Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-08
ECLI:NL:RBDHA:2025:9443
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,742 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel
zaaknummer / rekestnummer: C/09/681357 / KG RK 25-309
Beschikking van de voorzieningenrechter van 8 mei 2025
in de zaak van
[verzoeker]
, te [woonplaats 1] ,
verzoeker,
advocaat mr. E.M. Richel,
en
1 [belanghebbende 1] B.V., te [plaats 1] ,
belanghebbende,
niet verschenen,
2 [belanghebbende 2] , te [woonplaats 2] ,
belanghebbende,
niet verschenen,
3STICHTING [verweerster 1] , te [plaats 2] ,
verweerster,
advocaat mr. A.A. Zeilstra te Arnhem,
4 [verweerster 2] , h.o.d.n. [handelsnaam] , te [woonplaats 3] ,
verweerster,
advocaat mr. S. Kegreisz te Rotterdam.
Partijen worden hierna respectievelijk “ [verzoeker] ”, “ [belanghebbende 1] ”, “ [belanghebbende 2] ”, “ [verweerster 1] ” en “ [verweerster 2] ” genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met zes producties, ingekomen op 5 maart 2025;
de brief van mr. Zeilstra van 25 maart 2025 met twee producties;
de e-mail van mr. Kegreisz van 26 maart 2025;
de brief van mr. Richel van 15 april 2025 met vijf producties;
de brief van mr. Zeilstra van 18 april 2025;
de brief van [belanghebbende 2] , ingekomen op 22 april 2025;
de e-mail van mr. Richel van 23 april 2025 om 14:40 uur met één productie;
de e-mail van mr. Richel van 23 april 2025 om 18:26 uur met één productie.
1.2.
Op 24 april 2025 is de zaak besproken tijdens de mondelinge behandeling. Hierbij was [verzoeker] aanwezig, bijgestaan door mr. Richel.
Ter zitting is de beschikking bepaald op vandaag.
Feiten
2.1.
[belanghebbende 1] is eigenaar van de boerderij met paardenbox, weiland, tuin en verdere toebehoren aan het adres [adres 1] ( [postcode] ) te [plaats 1] (hierna: de boerderij).
2.2.
De heer [naam] (hierna: [naam] ) heeft een hypothecaire geldlening gesloten met [belanghebbende 2] in persoon en [belanghebbende 1] . Bij notariële akte van 30 maart 2022 (hierna: hypotheekakte) is door [belanghebbende 2] en [belanghebbende 1] aan [naam] het recht van eerste hypotheek verleend op de boerderij.
2.3.
[belanghebbende 2] was ten tijde van het aangaan van de geldlening en het vestigen van het recht van eerste hypotheek enig bestuurder van [belanghebbende 1] en bevoegd [belanghebbende 1] zelfstandig te vertegenwoordigen.
2.4.
In de hypotheekakte is een beheerbeding opgenomen, waarin staat dat de hypotheekhouder bevoegd is het onderpand (de boerderij) onder zich te nemen en te verlangen dat dan ontruiming plaats heeft, indien dit met het oog op de executie vereist is.
2.5.
Bij akte van cessie van 30 november 2023 heeft [naam] zijn geldvordering uit de hypotheekakte overgedragen aan [verzoeker] , waardoor [verzoeker] houder is van het recht van eerste hypotheek op de boerderij.
3Het verzoek
3.1.
[verzoeker] verzoekt de voorzieningenrechter bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad,
hem te machtigen om met onmiddellijke ingang, dan wel een nader te bepalen datum, de boerderij in beheer te nemen en alle handelingen te verrichten die ertoe strekken om de waarde van de boerderij te behouden;
hem te machtigen om met het oog op de aanstaande executie, met onmiddellijke ingang, dan wel een nader te bepalen datum, de boerderij onder zich te nemen;
te bepalen dat [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] , dan wel andere derden (niet huurders) die op, om of rond het perceel van de boerderij verblijven binnen acht dagen na de datum van deze beschikking te veroordelen tot ontruiming met al het hunne en de boerderij aan [verzoeker] ter beschikking te stellen door te vertrekken en niet meer terug te keren, op straffe van verbeurte van een hoofdelijke dwangsom van € 1.000,- per dag met een maximum van € 50.000,-;
[belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding.
3.2.
Aan het verzoek legt [verzoeker] ten grondslag dat [belanghebbende 1] ernstig tekort schiet in de nakoming van haar beheerverplichting. Daartoe voert hij onder andere aan dat in de boerderij een motorclub zijn clubhuis heeft gevestigd, zonder toestemming van [belanghebbende 1] , en een hennepkwekerij is aangetroffen in de kelder van de boerderij. Daarnaast betaalt [belanghebbende 1] de rente die voortkomt uit de hypothecaire geldlening niet meer. [verzoeker] wil handelingen verrichten om de waarde van de boerderij te behouden en deze te beveiligen tegen verdere ongewenste onrechtmatigheden met als doel de boerderij uiteindelijk executoriaal te kunnen verkopen.
Beoordeling
De conclusie
4.1.
De voorzieningenrechter verleent machtiging om de boerderij in beheer te nemen en onder zich te nemen c.q. te ontruimen. [belanghebbende 2] , [belanghebbende 1] en andere derden (anderen dan degenen die zich op een geldige huurovereenkomst kunnen beroepen) zullen de boerderij binnen acht dagen na betekening van deze beschikking moeten ontruimen op straffe van een dwangsom. Het verzoek tot een proceskostenveroordeling van [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] wordt afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Het beoordelingskader
4.2.
Op grond van artikel 3:267 lid 1 BW is de hypotheekhouder bevoegd een beheerbeding in te roepen en het onderpand in beheer te nemen, indien de hypotheekgever in ernstige mate tekortschiet in zijn verplichtingen jegens de hypotheekhouder en hiervoor machtiging wordt verleend door de voorzieningenrechter. Op grond van artikel 3:267 lid 2 BW kan in de hypotheekakte worden bedongen dat de hypotheekhouder bevoegd is de aan de hypotheek onderworpen zaak onder zich te nemen, indien zulks met het oog op de executie vereist is en de voorzieningenrechter hiervoor machtiging verleent. In het geval dat de voorzieningenrechter de laatstgenoemde machtiging verleent, veroordeelt hij tevens de hypotheekgever en de zijnen op grond van artikel 3:267 lid 3 BW tot ontruiming.
4.3.
[verweerster 2] heeft kenbaar gemaakt alleen bezwaar te hebben tegen de toewijzing van het verzoek als dat betekent dat zij met haar paarden ontruimd zal worden. Gelet op het feit dat dit niet het geval zal zijn, aangezien er een huurovereenkomst bestaat, hoeven de bezwaren van [verweerster 2] naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet nader besproken te worden.
4.4.
[verweerster 1] heeft om te beginnen naar voren gebracht dat het erop lijkt dat [verzoeker] ook het onroerend goed aan de [adres 2] te [plaats 1] onder zich wil nemen. Volgens [verweerster 1] valt de [adres 2] niet onder het hypotheekrecht van [verzoeker] , maar onder haar hypotheekrecht. [verzoeker] heeft op de mondelinge behandeling bevestigd dat het verzoek enkel ziet op de boerderij ( [adres 1] ). Gelet daarop concludeert de voorzieningenrechter dat hierin geen grond ligt voor de afwijzing van het verzoek.
4.5.
Verder stelt [verweerster 1] zich op het standpunt dat [belanghebbende 1] niet tekort schiet in de nakoming van de beheerverplichting, aangezien [verweerster 1] een regeling heeft getroffen met [belanghebbende 1] waarbij financiële middelen beschikbaar zijn gesteld door [verweerster 1] om het noodzakelijk onderhoud uit te voeren. [verzoeker] stelt echter dat de boerderij niet in goede staat verkeert. Dit heeft hij tijdens de mondelinge behandeling nogmaals aangevoerd en onderbouwd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [verzoeker] dit verweer van [verweerster 1] voldoende gemotiveerd weersproken. De voorzieningenrechter gaat er dan ook vanuit dat [belanghebbende 1] haar beheerverplichting niet nakomt. Dit bezwaar van [verweerster 1] volgt de rechtbank dan ook niet.
4.6.
De voorzieningenrechter concludeert dat [belanghebbende 1] in ernstige mate tekortschiet in haar verplichtingen jegens [verzoeker] en dat er geen bezwaren zijn gebleken die aan toewijzing van het verzoek in de weg staan. De voorzieningenrechter zal het verzoek dan ook toestaan zoals opgenomen onder 5. van deze beschikking.
Proceskostenveroordeling
4.7.
[verzoeker] heeft verzocht [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek af. Voor het inroepen van een beheerbeding is altijd een machtiging van de voorzieningenrechter nodig. Zowel [belanghebbende 1] als [belanghebbende 2] heeft geen verweer gevoerd. Er is dan ook geen grond voor een proceskostenveroordeling.
Dictum
De voorzieningenrechter
5.1.
verleent aan [verzoeker] machtiging om de boerderij aan de [adres 1] te [plaats 1] , kadastraal bekend [kadastraal nummer] , met onmiddellijke ingang in beheer te nemen;
5.2.
verleent aan [verzoeker] machtiging om de boerderij aan de [adres 1] te [plaats 1] onder zich te nemen c.q. te ontruimen;
5.3.
veroordeelt [belanghebbende 2] , [belanghebbende 1] en andere derden die zich in of rond de boerderij bevinden, voor zover hij/zij geen huurder is als bedoeld in artikel 3:264 lid 4 en 8 BW, de boerderij aan de [adres 1] te [plaats 1] te ontruimen en met al de hunnen en het hunne te verlaten en met afgifte van de sleutels de boerderij ter vrije beschikking te stellen aan de [verzoeker] op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat zij in gebreke blijven hieraan te voldoen met een maximum van € 50.000,- ;
5.4.
bepaalt de termijn waarbinnen geen ontruiming mag plaatsvinden op acht dagen na betekening van deze beschikking;
5.5.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2025.
type: 3384