Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-28
ECLI:NL:RBDHA:2025:9541
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Mondelinge uitspraak
1,196 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.9532
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. J.W.F. Noot),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.R. Vreijsen).
Procesverloop
Bij besluit van 20 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 23 mei 2025 op zitting behandeld in Middelburg. Voor verweerder was zijn gemachtigde aanwezig. Eiser is niet ter zitting verschenen.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten af.
Overwegingen
Bij brief van 24 april 2025 heeft verweerder meegedeeld dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Op 22 mei 2025 heeft gemachtigde van eiser de rechtbank bericht dat hij na 2 april 2025 geen contact meer met eiser heeft kunnen krijgen. Ook is gemachtigde niet op de hoogte van eisers huidige verblijfplaats. Gelet hierop neemt de rechtbank aan dat eiser niet langer prijs stelt op de aanvankelijk gezochte internationale bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
Het beroep is niet-ontvankelijk.
Eiser krijgt geen vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten.
Deze uitspraak is op 23 mei 2025 uitgesproken in het openbaar door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.9532
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. J.W.F. Noot),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.R. Vreijsen).
Procesverloop
Bij besluit van 20 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 23 mei 2025 op zitting behandeld in Middelburg. Voor verweerder was zijn gemachtigde aanwezig. Eiser is niet ter zitting verschenen.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten af.
Overwegingen
Bij brief van 24 april 2025 heeft verweerder meegedeeld dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Op 22 mei 2025 heeft gemachtigde van eiser de rechtbank bericht dat hij na 2 april 2025 geen contact meer met eiser heeft kunnen krijgen. Ook is gemachtigde niet op de hoogte van eisers huidige verblijfplaats. Gelet hierop neemt de rechtbank aan dat eiser niet langer prijs stelt op de aanvankelijk gezochte internationale bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
Het beroep is niet-ontvankelijk.
Eiser krijgt geen vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten.
Deze uitspraak is op 23 mei 2025 uitgesproken in het openbaar door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.