Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-28
ECLI:NL:RBDHA:2025:9468
Civiel recht
Kort geding
8,526 tokens
Inleiding
Rechtbank den haag
Team Handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/675642 / KG ZA 24-1062
Vonnis in kort geding van 28 januari 2025
in de zaak van
RA’Quel B.V. te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp,
eiseres,
advocaat mr. J.S.O. den Houting te Amsterdam,
tegen:
Staat der Nederlanden, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat te Den Haag,
gedaagde,
advocaten mrs. A.L.M. de Graaf en M.C. de Vries te Den Haag,
waarin zijn tussengekomen:
[bedrijfsnaam] B.V.,
te [vestigingsplaats],
advocaat mr. A. Stellingwerff Beintema te Rijswijk,
en
Eiffel B.V.,
te Arnhem,
advocaten mrs. P. Heijnsbroek en A.F. de Jong te Rotterdam
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als RA’Quel, de Staat, [bedrijfsnaam] en Eiffel.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de door de Staat overgelegde conclusie van antwoord;
- de incidentele conclusies tot tussenkomst subsidiair voeging van [bedrijfsnaam] en Eiffel.
1.2.
Op 7 januari 2025 is de mondelinge behandeling gehouden. Hierbij zijn door RA’Quel en [bedrijfsnaam] pleitnotities overgelegd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft RA’Quel haar in de dagvaarding opgenomen primaire vordering ingetrokken. Aan de pleitnotities heeft zij haar aangepaste vorderingen gehecht. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
2De incidenten tot tussenkomst subsidiair voeging
2.1.
[bedrijfsnaam] en Eiffel hebben (ieder voor zich) gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen RA’Quel en de Staat, dan wel zich te mogen voegen aan de zijde van de Staat. Ter zitting hebben RA’Quel en de Staat verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst. [bedrijfsnaam] en Eiffel zijn vervolgens toegelaten als tussenkomende partijen, aangezien zij aannemelijk hebben gemaakt dat zij daarbij voldoende belang hebben. Verder is niet gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen.
Feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
3.1.
De Staat heeft een Europese niet-openbare aanbesteding georganiseerd voor Financiële adviesdiensten 2024-2028 en beoogt daarmee verschillende raamovereenkomsten te sluiten. De opdracht is verdeeld in vijf percelen. Dit kort geding heeft alleen betrekking op de volgende percelen:
perceel 1: Inhuur en resultaatgerichte financiële adviesdiensten beheer, processen en administratie,
perceel 2: Inhuur en resultaatgerichte financiële adviesdiensten planning en control,
perceel 5: Inhuur en resultaatgerichte financiële adviesdiensten beleid en financieel onderzoek.
Voor perceel 1 en 2 worden telkens maximaal 7 en voor perceel 5 maximaal 6 raamovereenkomsten gesloten. Tijdens de looptijd van de te gunnen raamovereenkomsten worden door middel van minicompetities tussen de raamcontractanten per perceel nadere overeenkomsten gegund.
3.2.
Onder meer RA’Quel, [bedrijfsnaam] en Eiffel zijn na de selectiefase geselecteerd om deel te nemen aan de gunningsfase.
3.3.
Aan de geselecteerde gegadigden is een Inschrijvingsleidraad verzonden. In de Inschrijvingsleidraad staat dat inschrijvingen worden beoordeeld op basis van het gunningscriterium beste prijs/kwaliteitsverhouding. Er zijn in elk perceel drie kwalitatieve subgunningscriteria, maar dit kort geding heeft alleen betrekking op subgunningscriterium 1. Subgunningscriterium 1 is bij perceel 1 en 2 “Proces van matching” en bij perceel 5 is dat een casus. Voor subgunningscriterium 1 kunnen in alle percelen 475 punten worden gehaald. In totaal kunnen voor de kwalitatieve subgunningscriteria 1 tot en met 3 telkens 1000 punten worden behaald (namelijk 375 punten voor subgunningscriterium 2 en 150 voor subgunningscriterium 3).
3.4.
Over de (wijze van) beoordeling van de subgunningscriteria staat het volgende in de Inschrijvingsleidraad:
(…)
3.5.
Bijlage 1A, 1B en 1E bij de Inschrijvingsleidraad zijn het Programma van Eisen en Subgunningscriteria van perceel 1, 2 en 5. Subgunningscriterium 1 van perceel 1 en 2 luidt hetzelfde, als volgt:
Subgunningscriterium 1 in perceel 5 luidt als volgt:
3.6.
Gegadigden hebben de gelegenheid gekregen vragen te stellen en er zijn twee Nota’s van Inlichtingen verstrekt. Vraag en antwoord 184 hebben betrekking op subgunningscriterium 1 van perceel 5 en luiden als volgt:
3.7.
RA’Quel, [bedrijfsnaam] en Eiffel hebben tijdig inschrijvingen voor perceel 1, 2 en 5 ingediend.
3.8.
Bij brieven van 25 oktober 2024 heeft de Staat aan RA’Quel bericht dat zij voor perceel 1, 2 en 5 niet is gekwalificeerd voor deelname aan de raamovereenkomst (hierna ook: de gunningsbeslissingen). Op perceel 1 en 2 is RA’Quel als negende in de rangorde geëindigd. [bedrijfsnaam] en Eiffel zijn respectievelijk als eerste en derde in rangorde geëindigd. Op perceel 5 is RA’Quel op plaats 7 geëindigd. [bedrijfsnaam] en Eiffel zijn respectievelijk op plaats 1 en 6 geëindigd. Bij de brieven is een bijlage gevoegd, met daarin de score per subgunningscriterium, een toelichting op die score en een beschrijving van de kenmerken en relatieve voordelen van de winnende inschrijvers. Uit deze bijlage volgt dat RA’Quel op alle percelen voor subgunningscriterium 1 een onvoldoende heeft gescoord.
3.9.
RA’Quel heeft gevraagd om een evaluatiegesprek met de Staat, hetgeen heeft plaatsgevonden op 6 november 2024. Voorafgaand aan dit gesprek heeft RA’Quel, op verzoek van de Staat, schriftelijke vragen gesteld over de gunningsbeslissingen van perceel 1 en 2. Daarna heeft RA’Quel bij brief van 11 november 2024 bezwaar gemaakt tegen de gunningsbeslissingen en verzocht om intrekking van de gunningsbeslissingen en om haar inschrijvingen (eventueel na een herbeoordeling) alsnog te kwalificeren voor deelname aan de raamovereenkomsten, althans om de inschrijvingen in elk geval opnieuw te beoordelen. De Staat heeft bij brief van 12 november 2024 de bezwaren van RA’Quel afgewezen.
Geschil
4.1.
RA’Quel vordert – na vermindering van eis en zakelijk weergegeven – de Staat te verbieden voor de percelen 1 en/of 2 en/of 5 de raamovereenkomst te gunnen aan de nu geselecteerde partijen en de Staat te gebieden, voor zover hij de raamovereenkomsten nog wil gunnen:
primair: de ontvangen inschrijvingen opnieuw te (laten) beoordelen, door een nieuw beoordelingsteam, althans door hetzelfde beoordelingsteam, met inachtneming van de Aanbestedingswet 2012 en dit vonnis;
subsidiair: de raamovereenkomsten opnieuw aan te besteden;
alles op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de Staat in de kosten van dit geding.
4.2.
Daartoe voert RA’Quel – samengevat – het volgende aan. De gunningsbeslissingen bevatten kennelijke beoordelingsfouten en de Staat heeft bij zijn beoordeling nieuwe, niet vooraf bekend gemaakte, criteria toegepast. Hierdoor zijn de gunningsbeslissingen onrechtmatig. De bezwaren van RA’Quel, die in de dagvaarding nader worden toegelicht, hebben betrekking op een aantal aspecten van de beoordeling van subgunningscriterium 1 van perceel 1, 2 en 5.
4.3.
De Staat, [bedrijfsnaam] en Eiffel voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4.4.
[bedrijfsnaam] vordert – zakelijk weergegeven – de vorderingen van RA’Quel af te wijzen en de Staat te gebieden om de opdracht voor perceel 1, 2 en 5 te gunnen aan [bedrijfsnaam], voor zover de Staat de opdracht nog wil gunnen, met veroordeling van RA’Quel of de Staat in de proceskosten van [bedrijfsnaam].
4.5.
Eiffel vordert – zakelijk weergegeven – de vorderingen van RA’Quel af te wijzen en de Staat te verbieden Eiffel te passeren voor de gunning van de raamovereenkomsten voor perceel 1, 2 en 5, voor zover de Staat deze raamovereenkomsten nog wil gunnen, met veroordeling van RA’Quel in de kosten van deze procedure.
4.6.
Verkort weergegeven stelt zowel [bedrijfsnaam] als Eiffel daartoe dat zij er belang bij heeft dat de opdracht definitief aan haar gegund wordt.
4.7.
Voor zover nodig zullen de standpunten van RA’Quel en de Staat met betrekking tot de vorderingen van [bedrijfsnaam] en Eiffel hierna worden besproken.
Beoordeling
Vooraf
5.1.
RA’Quel heeft in de dagvaarding vier concrete bezwaren tegen de beoordeling van subgunningscriterium 1 van perceel 1, 2 en 5 aan de orde gesteld. Volgens haar zijn ten aanzien van die vier punten evidente beoordelingsfouten gemaakt. Die bezwaren zal de voorzieningenrechter hierna beoordelen.
5.2.
RA’Quel heeft (in elk geval) ter zitting ook bezwaar gemaakt tegen het oordeel van de Staat dat een aantal punten in haar plannen van aanpak duidelijker en concreter hadden gemoeten. Volgens de Staat heeft RA’Quel dit bezwaar voor het eerst ter zitting, en daarmee tardief, aan de orde gesteld. RA’Quel betwist dat. Dit geschilpunt zal na de beoordeling van de vier concrete bezwaren worden besproken.
5.3.
De voorzieningenrechter stelt verder voorop dat – daar zijn partijen het ook over eens – aan enige mate van subjectiviteit bij de beoordeling van de hier gehanteerde kwalitatieve subgunningscriteria niet te ontkomen valt. Dat brengt weliswaar enige spanning teweeg met de objectieve beoordelingssystematiek van het aanbestedingsrecht en de daarop toepasselijke beginselen van transparantie en gelijke behandeling, maar het behoeft nog niet mee te brengen dat ook daadwerkelijk sprake is van strijd met dat recht en/of die beginselen. Van belang is dat (i) het voor een potentiële inschrijver duidelijk is wat er van hem wordt verwacht, (ii) de inschrijvingen aan de hand van een zo objectief mogelijk systeem worden beoordeeld en (iii) de gunningsbeslissing zodanig inzichtelijk wordt gemotiveerd dat het voor een afgewezen inschrijver mogelijk is om de wijze waarop de beoordeling heeft plaatsgevonden te toetsen. Voor het overige komt aan de voorzieningenrechter slechts een beperkte toetsingsvrijheid toe wanneer het aankomt op de beoordeling van kwalitatieve criteria. Aan de aangewezen beoordelingscommissie, waarvan de deskundigheid in beginsel moet worden aangenomen, moet de nodige beoordelingsruimte worden gegund, mede omdat de rechter geen specifieke deskundigheid bezit op het gebied van het onderwerp van de opdracht. Alleen als sprake is van een onbegrijpelijke beoordeling, dan wel procedurele of inhoudelijke onjuistheden en/of onduidelijkheden, die zouden kunnen meebrengen dat de gunningsbeslissing niet deugt, is plaats voor ingrijpen door de rechter.
Bezwaar 1, over perceel 1 en 2: mondeling afstemmoment
5.4.
Ten aanzien de vraag hoe de kans op een juiste match wordt gemaximaliseerd en de kans op een verkeerde match wordt geminimaliseerd heeft RA’Quel in haar inschrijving het volgende opgenomen:
“Het kan zijn dat u specifieke eisen en wensen heeft aangebracht waar wij bij de matching rekening mee moeten houden. Indien daartoe de gelegenheid wordt geboden, stemt de accountmanager (indien nodig) graag met u af om dit helder te krijgen. Dit doet hij binnen 2 uur na ontvangst. Dit afstemmoment biedt u de mogelijkheid om een toelichting te geven op de aanvraag en eventueel organisatie-sensitieve elementen. Met de afstemming voorkomen wij eventuele interpretatieverschillen van uw behoefte aan onze kant. De afstemming hierover in deze fase van ons proces is voor ons uiterst waardevol en draagt eraan bij dat wij de kans op een
juiste match maximaliseren
en de kans op
een verkeerde match minimaliseren
. Indien de gelegenheid hiertoe niet bestaat, dienen wij onze vragen in voor de reguliere vragenronde.”
In de motivering van de gunningsbeslissing staat hierover het volgende:
“Het (mogelijke) afstemmoment met de deelnemer binnen 2 uur na een uitvraag is niet wenselijk en zelfs in strijd met de voorschriften. Toelichting wordt immers per Nota van Inlichtingen tegelijk aan alle inschrijvers verstrekt.”
5.5.
Volgens RA’Quel is hier sprake van een motiveringsgebrek, omdat niet wordt toegelicht om welke voorschriften het zou gaan. Bovendien staat er bij de beschrijving van de minicompetitie onder de te gunnen raamovereenkomst in de aanbestedingsstukken en in de toepasselijke Algemene Rijksvoorwaarden voor het verstrekken van opdrachten tot het verrichten van Diensten 2018 (ARVODI 2018) niets vermeld over inlichtingenrondes en schrijven artikel 2.53 Aw en 2.143 AW niet specifiek voor dat er bij de in artikel 2.143 lid 3 Aw 2012 beschreven minicompetitie inlichtingenrondes moeten worden gehouden. Volgens RA’Quel worden bovendien dergelijke afstemmomenten bij andere raamovereenkomsten met de Staat wel geboden.
5.6.
Uit de aanbestedingsstukken volgt dat in geval van een minicompetitie een nadere uitvraag bij zeven raamcontractanten moet worden uitgezet, die vervolgens, in geval van een reguliere (niet spoed) uitvraag, binnen vijf werkdagen een nadere offerte moeten uitbrengen. Indien RA’Quel de gelegenheid zou krijgen om binnen twee uur na ontvangst van de offerte-uitvraag een afstemmoment te hebben, dan moet – gelet op het beginsel van gelijke behandeling – ook aan andere raamcontractanten die mogelijkheid worden geboden. De voorzieningenrechter heeft begrip voor het standpunt van de Staat dat dat feitelijk niet doenlijk en dus ook niet wenselijk is. Alleen al daarom is dit oordeel niet onbegrijpelijk. Daar komt bovendien bij dat het door RA’Quel aangeboden afstemmoment in strijd is met de in het aanbestedingsrecht geldende beginselen van gelijke behandeling en transparantie (hetgeen ook al kan worden aangemerkt als strijd met de voorschriften). Mondelinge afstemming met één individuele gegadigde leidt er immers onvermijdelijk toe, dat niet alle gegadigden gelijktijdig over dezelfde informatie kunnen beschikken. En zelfs als er vervolgens ook met de andere gegadigden nader zou worden afgestemd, draagt dat het risico in zich dat aan andere gegadigden dan niet exact dezelfde informatie wordt verstrekt, omdat er in de ‘vertaling’ van de mondeling aan RA’Quel gegeven informatie naar een nadere mondelinge of schriftelijke weergave ten behoeve van de andere inschrijvers informatie verloren kan gaan of anderszins wijzigingen kunnen optreden. Dat is in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
5.7.
Gelet op het vorenstaande is van een onbegrijpelijke of onvoldoende gemotiveerde beoordeling op dit punt geen sprake. Dit wordt niet anders door de stelling dat in andere aanbestedingen wel de mogelijkheid van een mondeling afstemmoment wordt geboden. Nog daargelaten dat dit door de Staat, [bedrijfsnaam] en Eiffel gemotiveerd is betwist en door RA’Quel ook helemaal niet is geconcretiseerd, is hetgeen in andere aanbestedingen gebeurt niet relevant bij de beoordeling van de inschrijving op deze aanbesteding.
Bezwaar 2, over perceel 1 en 2: disfunctionerende kandidaat
5.8.
RA’Quel heeft in haar inschrijving onder meer aangeboden dat wanneer de opdrachtgever niet tevreden is over de kandidaat overleg zal worden gevoerd met de accountmanager “om samen te beoordelen of maatregelen van onze kant, bijvoorbeeld extra begeleiding, kunnen bijdragen tot een oplossing. Op het moment dat dit niet zo is, bijvoorbeeld als gevolg van disfunctioneren van de kandidaat, zullen wij voor vervanging zorgen.” Hierover biedt RA’Quel verder aan dat zij ervoor zorgt dat de niet functionerende kandidaat het werk overdraagt aan de vervangende kandidaat en dat de kosten van de eerste week van de vervangende kandidaat voor haar rekening zijn.
5.9.
In de gunningsbeslissing heeft de Staat hierover opgemerkt dat de beoordelingscommissie bij vervanging door disfunctioneren verwacht dat Inschrijver alle kosten van vervanging draagt en niet alleen die van de eerste week. Volgens RA’Quel vindt de kennelijke verwachting van de beoordelingscommissie geen basis in de aanbestedingsstukken en zijn de kosten van vervanging gewoon in de tarieven inbegrepen.
Beoordeling
Bezwaar 4, over perceel 5: ingaan op onderzoeksvragen
5.15.
Partijen zijn het erover eens dat een inhoudelijk antwoord op de onderzoeksvragen niet hoeft te worden gegeven. Conform het antwoord op vraag 184 NvI moest bij de beantwoording van de casus worden toegelicht hóe een inschrijver de onderzoeksvragen in het uit te voeren onderzoek gaat beantwoorden. Van onduidelijke eisen en verwachtingen bij subgunningscriterium 1 van perceel 5 is dan ook – anders dan RA’Quel stelt – geen sprake.
5.16.
Bij de beoordeling van de inschrijving op dit punt werpt de Staat RA’Quel onder meer tegen dat er niet op alle onderzoeksvragen wordt ingegaan en dat er geen antwoord wordt gegeven op de onderzoeksvragen. Tegen dit oordeel maakt RA’Quel bezwaar.
5.17.
De voorzieningenrechter merkt allereerst op dat er, anders dan RA’Quel bepleit, geen aanleiding is te veronderstellen dat de beoordelingscommissie heeft miskend dat niet alle onderzoeksvragen hoefden te worden beantwoord. Ter onderbouwing van haar stelling heeft RA’Quel verwezen naar de volgende zinnen in de door de beoordelingscommissie gegeven toelichting op de score: “Er wordt niet ingegaan op alle onderzoeksvragen” en “Er wordt geen antwoord gegeven op de onderzoeksvragen” Die zinnen zijn echter onderdeel van een meeromvattende beoordeling en kunnen niet worden uitgelicht en los van de context van de volledige beoordeling worden gelezen. Als de volledige toelichting van de beoordelingscommissie in aanmerking wordt genomen, is er geen enkele aanleiding te veronderstellen dat de beoordelingscommissie ervan uitging dat alle onderzoeksvragen in de inschrijving zelf al inhoudelijk moesten worden beantwoord.
5.18.
Ook anderszins is van een evidente fout in de beoordeling op dit punt geen sprake. RA’Quel heeft in haar inschrijving in het algemeen toegelicht hoe zij het onderzoek zal gaan uitvoeren en heeft de onderzoeksvragen ingedeeld in verschillende categorieën (“volwassenheid”, “invloed” en “haalbaarheid”). Hierbij noemt zij weliswaar alle onderzoeksvragen, maar haar inschrijving bevat – anders dan voorgeschreven – niet een toelichting waaruit concreet blijkt hoe zij de verschillende onderzoeksvragen zal beantwoorden, oftewel welke aanpak zij per onderzoeksvraag hanteert om tot een beantwoording te komen. Dit betekent niet dat op volgorde per onderzoeksvraag antwoord gegeven moet worden, maar er moet wel op élke onderzoeksvraag worden ingegaan. De voorzieningenrechter kan niet anders dan concluderen dat RA’Quel zich in haar inschrijving beperkt heeft tot algemeenheden en het is dan ook niet onbegrijpelijk dat dit door de beoordelingscommissie niet positief is beoordeeld, gelet ook op het toepasselijke beoordelingskader (de meetschaal, zie onder 3.4) en de daaraan voorafgaande opmerking dat wordt gekeken of de beantwoording van de vragen in voldoende mate van detail aansluit bij de vraagstelling en dat de mate waarin de antwoorden concreet zijn uitgewerkt wordt beoordeeld (zie ook onder 3.4).
Beantwoording onvoldoende duidelijk en concreet
5.19.
De Staat heeft er in zijn conclusie van antwoord op gewezen dat RA’Quel in de dagvaarding geen bezwaar heeft gemaakt tegen de volgende opmerkingen in de toelichting op de score van perceel 1 en 2:
“
Een aantal punten in de beantwoording kunnen nog duidelijker / concreter
Inschrijver presenteert een onoverzichtelijke aanpak, waarvan de tekst soms moeilijk te volgen is. Inschrijver geeft antwoorden op de vragen, maar er wordt niet op alle aspecten heel concreet ingegaan. Hoe wordt omgegaan met spoedopdrachten en de kans op een juiste match is summier en weinig concreet beschreven. (…)
Inschrijver beschrijft processen veelal globaal en treedt weinig in detail. De meerwaarde die wordt beschreven (“Wat levert het u op”) is vaak het minimale waarom wordt gevraagd.
Bij fase 5 biedt Inschrijver aan om kandidaten die niet de 100% match op wensen hebben voor te stellen, omdat Inschrijver ervan overtuigd is, dat die toch wel geschikt zijn. Dit schept onvoldoende vertrouwen.
(…)
Het aangebodene geeft een niet realistisch beeld en overall geeft het onvoldoende vertrouwen voor de uitvoering.”
Volgens de Staat moet er daarom vanuit worden gegaan dat RA’Quel in deze kanttekeningen berust en dat alleen al daarom de motvering die is gegeven dragend is voor de toebedeelde onvoldoende. RA’Quel heeft ter zitting betwist dat zij tegen voormelde aspecten van de gunningsbeslissing geen bezwaar heeft gemaakt.
5.20.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat RA’Quel het aspect van de onoverzichtelijke aanpak wel in de dagvaarding aan de orde heeft gesteld. Zij heeft in de dagvaarding (naast de hiervoor reeds besproken bezwaren 1 tot en met 4) daarover gesteld dat de beoordelingscommissie haar voor subgunningscriterium 1 in perceel 1 en 2 met name een onvoldoende heeft toegekend omdat zij de diverse aspecten die in de omschrijving van subgunningscriterium 1 (zoals opgenomen onder 3.5) niet in de daarin gehanteerde volgorde heeft behandeld, terwijl dat niet vereist was en RA’Quel wel degelijk alle aspecten heeft meegenomen en zelfs heeft onderstreept. De voorzieningenrechter neemt aan dat RA’Quel hiermee bezwaar heeft willen maken tegen de beoordeling dat van een onoverzichtelijke aanpak sprake was. Dat de volgorde waarop de diverse aspecten van het gunningscriterium zijn behandeld bij de beoordeling een (zelfstandige) rol heeft gespeeld heeft de Staat echter uitdrukkelijk weersproken en kan uit de toelichting op de score ook niet worden afgeleid. Dit bezwaar van RA’Quel slaagt dan ook niet.
5.21.
De voorzieningenrechter is met de Staat van oordeel dat RA’Quel de rest van de onder 5.19 geciteerde aspecten van de beoordeling in de dagvaarding inderdaad niet aan de haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd. RA’Quel heeft er ter zitting in dit verband op gewezen dat zij voorafgaand aan de dagvaarding schriftelijke vragen aan de Staat heeft gesteld naar aanleiding van de gunningsbeslissing en dat zij bij brief van 11 november 2024 bezwaar heeft gemaakt tegen de gunningsbeslissing. In die brief heeft RA’Quel aan de orde gesteld dat de beoordelingscommissie ten onrechte heeft geoordeeld dat een aantal punten in de beantwoording duidelijker en concreter moet. RA’Quel noemt deze brief en dit bezwaar in haar dagvaarding (onder het kopje I. Feiten), maar legt deze stelling onder kopje II. van de dagvaarding (waarin zij de vorderingen en rechtsgronden bespreekt) niet ten grondslag aan haar vorderingen. De voorzieningenrechter is daarom met de Staat van oordeel dat haar bezwaren op dit punt te laat in deze procedure naar voren worden gebracht en in beginsel buiten beschouwing moeten worden gelaten. De Staat zou immers onevenredig in zijn belangen worden geschaad als bezwaren die pas ter zitting naar voren worden gebracht zouden worden meegenomen. Voor zover dat al anders zou zijn, zou dat RA’Quel overigens ook niet baten, nu zij (ook ter zitting) onvoldoende heeft geconcretiseerd waarom het oordeel van de beoordelingscommissie zoals opgenomen onder 5.19 evident onjuist is. Dit had zonder meer op haar weg gelegen. RA’Quel heeft er ter zitting nog op gewezen dat zij wél concreet heeft omschreven hoe wordt omgegaan met spoedopdrachten, maar ook die stelling baat haar niet. Hetgeen zij over de spoedopdrachten heeft omschreven betreft allemaal aspecten die, volgens onweersproken stelling van de Staat, onderdeel uitmaken van het programma van eisen en waarvan slechts wordt genoemd dát er aan die eisen wordt voldaan, zonder duidelijk te concretiseren hóe dan aan die eisen precies wordt voldaan.
Conclusie
5.22.
Uit het vorenstaande volgt dat niet is gebleken dat sprake is van een evident onbegrijpelijke beoordeling, dan wel van procedurele of inhoudelijke onjuistheden en/of onduidelijkheden, die zouden kunnen meebrengen dat de gunningsbeslissing niet deugt. Voor ingrijpen door de voorzieningenrechter is dan ook geen plaats. De vorderingen van RA’Quel zullen worden afgewezen.
Vorderingen [bedrijfsnaam] en Eiffel en proceskosten
5.23.
Nu de Staat voornemens is de raamovereenkomsten ook definitief te gunnen aan (onder andere) [bedrijfsnaam] en Eiffel, brengt voormelde beslissing mee dat [bedrijfsnaam] en Eiffel geen zelfstandig belang (meer) hebben bij toewijzing van hun vorderingen, zodat deze worden afgewezen. [bedrijfsnaam] en Eiffel zullen worden veroordeeld in de kosten van de Staat, welke kosten worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat de Staat als gevolg van deze vorderingen extra kosten heeft moeten maken. Ondanks de afwijzing moet RA’Quel in haar verhouding tot [bedrijfsnaam] en Eiffel worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van [bedrijfsnaam] en Eiffel was immers te voorkomen dat gunning aan hen in gevaar zou komen, welk doel is bereikt. RA’Quel zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van [bedrijfsnaam] en Eiffel. Voorts zal RA’Quel, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de Staat.
5.24.
De proceskosten van zowel [bedrijfsnaam] en Eiffel worden begroot op:
- griffierecht € 714,00
- salaris advocaat € 1.107,00
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
Dictum
Totaal € 1.999,00
5.25.
De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht € 688,00
- salaris advocaat € 1.107,00
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
Dictum
Totaal € 1.973,00
5.26.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dictum
De voorzieningenrechter:
6.1.
wijst de vorderingen van RA’Quel, [bedrijfsnaam] en Eiffel af;
6.2.
veroordeelt [bedrijfsnaam] en Eiffel voor wat betreft de door hen ingestelde vorderingen jegens de Staat in de kosten van de Staat, tot dusver begroot op nihil;
6.3.
veroordeelt RA’Quel in de overige proceskosten van zowel de Staat, [bedrijfsnaam] als Eiffel, van telkens €1.999,00 voor [bedrijfsnaam] en Eiffel en van € 1.973,00 voor de Staat, telkens te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als RA’Quel niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet RA’Quel € 92,00 extra aan de betreffende partij betalen, plus de kosten van betekening;
6.4.
veroordeelt RA’Quel in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.5.
verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2025.
idt
Beoordeling
Zij wijst er op dat bij de beoordeling geen nieuwe criteria mogen worden toegepast, dat haar aanbod op dit punt onverplicht is gedaan en in de praktijk gangbaar is.
5.10.
Ook hier is – anders dan RA’Quel meent – geen sprake van een onbegrijpelijke beoordeling of procedurele of inhoudelijke onjuistheden. De enkele omstandigheid dat de beoordelingscommissie een bepaalde verwachting heeft, rechtvaardigt niet de conclusie dat een nieuw criterium is toegepast. Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Dat licht de voorzieningenrechter als volgt toe.
5.11.
In de aanbestedingsstukken is (in eis PO-1 en eis PO-4) voorgeschreven dat een inschrijver personeel inzet dat voldoet aan de functieprofielen en dat het aangeboden personeel vanaf aanvang opdracht in staat is om de gevraagde dienstverlening kwalitatief goed uit te (kunnen) voeren, op basis van competente bemensing door de opdrachtnemer. In artikel 3 van de ARVODI is bepaald dat een Opdrachtnemer garandeert dat door of namens hem te verrichten diensten voldoen aan de in de overeenkomst vastgestelde eisen en dat deze op vakbekwame wijze worden uitgevoerd. Uitgangspunt is dus dat een raamcontractant zorgdraagt voor een goed functionerende kandidaat. Als er sprake is van een disfunctionerende kandidaat voldoet RA’Quel niet aan hetgeen van haar op grond van de aanbestedingstukken en de raamovereenkomst verwacht mag worden. In het licht van dit alles is het niet onbegrijpelijk dat de beoordelingscommissie het aanbod van RA’Quel op dit punt niet als positief heeft beoordeeld en hierbij een andere verwachting heeft uitgesproken. Van een evidente fout is in elk geval geen sprake.
5.12.
Hierbij kan verder in het midden blijven in hoeverre het disfunctioneren van een kandidaat moet worden gekwalificeerd als toerekenbare tekortkoming (op grond waarvan dan volgens de Staat een volledige schadeplicht ontstaat). Het is immers in het licht van de gestelde eisen en het bepaalde in artikel 3 van de ARVODI niet onbegrijpelijk dat de beoordelingscommissie bij de beoordeling van inschrijvingen, waarbij het erom gaat dat inschrijvers meerwaarde bieden, meer verwacht dan dat bij disfunctioneren alleen de eerste week van vervanging voor rekening van RA’Quel blijft. Het is immers alleszins aannemelijk, zoals de Staat heeft gesteld, dat de tijdspanne die gemoeid is met het herstel van fouten en het opnieuw inwerken van een opvolgend kandidaat, bij complexe opdrachten veelal meer dan een week in beslag zal nemen. Volledigheidshalve wijst de voorzieningenrechter er in dit verband nog op dat disfunctioneren blijkens het antwoord op vraag 106 van de NvI (die niet is overgelegd, maar dit is tussen partijen niet in geschil) is gedefinieerd als het niet (afdoende) functioneren van een kandidaat. Van die definitie heeft de beoordelingscommissie uit mogen (en zelfs moeten) gaan bij haar beoordeling. Dat RA’Quel – zoals zij ter zitting heeft toegelicht – haar aanbod van het vergoeden van een week van de vervangingskosten ook heeft gedaan voor de situatie dat van disfunctioneren in die zin geen sprake is maar ook als sprake is van een ‘mismatch’ is dan ook niet relevant. Dat het ook zou gaan om gevallen waarbij sprake is van een mismatch om andere redenen valt overigens niet uit de inschrijving van RA’Quel af te leiden, nu RA’Quel de term disfunctioneren gebruikt en de beoordelingscommissie die term slechts overeenkomstig de definitie heeft kunnen en mogen begrijpen.
Bezwaar 3, over perceel 1 en 2: tegenstrijdigheid bij samenwerking onderaannemer
5.13.
RA’Quel heeft in haar inschrijving omschreven dat zij samenwerkt met één onderaannemer. Zij schrijft daarover onder meer:
“Het matchingsproces bij BAS sluit naadloos aan op ons proces. RA’Quel blijft eindverantwoordelijk en managed, via concrete afspraken met BAS over kwaliteit, verantwoordelijkheden, kwantiteit en tijdigheid, onze toezegging aan u. Periodiek overleggen wij met BAS om de eventuele verbeterpunten tijdig op te pakken. Wij faciliteren trainingen aan medewerkers van BAS om beter te integreren in onze cultuur en processen.”
5.14.