Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-12
ECLI:NL:RBDHA:2025:9590
Civiel recht
Kort geding
12,003 tokens
Inleiding
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/680899 / KG ZA 25-167
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 12 maart 2025
in de zaak van
[de vrouw] te [woonplaats 1] ,
eiseres,
advocaat mr. M.G. Pittaluga te Rotterdam,
tegen:
[de man] te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat mr. S. Kranendonk te ’s-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.
Aanwezig is mr. S.J. Hoekstra-van Vliet, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. I. Diephuis-Timmer, griffier.
Tevens zijn aanwezig de vrouw, vergezeld van haar advocaat, en de advocaat van de man. De man zelf is niet bij de zitting aanwezig.
Nadat partijen hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.
1De gronden van de beslissing
1.1.
Vaststaat dat partijen een relatie met elkaar hebben gehad. Zij hebben tot maart 2020 met elkaar samengewoond. De man heeft het notariële samenlevingscontract van partijen op 2 november 2020 opgezegd.
1.2.
Partijen zijn ook nu nog gezamenlijk eigenaar van de woning aan het [adres] te [plaats] (hierna: de woning). De vrouw woont sinds maart 2020 zonder de man in deze woning. Haar meerderjarige zoon (geboren op [geboortedag] 2002) uit een eerdere relatie woont bij de vrouw.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling van een eerdere kort gedingprocedure op 26 april 2024 hebben partijen afspraken gemaakt over de verdeling van de woning. Voor zover nu van belang hebben zij de volgende afspraken gemaakt:
4. Partijen zullen vóór 15 mei 2024 opdracht geven aan [bedrijf] Makelaardij om de woning te taxeren, waarbij deze taxatie zo spoedig mogelijk zal plaatsvinden. Partijen dragen de kosten van de taxatie elk voor de helft.
5. Beide partijen zijn aanwezig bij de taxatie.
6. [de vrouw] krijgt zes maanden na vandaag de tijd om de woning op haar naam te zetten en ervoor te zorgen dat [de man] uit de hoofdelijkheid wordt ontslagen. Indien dat niet haalbaar blijkt, zal de woning worden verkocht. Partijen zullen in overleg treden indien door onvoorziene omstandigheden de termijn van zes maanden niet haalbaar blijkt.
7. [de vrouw] zal [de man] in de eerste week van elke maand per e-mail op de hoogte stellen van de voortgang, ook als er de afgelopen periode geen ontwikkelingen zijn.
1.4.
De vrouw heeft op 6 september 2024 een ongeval gehad, als gevolg waarvan zij een intensief revalidatietraject moet volgen. De vrouw was op het moment van het ongeval net in dienst getreden bij een nieuwe werkgever, die vervolgens nog in de proeftijd de arbeidsovereenkomst van de vrouw heeft opgezegd.
1.5.
De vrouw heeft tot nu toe de woning niet op haar naam kunnen laten zetten onder ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. Zij heeft per e-mail van 16 oktober 2024 de man geïnformeerd over haar situatie en hem gevraagd om uitstel voor een half jaar om de woning over te kunnen nemen. Op 6 november 2024 heeft de advocaat van de man aan de advocaat van de vrouw bericht dat de man bereid is de vrouw tot 31 december 2024 de gelegenheid te geven de woning over te nemen.
1.6.
Bij dagvaarding van 13 januari 2025 heeft de man vervolgens bij de rechtbank Rotterdam een kort geding tegen de vrouw aanhangig gemaakt. Hij heeft daarin gevorderd dat de vrouw wordt veroordeeld haar medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan een derde. Bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 4 februari 2025 (hierna: het vonnis van 4 februari 2025) is de volgende veroordeling van de vrouw uitgesproken:
4.1 veroordeelt de vrouw om binnen twee weken na betekening van dit vonnis haar onvoorwaardelijke en onherroepelijke medewerking te verlenen om de woning aan het adres [adres] [postcode] in [plaats] zo spoedig mogelijk te verkopen en te leveren aan een derde, waaronder moet worden begrepen dat:
* de vrouw binnen twee weken na betekening van dit vonnis de verkoopopdracht geeft aan makelaarskantoor [bedrijf] Makelaars in [plaats 2] met een kopie daarvan aan de man zodat hij ook zijn verkoopopdracht kan verstrekken;
* de vrouw alle adviezen van de behandelend makelaar ter zake de bespoediging van de onderhandse verkoop van de woning opvolgt;
* de vrouw de makelaar op eerste verzoek de toegang tot de woning verschaft voor het (laten) maken van foto's en het doen van bezichtigingen aan (een) potentiële koper(s);
* de vrouw alle redelijke adviezen van de makelaar ter zake de prijsstelling van de woning en eventuele onderhoudswerkzaamheden (zowel het doen, als het laten daarvan) tot het tijdstip van de eigendomsoverdracht aan de toekomstige koper(s) opvolgt;
* de vrouw ter zake van de verkoop op eerste verzoek de koopovereenkomst ondertekent;
* de vrouw de woning moet verlaten met alle daarin aanwezig zijnde zaken, uiterlijk één dag voor de geplande levering van de woning aan de toekomstige koper(s);
* de vrouw aanwezig zal zijn bij de notaris ter zake van de levering van de woning aan de toekomstige koper(s), althans daarvoor een volmacht aan de notaris zal afgeven.
De vrouw is verder veroordeeld een dwangsom aan de man te betalen van € 250,-- per dag als zij de veroordeling niet nakomt, tot een maximum van € 10.000,--. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
1.7.
De vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 4 februari 2025.
1.8.
Tussen partijen is in geschil of de man het vonnis van 4 februari 2025 vooruitlopend op de uitkomst van het hoger beroep ten uitvoer mag leggen. De vrouw wil nog langer de tijd krijgen om de woning op haar naam te krijgen.
1.9.
De vrouw vordert in deze procedure, zakelijk weergegeven, dat de uitvoerbaarverklaring bij voorraad ofwel de tenuitvoerlegging van het vonnis van 4 februari 2025 wordt geschorst totdat het gerechtshof in hoger beroep uitspraak heeft gedaan, dan wel voor een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen duur. De man voert verweer tegen het gevorderde.
1.10.
Het gevorderde komt niet voor toewijzing in aanmerking. Daartoe is het volgende redengevend.
1.11.
Uitgangspunt is dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis moet worden nagekomen. In dit executiegeschil stelt de vrouw dat van dat uitgangspunt moet worden afgeweken, omdat er in het vonnis van 4 februari 2025 sprake is van een kennelijke misslag en omdat een belangenafweging in haar voordeel moet uitvallen. De voorzieningenrechter volgt de vrouw daarin niet.
Dictum
De voorzieningenrechter:
2.1.
wijst de vorderingen van de vrouw af;
2.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
WAARVAN PROCES-VERBAAL,
…………………………………. …………………………………
mr. I. Diephuis-Timmer mr. S.J. Hoekstra-van Vliet
Inleiding
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/680899 / KG ZA 25-167
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 12 maart 2025
in de zaak van
[de vrouw] te [woonplaats 1] ,
eiseres,
advocaat mr. M.G. Pittaluga te Rotterdam,
tegen:
[de man] te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat mr. S. Kranendonk te ’s-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.
Aanwezig is mr. S.J. Hoekstra-van Vliet, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. I. Diephuis-Timmer, griffier.
Tevens zijn aanwezig de vrouw, vergezeld van haar advocaat, en de advocaat van de man. De man zelf is niet bij de zitting aanwezig.
Nadat partijen hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.
1De gronden van de beslissing
1.1.
Vaststaat dat partijen een relatie met elkaar hebben gehad. Zij hebben tot maart 2020 met elkaar samengewoond. De man heeft het notariële samenlevingscontract van partijen op 2 november 2020 opgezegd.
1.2.
Partijen zijn ook nu nog gezamenlijk eigenaar van de woning aan het [adres] te [plaats] (hierna: de woning). De vrouw woont sinds maart 2020 zonder de man in deze woning. Haar meerderjarige zoon (geboren op [geboortedag] 2002) uit een eerdere relatie woont bij de vrouw.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling van een eerdere kort gedingprocedure op 26 april 2024 hebben partijen afspraken gemaakt over de verdeling van de woning. Voor zover nu van belang hebben zij de volgende afspraken gemaakt:
4. Partijen zullen vóór 15 mei 2024 opdracht geven aan [bedrijf] Makelaardij om de woning te taxeren, waarbij deze taxatie zo spoedig mogelijk zal plaatsvinden. Partijen dragen de kosten van de taxatie elk voor de helft.
5. Beide partijen zijn aanwezig bij de taxatie.
6. [de vrouw] krijgt zes maanden na vandaag de tijd om de woning op haar naam te zetten en ervoor te zorgen dat [de man] uit de hoofdelijkheid wordt ontslagen. Indien dat niet haalbaar blijkt, zal de woning worden verkocht. Partijen zullen in overleg treden indien door onvoorziene omstandigheden de termijn van zes maanden niet haalbaar blijkt.
7. [de vrouw] zal [de man] in de eerste week van elke maand per e-mail op de hoogte stellen van de voortgang, ook als er de afgelopen periode geen ontwikkelingen zijn.
1.4.
De vrouw heeft op 6 september 2024 een ongeval gehad, als gevolg waarvan zij een intensief revalidatietraject moet volgen. De vrouw was op het moment van het ongeval net in dienst getreden bij een nieuwe werkgever, die vervolgens nog in de proeftijd de arbeidsovereenkomst van de vrouw heeft opgezegd.
1.5.
De vrouw heeft tot nu toe de woning niet op haar naam kunnen laten zetten onder ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. Zij heeft per e-mail van 16 oktober 2024 de man geïnformeerd over haar situatie en hem gevraagd om uitstel voor een half jaar om de woning over te kunnen nemen. Op 6 november 2024 heeft de advocaat van de man aan de advocaat van de vrouw bericht dat de man bereid is de vrouw tot 31 december 2024 de gelegenheid te geven de woning over te nemen.
1.6.
Bij dagvaarding van 13 januari 2025 heeft de man vervolgens bij de rechtbank Rotterdam een kort geding tegen de vrouw aanhangig gemaakt. Hij heeft daarin gevorderd dat de vrouw wordt veroordeeld haar medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan een derde. Bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 4 februari 2025 (hierna: het vonnis van 4 februari 2025) is de volgende veroordeling van de vrouw uitgesproken:
4.1 veroordeelt de vrouw om binnen twee weken na betekening van dit vonnis haar onvoorwaardelijke en onherroepelijke medewerking te verlenen om de woning aan het adres [adres] [postcode] in [plaats] zo spoedig mogelijk te verkopen en te leveren aan een derde, waaronder moet worden begrepen dat:
* de vrouw binnen twee weken na betekening van dit vonnis de verkoopopdracht geeft aan makelaarskantoor [bedrijf] Makelaars in [plaats 2] met een kopie daarvan aan de man zodat hij ook zijn verkoopopdracht kan verstrekken;
* de vrouw alle adviezen van de behandelend makelaar ter zake de bespoediging van de onderhandse verkoop van de woning opvolgt;
* de vrouw de makelaar op eerste verzoek de toegang tot de woning verschaft voor het (laten) maken van foto's en het doen van bezichtigingen aan (een) potentiële koper(s);
* de vrouw alle redelijke adviezen van de makelaar ter zake de prijsstelling van de woning en eventuele onderhoudswerkzaamheden (zowel het doen, als het laten daarvan) tot het tijdstip van de eigendomsoverdracht aan de toekomstige koper(s) opvolgt;
* de vrouw ter zake van de verkoop op eerste verzoek de koopovereenkomst ondertekent;
* de vrouw de woning moet verlaten met alle daarin aanwezig zijnde zaken, uiterlijk één dag voor de geplande levering van de woning aan de toekomstige koper(s);
* de vrouw aanwezig zal zijn bij de notaris ter zake van de levering van de woning aan de toekomstige koper(s), althans daarvoor een volmacht aan de notaris zal afgeven.
De vrouw is verder veroordeeld een dwangsom aan de man te betalen van € 250,-- per dag als zij de veroordeling niet nakomt, tot een maximum van € 10.000,--. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
1.7.
De vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 4 februari 2025.
1.8.
Tussen partijen is in geschil of de man het vonnis van 4 februari 2025 vooruitlopend op de uitkomst van het hoger beroep ten uitvoer mag leggen. De vrouw wil nog langer de tijd krijgen om de woning op haar naam te krijgen.
1.9.
De vrouw vordert in deze procedure, zakelijk weergegeven, dat de uitvoerbaarverklaring bij voorraad ofwel de tenuitvoerlegging van het vonnis van 4 februari 2025 wordt geschorst totdat het gerechtshof in hoger beroep uitspraak heeft gedaan, dan wel voor een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen duur. De man voert verweer tegen het gevorderde.
1.10.
Het gevorderde komt niet voor toewijzing in aanmerking. Daartoe is het volgende redengevend.
1.11.
Uitgangspunt is dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis moet worden nagekomen. In dit executiegeschil stelt de vrouw dat van dat uitgangspunt moet worden afgeweken, omdat er in het vonnis van 4 februari 2025 sprake is van een kennelijke misslag en omdat een belangenafweging in haar voordeel moet uitvallen. De voorzieningenrechter volgt de vrouw daarin niet.
Dictum
De voorzieningenrechter:
2.1.
wijst de vorderingen van de vrouw af;
2.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
WAARVAN PROCES-VERBAAL,
…………………………………. …………………………………
mr. I. Diephuis-Timmer mr. S.J. Hoekstra-van Vliet
Inleiding
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/680899 / KG ZA 25-167
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 12 maart 2025
in de zaak van
[de vrouw] te [woonplaats 1] ,
eiseres,
advocaat mr. M.G. Pittaluga te Rotterdam,
tegen:
[de man] te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat mr. S. Kranendonk te ’s-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.
Aanwezig is mr. S.J. Hoekstra-van Vliet, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. I. Diephuis-Timmer, griffier.
Tevens zijn aanwezig de vrouw, vergezeld van haar advocaat, en de advocaat van de man. De man zelf is niet bij de zitting aanwezig.
Nadat partijen hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.
1De gronden van de beslissing
1.1.
Vaststaat dat partijen een relatie met elkaar hebben gehad. Zij hebben tot maart 2020 met elkaar samengewoond. De man heeft het notariële samenlevingscontract van partijen op 2 november 2020 opgezegd.
1.2.
Partijen zijn ook nu nog gezamenlijk eigenaar van de woning aan het [adres] te [plaats] (hierna: de woning). De vrouw woont sinds maart 2020 zonder de man in deze woning. Haar meerderjarige zoon (geboren op [geboortedag] 2002) uit een eerdere relatie woont bij de vrouw.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling van een eerdere kort gedingprocedure op 26 april 2024 hebben partijen afspraken gemaakt over de verdeling van de woning. Voor zover nu van belang hebben zij de volgende afspraken gemaakt:
4. Partijen zullen vóór 15 mei 2024 opdracht geven aan [bedrijf] Makelaardij om de woning te taxeren, waarbij deze taxatie zo spoedig mogelijk zal plaatsvinden. Partijen dragen de kosten van de taxatie elk voor de helft.
5. Beide partijen zijn aanwezig bij de taxatie.
6. [de vrouw] krijgt zes maanden na vandaag de tijd om de woning op haar naam te zetten en ervoor te zorgen dat [de man] uit de hoofdelijkheid wordt ontslagen. Indien dat niet haalbaar blijkt, zal de woning worden verkocht. Partijen zullen in overleg treden indien door onvoorziene omstandigheden de termijn van zes maanden niet haalbaar blijkt.
7. [de vrouw] zal [de man] in de eerste week van elke maand per e-mail op de hoogte stellen van de voortgang, ook als er de afgelopen periode geen ontwikkelingen zijn.
1.4.
De vrouw heeft op 6 september 2024 een ongeval gehad, als gevolg waarvan zij een intensief revalidatietraject moet volgen. De vrouw was op het moment van het ongeval net in dienst getreden bij een nieuwe werkgever, die vervolgens nog in de proeftijd de arbeidsovereenkomst van de vrouw heeft opgezegd.
1.5.
De vrouw heeft tot nu toe de woning niet op haar naam kunnen laten zetten onder ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. Zij heeft per e-mail van 16 oktober 2024 de man geïnformeerd over haar situatie en hem gevraagd om uitstel voor een half jaar om de woning over te kunnen nemen. Op 6 november 2024 heeft de advocaat van de man aan de advocaat van de vrouw bericht dat de man bereid is de vrouw tot 31 december 2024 de gelegenheid te geven de woning over te nemen.
1.6.
Bij dagvaarding van 13 januari 2025 heeft de man vervolgens bij de rechtbank Rotterdam een kort geding tegen de vrouw aanhangig gemaakt. Hij heeft daarin gevorderd dat de vrouw wordt veroordeeld haar medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan een derde. Bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 4 februari 2025 (hierna: het vonnis van 4 februari 2025) is de volgende veroordeling van de vrouw uitgesproken:
4.1 veroordeelt de vrouw om binnen twee weken na betekening van dit vonnis haar onvoorwaardelijke en onherroepelijke medewerking te verlenen om de woning aan het adres [adres] [postcode] in [plaats] zo spoedig mogelijk te verkopen en te leveren aan een derde, waaronder moet worden begrepen dat:
* de vrouw binnen twee weken na betekening van dit vonnis de verkoopopdracht geeft aan makelaarskantoor [bedrijf] Makelaars in [plaats 2] met een kopie daarvan aan de man zodat hij ook zijn verkoopopdracht kan verstrekken;
* de vrouw alle adviezen van de behandelend makelaar ter zake de bespoediging van de onderhandse verkoop van de woning opvolgt;
* de vrouw de makelaar op eerste verzoek de toegang tot de woning verschaft voor het (laten) maken van foto's en het doen van bezichtigingen aan (een) potentiële koper(s);
* de vrouw alle redelijke adviezen van de makelaar ter zake de prijsstelling van de woning en eventuele onderhoudswerkzaamheden (zowel het doen, als het laten daarvan) tot het tijdstip van de eigendomsoverdracht aan de toekomstige koper(s) opvolgt;
* de vrouw ter zake van de verkoop op eerste verzoek de koopovereenkomst ondertekent;
* de vrouw de woning moet verlaten met alle daarin aanwezig zijnde zaken, uiterlijk één dag voor de geplande levering van de woning aan de toekomstige koper(s);
* de vrouw aanwezig zal zijn bij de notaris ter zake van de levering van de woning aan de toekomstige koper(s), althans daarvoor een volmacht aan de notaris zal afgeven.
De vrouw is verder veroordeeld een dwangsom aan de man te betalen van € 250,-- per dag als zij de veroordeling niet nakomt, tot een maximum van € 10.000,--. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
1.7.
De vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 4 februari 2025.
1.8.
Tussen partijen is in geschil of de man het vonnis van 4 februari 2025 vooruitlopend op de uitkomst van het hoger beroep ten uitvoer mag leggen. De vrouw wil nog langer de tijd krijgen om de woning op haar naam te krijgen.
1.9.
De vrouw vordert in deze procedure, zakelijk weergegeven, dat de uitvoerbaarverklaring bij voorraad ofwel de tenuitvoerlegging van het vonnis van 4 februari 2025 wordt geschorst totdat het gerechtshof in hoger beroep uitspraak heeft gedaan, dan wel voor een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen duur. De man voert verweer tegen het gevorderde.
1.10.
Het gevorderde komt niet voor toewijzing in aanmerking. Daartoe is het volgende redengevend.
1.11.
Uitgangspunt is dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis moet worden nagekomen. In dit executiegeschil stelt de vrouw dat van dat uitgangspunt moet worden afgeweken, omdat er in het vonnis van 4 februari 2025 sprake is van een kennelijke misslag en omdat een belangenafweging in haar voordeel moet uitvallen. De voorzieningenrechter volgt de vrouw daarin niet.
Dictum
De voorzieningenrechter:
2.1.
wijst de vorderingen van de vrouw af;
2.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
WAARVAN PROCES-VERBAAL,
…………………………………. …………………………………
mr. I. Diephuis-Timmer mr. S.J. Hoekstra-van Vliet
Inleiding
Met betrekking tot de gestelde misslag
1.12.
De kennelijke misslag in het vonnis van 4 februari 2025 is er volgens de vrouw in gelegen dat partijen tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding op 26 april 2024 zijn overeengekomen dat zij in overleg zullen treden als de termijn van zes maanden die de vrouw had om de woning op haar naam te zetten door onvoorziene omstandigheden niet haalbaar zou blijken. Die onvoorziene omstandigheden hebben volgens de vrouw ook betrekking op de door het ongeval van de vrouw op 6 september 2024 ontstane situatie, als gevolg waarvan de vrouw naar haar zeggen de financiering om de woning over te kunnen nemen niet heeft kunnen krijgen. Het is volgens de vrouw een misslag dat de voorzieningenrechter in het vonnis van 4 februari 2025 dat niet tot uitgangspunt heeft genomen.
1.13.
Namens de man is gemotiveerd naar voren gebracht dat tijdens de zitting van 26 april 2024 is gesproken over de aard van de bedoelde onvoorziene omstandigheden. De advocaat van de man heeft verklaard dat zij zelf – anders dan de huidige advocaat van de vrouw – bij die zitting aanwezig was en dat de afspraak over onvoorziene omstandigheden slechts betrekking had op onvoorzien delay, te wijten aan derden, zoals een financieel adviseur of een notaris, als die niet snel genoeg zouden handelen. Zij heeft hierbij verwezen naar e-mails van de financieel adviseur van de vrouw die dateren van voor de zitting van 26 april 2024 en waarin al wordt gerefereerd aan een langere termijn van zes maanden. Volgens de advocaat van de man hebben partijen op die situatie willen anticiperen met de afspraak over de onvoorziene omstandigheden. De voorzieningenrechter acht dit aannemelijk en gaat ervan uit dat ook de voorzieningenrechter in het vonnis van 4 februari 2025 van de door de man bepleite uitleg van de clausule is uitgegaan. Daarmee is niet gebleken van een misslag in het vonnis van 4 februari 2025. Er is ook geen reden te twijfelen aan de verklaring van de advocaat van de man hieromtrent, mede gelet ook op de inhoud van de e-mails waar zij naar verwijst.
1.14.
Overigens, ook indien de vrouw wel zou worden gevolgd in haar standpunt dat er sprake is van een misslag in het vonnis van 4 februari 2025 en dat de onvoorziene omstandigheden wél ook betrekking hebben op de aan haar zijde ontstane situatie, dan baat dat haar niet. De afspraak tussen partijen houdt dan immers slechts in dat partijen in overleg moeten treden als door onvoorziene omstandigheden de termijn van zes maanden niet haalbaar blijkt. Dat overleg is er in dit geval ook geweest en als gevolg daarvan heeft de vrouw van de man nog twee maanden extra de tijd gekregen om de woning op haar naam te krijgen en de man te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Uit niets blijkt dat de afspraak om in overleg te treden de man zou verplichten in te stemmen met de door de vrouw beoogde lange extra termijn om de woning op haar naam te krijgen. De vrouw heeft na de aanvankelijk overeengekomen termijn van zes maanden (die dus liep tot 26 oktober 2024) ook feitelijk al bijna vijf maanden extra gekregen, maar zij is er nog steeds niet in geslaagd de woning op haar naam te krijgen. Onder die omstandigheden valt niet in te zien dat de man verplicht zou zijn de vrouw nog een extra termijn van een jaar of meer te geven. Dat zou strijdig zijn met het belang van de man om nu op korte termijn uit de onverdeeldheid te raken, in een situatie waarin het samenlevingscontract al jaren geleden is opgezegd.
De belangenafweging
1.15.
Ook een belangenafweging valt niet uit in het voordeel van de vrouw. Dat de vrouw na verkoop de woning moet verlaten is simpelweg het gevolg van de verdeling die partijen op 26 april 2024 zijn overeengekomen. De vrouw heeft feitelijk al vanaf 2020 de tijd gehad om te proberen de woning op haar naam te krijgen. De vrouw had vanaf dat moment ook kunnen weten dat zij op enig moment de woning zou moeten verlaten als zij zelf geen actie zou ondernemen om te komen tot uitkoop van de man. De vrouw heeft weliswaar naar voren gebracht dat de man zich na zijn vertrek uit de woning lang onbereikbaar heeft gehouden, maar dat stond er niet aan de weg dat de vrouw al eerder een vordering tegen de man om tot verdeling van de woning te komen had kunnen instellen. Kennelijk voelde de vrouw eerder geen urgentie om de woning over te nemen omdat zij zelf in de woning verbleef en een lage hypotheek betaalde. Vast staat in ieder geval dat de man al sinds (in elk geval) november 2023 tot verdeling wil komen. Dat er momenteel aan de zijde van de vrouw sprake is van een opeenstapeling van pech maakt het oordeel niet anders. Vast staat dat de vrouw nu geen baan heeft, waardoor geen hypotheek kan worden verkregen en ook overigens is niet gebleken dat zij op korte termijn in staat zal zijn de woning over te nemen. De problematische omstandigheden van de vrouw komen voor haar rekening en risico en betekenen niet dat de man daarom nu geen verdeling van de woning zou moeten kunnen realiseren.
1.16.
De voorzieningenrechter benadrukt daarbij nog dat er van de zijde van de vrouw geen enkele onderbouwing is gegeven van haar stelling dat zij op enig moment de woning wel zal kunnen financieren. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij op korte termijn weer een baan zal hebben en dat zij dan wel een financiering zal kunnen krijgen, al dan niet met behulp van haar zoon. De stellingen van de vrouw op dit punt zijn uiterst speculatief en nergens blijkt uit dat de vrouw een toereikende hypothecaire geldlening kan krijgen. Gelet op dit alles kan de man zonder meer aanspraak maken op nakoming van het vonnis van 4 februari 2025 en is er geen reden voor schorsing van de tenuitvoerlegging van dat vonnis.
1.17.
Van een noodtoestand aan de zijde van de vrouw is evenmin gebleken. Zij krijgt immers bij verkoop van de woning minimaal € 100.000,= aan overwaarde uit de woning en daarmee moet de vrouw in staat worden geacht (al dan niet tijdelijk) onderdak te vinden voor haarzelf en haar zoon.
Slotopmerking en proceskosten
1.18.
Tot slot merkt de voorzieningenrechter nog op dat ter zitting aan de orde is gekomen dat de verkopend makelaar heeft geadviseerd (opknap)werkzaamheden aan de woning te verrichten voordat deze te koop aangeboden wordt. Partijen zullen met elkaar in overleg moeten treden over de vraag of en in hoeverre zij de adviezen van de makelaar ter zake opvolgen, of dat zij er gezamenlijk voor kiezen de woning in de huidige staat te verkopen. Als er (al dan niet op gezag van de makelaar) opknapwerkzaamheden verricht moeten worden, dan zijn partijen voor de kosten en uitvoering daarvan (eventueel door derden in te schakelen) gezamenlijk verantwoordelijk. De vrouw is, gelet op haar fysieke conditie, niet in staat zelf die werkzaamheden uit te voeren.
1.19.
De vorderingen van de vrouw worden afgewezen. Ook de vordering van de man de vrouw in de proceskosten te veroordelen zal worden afgewezen. Deze zaak betreft een executiegeschil dat voortvloeit uit de beëindigde samenleving van partijen. Daarin ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat iedere partij de eigen kosten draagt. Hetgeen de man op dit punt naar voren heeft gebracht is, op dit moment, onvoldoende aanleiding om de vrouw te veroordelen in de proceskosten. Als de vrouw nu niet haar volle medewerking aan verkoop van de woning gaat verlenen, is echter niet uit te sluiten dat zij in een eventuele toekomstige procedure ter zake wel in de proceskosten zal worden veroordeeld.
Inleiding
Met betrekking tot de gestelde misslag
1.12.
De kennelijke misslag in het vonnis van 4 februari 2025 is er volgens de vrouw in gelegen dat partijen tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding op 26 april 2024 zijn overeengekomen dat zij in overleg zullen treden als de termijn van zes maanden die de vrouw had om de woning op haar naam te zetten door onvoorziene omstandigheden niet haalbaar zou blijken. Die onvoorziene omstandigheden hebben volgens de vrouw ook betrekking op de door het ongeval van de vrouw op 6 september 2024 ontstane situatie, als gevolg waarvan de vrouw naar haar zeggen de financiering om de woning over te kunnen nemen niet heeft kunnen krijgen. Het is volgens de vrouw een misslag dat de voorzieningenrechter in het vonnis van 4 februari 2025 dat niet tot uitgangspunt heeft genomen.
1.13.
Namens de man is gemotiveerd naar voren gebracht dat tijdens de zitting van 26 april 2024 is gesproken over de aard van de bedoelde onvoorziene omstandigheden. De advocaat van de man heeft verklaard dat zij zelf – anders dan de huidige advocaat van de vrouw – bij die zitting aanwezig was en dat de afspraak over onvoorziene omstandigheden slechts betrekking had op onvoorzien delay, te wijten aan derden, zoals een financieel adviseur of een notaris, als die niet snel genoeg zouden handelen. Zij heeft hierbij verwezen naar e-mails van de financieel adviseur van de vrouw die dateren van voor de zitting van 26 april 2024 en waarin al wordt gerefereerd aan een langere termijn van zes maanden. Volgens de advocaat van de man hebben partijen op die situatie willen anticiperen met de afspraak over de onvoorziene omstandigheden. De voorzieningenrechter acht dit aannemelijk en gaat ervan uit dat ook de voorzieningenrechter in het vonnis van 4 februari 2025 van de door de man bepleite uitleg van de clausule is uitgegaan. Daarmee is niet gebleken van een misslag in het vonnis van 4 februari 2025. Er is ook geen reden te twijfelen aan de verklaring van de advocaat van de man hieromtrent, mede gelet ook op de inhoud van de e-mails waar zij naar verwijst.
1.14.
Overigens, ook indien de vrouw wel zou worden gevolgd in haar standpunt dat er sprake is van een misslag in het vonnis van 4 februari 2025 en dat de onvoorziene omstandigheden wél ook betrekking hebben op de aan haar zijde ontstane situatie, dan baat dat haar niet. De afspraak tussen partijen houdt dan immers slechts in dat partijen in overleg moeten treden als door onvoorziene omstandigheden de termijn van zes maanden niet haalbaar blijkt. Dat overleg is er in dit geval ook geweest en als gevolg daarvan heeft de vrouw van de man nog twee maanden extra de tijd gekregen om de woning op haar naam te krijgen en de man te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Uit niets blijkt dat de afspraak om in overleg te treden de man zou verplichten in te stemmen met de door de vrouw beoogde lange extra termijn om de woning op haar naam te krijgen. De vrouw heeft na de aanvankelijk overeengekomen termijn van zes maanden (die dus liep tot 26 oktober 2024) ook feitelijk al bijna vijf maanden extra gekregen, maar zij is er nog steeds niet in geslaagd de woning op haar naam te krijgen. Onder die omstandigheden valt niet in te zien dat de man verplicht zou zijn de vrouw nog een extra termijn van een jaar of meer te geven. Dat zou strijdig zijn met het belang van de man om nu op korte termijn uit de onverdeeldheid te raken, in een situatie waarin het samenlevingscontract al jaren geleden is opgezegd.
De belangenafweging
1.15.
Ook een belangenafweging valt niet uit in het voordeel van de vrouw. Dat de vrouw na verkoop de woning moet verlaten is simpelweg het gevolg van de verdeling die partijen op 26 april 2024 zijn overeengekomen. De vrouw heeft feitelijk al vanaf 2020 de tijd gehad om te proberen de woning op haar naam te krijgen. De vrouw had vanaf dat moment ook kunnen weten dat zij op enig moment de woning zou moeten verlaten als zij zelf geen actie zou ondernemen om te komen tot uitkoop van de man. De vrouw heeft weliswaar naar voren gebracht dat de man zich na zijn vertrek uit de woning lang onbereikbaar heeft gehouden, maar dat stond er niet aan de weg dat de vrouw al eerder een vordering tegen de man om tot verdeling van de woning te komen had kunnen instellen. Kennelijk voelde de vrouw eerder geen urgentie om de woning over te nemen omdat zij zelf in de woning verbleef en een lage hypotheek betaalde. Vast staat in ieder geval dat de man al sinds (in elk geval) november 2023 tot verdeling wil komen. Dat er momenteel aan de zijde van de vrouw sprake is van een opeenstapeling van pech maakt het oordeel niet anders. Vast staat dat de vrouw nu geen baan heeft, waardoor geen hypotheek kan worden verkregen en ook overigens is niet gebleken dat zij op korte termijn in staat zal zijn de woning over te nemen. De problematische omstandigheden van de vrouw komen voor haar rekening en risico en betekenen niet dat de man daarom nu geen verdeling van de woning zou moeten kunnen realiseren.
1.16.
De voorzieningenrechter benadrukt daarbij nog dat er van de zijde van de vrouw geen enkele onderbouwing is gegeven van haar stelling dat zij op enig moment de woning wel zal kunnen financieren. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij op korte termijn weer een baan zal hebben en dat zij dan wel een financiering zal kunnen krijgen, al dan niet met behulp van haar zoon. De stellingen van de vrouw op dit punt zijn uiterst speculatief en nergens blijkt uit dat de vrouw een toereikende hypothecaire geldlening kan krijgen. Gelet op dit alles kan de man zonder meer aanspraak maken op nakoming van het vonnis van 4 februari 2025 en is er geen reden voor schorsing van de tenuitvoerlegging van dat vonnis.
1.17.
Van een noodtoestand aan de zijde van de vrouw is evenmin gebleken. Zij krijgt immers bij verkoop van de woning minimaal € 100.000,= aan overwaarde uit de woning en daarmee moet de vrouw in staat worden geacht (al dan niet tijdelijk) onderdak te vinden voor haarzelf en haar zoon.
Slotopmerking en proceskosten
1.18.
Tot slot merkt de voorzieningenrechter nog op dat ter zitting aan de orde is gekomen dat de verkopend makelaar heeft geadviseerd (opknap)werkzaamheden aan de woning te verrichten voordat deze te koop aangeboden wordt. Partijen zullen met elkaar in overleg moeten treden over de vraag of en in hoeverre zij de adviezen van de makelaar ter zake opvolgen, of dat zij er gezamenlijk voor kiezen de woning in de huidige staat te verkopen. Als er (al dan niet op gezag van de makelaar) opknapwerkzaamheden verricht moeten worden, dan zijn partijen voor de kosten en uitvoering daarvan (eventueel door derden in te schakelen) gezamenlijk verantwoordelijk. De vrouw is, gelet op haar fysieke conditie, niet in staat zelf die werkzaamheden uit te voeren.
1.19.
De vorderingen van de vrouw worden afgewezen. Ook de vordering van de man de vrouw in de proceskosten te veroordelen zal worden afgewezen. Deze zaak betreft een executiegeschil dat voortvloeit uit de beëindigde samenleving van partijen. Daarin ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat iedere partij de eigen kosten draagt. Hetgeen de man op dit punt naar voren heeft gebracht is, op dit moment, onvoldoende aanleiding om de vrouw te veroordelen in de proceskosten. Als de vrouw nu niet haar volle medewerking aan verkoop van de woning gaat verlenen, is echter niet uit te sluiten dat zij in een eventuele toekomstige procedure ter zake wel in de proceskosten zal worden veroordeeld.
Inleiding
Met betrekking tot de gestelde misslag
1.12.
De kennelijke misslag in het vonnis van 4 februari 2025 is er volgens de vrouw in gelegen dat partijen tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding op 26 april 2024 zijn overeengekomen dat zij in overleg zullen treden als de termijn van zes maanden die de vrouw had om de woning op haar naam te zetten door onvoorziene omstandigheden niet haalbaar zou blijken. Die onvoorziene omstandigheden hebben volgens de vrouw ook betrekking op de door het ongeval van de vrouw op 6 september 2024 ontstane situatie, als gevolg waarvan de vrouw naar haar zeggen de financiering om de woning over te kunnen nemen niet heeft kunnen krijgen. Het is volgens de vrouw een misslag dat de voorzieningenrechter in het vonnis van 4 februari 2025 dat niet tot uitgangspunt heeft genomen.
1.13.
Namens de man is gemotiveerd naar voren gebracht dat tijdens de zitting van 26 april 2024 is gesproken over de aard van de bedoelde onvoorziene omstandigheden. De advocaat van de man heeft verklaard dat zij zelf – anders dan de huidige advocaat van de vrouw – bij die zitting aanwezig was en dat de afspraak over onvoorziene omstandigheden slechts betrekking had op onvoorzien delay, te wijten aan derden, zoals een financieel adviseur of een notaris, als die niet snel genoeg zouden handelen. Zij heeft hierbij verwezen naar e-mails van de financieel adviseur van de vrouw die dateren van voor de zitting van 26 april 2024 en waarin al wordt gerefereerd aan een langere termijn van zes maanden. Volgens de advocaat van de man hebben partijen op die situatie willen anticiperen met de afspraak over de onvoorziene omstandigheden. De voorzieningenrechter acht dit aannemelijk en gaat ervan uit dat ook de voorzieningenrechter in het vonnis van 4 februari 2025 van de door de man bepleite uitleg van de clausule is uitgegaan. Daarmee is niet gebleken van een misslag in het vonnis van 4 februari 2025. Er is ook geen reden te twijfelen aan de verklaring van de advocaat van de man hieromtrent, mede gelet ook op de inhoud van de e-mails waar zij naar verwijst.
1.14.
Overigens, ook indien de vrouw wel zou worden gevolgd in haar standpunt dat er sprake is van een misslag in het vonnis van 4 februari 2025 en dat de onvoorziene omstandigheden wél ook betrekking hebben op de aan haar zijde ontstane situatie, dan baat dat haar niet. De afspraak tussen partijen houdt dan immers slechts in dat partijen in overleg moeten treden als door onvoorziene omstandigheden de termijn van zes maanden niet haalbaar blijkt. Dat overleg is er in dit geval ook geweest en als gevolg daarvan heeft de vrouw van de man nog twee maanden extra de tijd gekregen om de woning op haar naam te krijgen en de man te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Uit niets blijkt dat de afspraak om in overleg te treden de man zou verplichten in te stemmen met de door de vrouw beoogde lange extra termijn om de woning op haar naam te krijgen. De vrouw heeft na de aanvankelijk overeengekomen termijn van zes maanden (die dus liep tot 26 oktober 2024) ook feitelijk al bijna vijf maanden extra gekregen, maar zij is er nog steeds niet in geslaagd de woning op haar naam te krijgen. Onder die omstandigheden valt niet in te zien dat de man verplicht zou zijn de vrouw nog een extra termijn van een jaar of meer te geven. Dat zou strijdig zijn met het belang van de man om nu op korte termijn uit de onverdeeldheid te raken, in een situatie waarin het samenlevingscontract al jaren geleden is opgezegd.
De belangenafweging
1.15.
Ook een belangenafweging valt niet uit in het voordeel van de vrouw. Dat de vrouw na verkoop de woning moet verlaten is simpelweg het gevolg van de verdeling die partijen op 26 april 2024 zijn overeengekomen. De vrouw heeft feitelijk al vanaf 2020 de tijd gehad om te proberen de woning op haar naam te krijgen. De vrouw had vanaf dat moment ook kunnen weten dat zij op enig moment de woning zou moeten verlaten als zij zelf geen actie zou ondernemen om te komen tot uitkoop van de man. De vrouw heeft weliswaar naar voren gebracht dat de man zich na zijn vertrek uit de woning lang onbereikbaar heeft gehouden, maar dat stond er niet aan de weg dat de vrouw al eerder een vordering tegen de man om tot verdeling van de woning te komen had kunnen instellen. Kennelijk voelde de vrouw eerder geen urgentie om de woning over te nemen omdat zij zelf in de woning verbleef en een lage hypotheek betaalde. Vast staat in ieder geval dat de man al sinds (in elk geval) november 2023 tot verdeling wil komen. Dat er momenteel aan de zijde van de vrouw sprake is van een opeenstapeling van pech maakt het oordeel niet anders. Vast staat dat de vrouw nu geen baan heeft, waardoor geen hypotheek kan worden verkregen en ook overigens is niet gebleken dat zij op korte termijn in staat zal zijn de woning over te nemen. De problematische omstandigheden van de vrouw komen voor haar rekening en risico en betekenen niet dat de man daarom nu geen verdeling van de woning zou moeten kunnen realiseren.
1.16.
De voorzieningenrechter benadrukt daarbij nog dat er van de zijde van de vrouw geen enkele onderbouwing is gegeven van haar stelling dat zij op enig moment de woning wel zal kunnen financieren. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij op korte termijn weer een baan zal hebben en dat zij dan wel een financiering zal kunnen krijgen, al dan niet met behulp van haar zoon. De stellingen van de vrouw op dit punt zijn uiterst speculatief en nergens blijkt uit dat de vrouw een toereikende hypothecaire geldlening kan krijgen. Gelet op dit alles kan de man zonder meer aanspraak maken op nakoming van het vonnis van 4 februari 2025 en is er geen reden voor schorsing van de tenuitvoerlegging van dat vonnis.
1.17.
Van een noodtoestand aan de zijde van de vrouw is evenmin gebleken. Zij krijgt immers bij verkoop van de woning minimaal € 100.000,= aan overwaarde uit de woning en daarmee moet de vrouw in staat worden geacht (al dan niet tijdelijk) onderdak te vinden voor haarzelf en haar zoon.
Slotopmerking en proceskosten
1.18.
Tot slot merkt de voorzieningenrechter nog op dat ter zitting aan de orde is gekomen dat de verkopend makelaar heeft geadviseerd (opknap)werkzaamheden aan de woning te verrichten voordat deze te koop aangeboden wordt. Partijen zullen met elkaar in overleg moeten treden over de vraag of en in hoeverre zij de adviezen van de makelaar ter zake opvolgen, of dat zij er gezamenlijk voor kiezen de woning in de huidige staat te verkopen. Als er (al dan niet op gezag van de makelaar) opknapwerkzaamheden verricht moeten worden, dan zijn partijen voor de kosten en uitvoering daarvan (eventueel door derden in te schakelen) gezamenlijk verantwoordelijk. De vrouw is, gelet op haar fysieke conditie, niet in staat zelf die werkzaamheden uit te voeren.
1.19.
De vorderingen van de vrouw worden afgewezen. Ook de vordering van de man de vrouw in de proceskosten te veroordelen zal worden afgewezen. Deze zaak betreft een executiegeschil dat voortvloeit uit de beëindigde samenleving van partijen. Daarin ziet de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat iedere partij de eigen kosten draagt. Hetgeen de man op dit punt naar voren heeft gebracht is, op dit moment, onvoldoende aanleiding om de vrouw te veroordelen in de proceskosten. Als de vrouw nu niet haar volle medewerking aan verkoop van de woning gaat verlenen, is echter niet uit te sluiten dat zij in een eventuele toekomstige procedure ter zake wel in de proceskosten zal worden veroordeeld.