dat zij nog altijd van dat vermoeden mag uitgaan.
12.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 25 maart 2025 volgt dat de wachttijd voor een opvangplek in april 2024 zes maanden bedroeg en dat deze wachttijd op 22 januari 2025 drie tot vier maanden bedroeg. Verder volgt uit deze uitspraak dat er 3.900 mensen op de wachtlijst stonden voor een opvangplek in augustus 2024 en dat er eind 2024 3.000 alleenstaande mannen op de wachtlijst stonden. De rechtbank overweegt verder dat uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem volgt dat de opvangcapaciteit in België over een periode van anderhalf jaar is uitgebreid. In maart 2023 waren er 34.020 opvangplekken; in maart 2024 waren er 35.600 opvangplekkenplekken; op 1 december 2024 waren er 36.501 opvangplekken; en op 1 januari 2025 waren er 36.205 opvangplekken.
12.4.
Deze cijfers over de wachttijden en het aantal mensen op de wachtlijst stroken met de informatie die volgt uit de brief van 24 maart 2025 van de minister aan de Afdeling. In die brief wordt verwezen naar cijfers van Fedasil, het Belgische federaal agentschap voor de opvang van asielzoekers. Hieruit volgt dat de wachttijd voor een opvangplek in januari 2025 vier maanden was en dat er 3.007 mensen op de wachtlijst stonden voor een opvangplek op 27 januari 2025.
Conclusie
13. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit niet toereikend is gemotiveerd en daardoor in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat het bestreden besluit van de minister waarmee eisers aanvraag niet in behandeling is genomen vernietigd wordt. De rechtbank draagt de minister op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op eisers aanvraag.
14. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de hoogte van deze vergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 28 maart 2025;
bepaalt dat de minister een nieuw besluit neemt op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat de minister de proceskosten van eiser moet vergoeden tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van mr.M.A. Hollander, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De minister van Asiel en Migratie is de rechtsopvolger van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Ter bevordering van de leesbaarheid wordt in deze uitspraak wordt alleen ‘de minister’ gebruikt.
Verordening (EU) 604/2013.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Zaaknummer NL24.16380.
Afdeling bestuursrechtspraak voor de Raad van State.
Zaaknummers 202403010/1/V3 en 202403010/2/V3.
Verdrag tot bescherming van rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
‘Unhoused and Unheared: how Belgium’s persistent failure to provide reception violates asylum seekers’ rights’; te vinden via de website van Amnesty International België.
ECLI:NL:RBDHA:2025:4124.
ECLI:NL:RBDHA:2025:6096.
ECLI:NL:RVS:2024:896.
Hof van Justite van de Europese Unie.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, van 19 maart 2019, ECLI:C:EU:2019:218.
ECLI:NL:RBDHA:2025:5581.
Zie het arrest genoemd in voetnoot 12.
Pagina 49.