Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-23
ECLI:NL:RBDHA:2025:9510
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,081 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.15243
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoekster]
, V-nummer: [V-nummer] , verzoekster,
(gemachtigde: mr. S. Jankie),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. R. Hopman).
Inleiding
1. Bij besluit van 30 maart 2025 heeft de minister aan verzoekster de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
1.1.
Verzoekster heeft tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft zij verzocht om een schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft op 4 april 2025 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat verzoekster is uitgezet. Verzoekster heeft daarop het beroep ingetrokken en de rechtbank gelijktijdig verzocht de minister te veroordelen in de proceskosten van verzoekster.
1.3.
De minister heeft desgevraagd op dit verzoek gereageerd.
1.4.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van de minister in de proceskosten.
Beoordeling
2. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
3. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan bij intrekking van het beroep in de proceskosten veroordeeld?
4. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.1
Is de minister aan verzoekster tegemoetgekomen?
5. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij heeft aangegeven op eigen gelegenheid te kunnen vertrekken en dat kon worden volstaan met een meldplicht. Bewaring was dus niet nodig. Mogelijk dat de rechtbank ambtshalve nog gronden ziet waarom de maatregel onrechtmatig was, aldus verzoekster.
5.1.
Nu het beroep is ingetrokken, moet uitsluitend worden beoordeeld of de minister met de opheffing van de bewaring geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen. Vaststaat dat de bewaring is opgeheven omdat verzoekster Nederland is uitgezet. De rechtbank heeft ook overigens geen aanleiding te veronderstellen dat de opheffing te maken heeft met de aangevoerde beroepsgronden. Er is daarom geen sprake van tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb. Voor een ambtshalve toetsing van de bewaringsmaatregel bestaat geen aanleiding. Het beroep daartegen is immers ingetrokken.
5.2.
De rechtbank wijst het verzoek om de minister te veroordelen in de proceskosten dan ook af.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van K.F.K. Hoogbruin, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
23 mei 2025
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
1 Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).