Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-13
ECLI:NL:RBDHA:2025:9431
Civiel recht
Beschikking
5,033 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel
zaaknummer / rekestnummer: C/09/675681 / HA RK 24-612
Beschikking van 13 maart 2025
in de zaak van
SELECT CAR LEASE B.V., te Montfoort,
verzoekster,
advocaat mr. D.J. Kramer te Oosterbeek,
tegen
1INVORDERINGSBEDRIJF B.V., te Den Haag,
2. CM ZAKELIJK B.V., te Amsterdam,
verweersters,
advocaat mr. P.M. Jongeling te Den Haag.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met zes producties, ingekomen op 14 november 2024;
het verweerschrift met vier producties, ingekomen op 19 december 2024;
een tweetal aanvullende producties (7 en 8) van mr. Kramer, ingekomen op
17 januari 2025.
1.2.
Op 30 januari 2025 is de zaak besproken tijdens een mondelinge behandeling. Hierbij waren aanwezig:
mr. Kramer
[naam 1] , algemeen directeur van de groep waar verzoekster deel van uitmaakt;
[naam 2] , directeur van verzoekster;
mr. Jongeling
[naam 3] , Manager Accountmanagement bij verweerster sub 1.
De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de mondelinge behandeling. Ter zitting is de uitspraak bepaald op vandaag.
Feiten
2.1.
Verzoekster exploiteert een leasemaatschappij op het gebied van lichte bedrijfs- en personenauto’s.
2.2.
Verweersters zijn onder andere actief op het gebied van credit management en (buiten)gerechtelijke incassoprocedures.
2.3.
Partijen hebben een overeenkomst gesloten voor de incasso van facturen die door de klanten van verzoekster niet zijn betaald. In december 2015 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen partijen. Tijdens deze bespreking zijn aanvullende afspraken gemaakt die per e-mail van 2 december 2015 door verweersters aan verzoekster zijn bevestigd en waar verzoekster op 15 december 2015 per e-mail akkoord op heeft gegeven.
2.4.
Voor de incasso van de facturen hebben verweersters [bedrijf] Gerechtsdeurwaarders (hierna: [bedrijf] ) ingeschakeld.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
Verzoekster verzoekt het volgende:
- verweersters hoofdelijk te veroordelen om binnen 10 werkdagen, althans binnen een door de rechtbank vast te stellen termijn, na betekening van deze beschikking, aan verzoekster een afschrift te verstrekken van de volgende bescheiden:
o Alle correspondentie betreffende de incasso van verweersters ter zake de ter incasso door verzoekster aan hen verstrekte facturen, waaronder in ieder geval verstaan dient te worden: de door de deurwaarder op hun verzoek aan hen gezonden nota’s van afrekening, waaronder beide delen daarvan verstaan dient te worden, de vastlegging van de door hen met verzoekster gesloten overeenkomst(en) (met eventuele bijlagen) en hun eigen afrekenvoorstel, onder “correspondentie” in bovengenoemde zin dient uitdrukkelijk ook whatsappberichten, sms-berichten, mailberichten en communicatie op andere wijze te worden verstaan;
te bepalen dat aan de bovengenoemde veroordeling een door verweersters hoofdelijk te verbeuren onmiddellijke opeisbare dwangsom is verbonden van € 25.000,- ineens, alsmede van € 1.000,- voor iedere dag of een gedeelte van een dag, dat zij niet (volledig) aan de veroordeling voldoen, tot een maximum van € 50.000,-, althans een zodanige dwangsom en maximum als de rechtbank bepaalt;
verweersters hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding, eventuele nakosten daaronder begrepen.
3.2.
Verzoekster legt aan het verzoek ten grondslag dat zij tot het afleggen van rekening en verantwoording en afrekening door verweersters wil komen. Volgens verzoekster is het daarvoor nodig dat verweersters de gevraagde bescheiden overleggen. Verzoekster stelt dat zij, ondanks herhaald verzoek daartoe, de bescheiden niet heeft ontvangen.
3.3.
Verweersters voeren verweer en verzoeken de rechtbank om verzoekster niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, althans de verzoeken af te wijzen, althans een eventuele toewijzing niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en verzoekster, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen het salaris voor de advocaat en de nakosten.
3.4.
Hierna wordt, voor zover nodig, nader op de stellingen van partijen ingegaan.
Beoordeling
De conclusie
4.1.
Het verzoek zal worden toegewezen, met dien verstande dat de bescheiden worden beperkt en geconcretiseerd. Verder wordt de dwangsom gematigd en zal de rechtbank bepalen dat verzoekster de kosten gemoeid met het verstrekken van de gevraagde afschriften zal moeten vergoeden. Tot slot zullen verweersters veroordeeld worden in de kosten van het geding.
De opmerkingen van verweersters van formele aard
4.2.
Verweersters brengen naar voren dat de eisen van een behoorlijke rechtspleging meebrengen dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dat op zodanige wijze moet doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren. Volgens verweersters hoeft de rechtbank slechts te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan en impliceert de enkele omstandigheid dat uit een overgelegd stuk een bepaald feit blijkt niet dat een partij zich ter ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept. Verweersters voeren aan dat verzoekster niet duidelijk heeft gemaakt welke informatie waar in de producties terug te vinden is en wat die informatie bijdraagt aan het verzoek. Om die reden stellen verweersters dat producties 2, 3, 4 en 6 van het verzoekschrift buiten beschouwing moeten worden gelaten en dat gelet daarop de verzoeken moeten worden afgewezen wegens het ontbreken van onderbouwing.
4.3.
De rechtbank volgt verweersters hierin niet en is van oordeel dat verzoekster voldoende duidelijk heeft verwezen naar de informatie zoals opgenomen in de genoemde producties. Het is voor de rechtbank voldoende duidelijk welke stellingen er ter beoordeling zijn voorgelegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat dit geen grond is voor de afwijzing van het verzoek.
Het beoordelingskader van artikel 843a Rv (oud)
4.4.
Omdat het verzoek is ingediend op 14 november 2024 zal het worden beoordeeld aan de hand van de destijds geldende wetgeving. De op 1 januari 2025 in werking getreden wetgeving omtrent het nieuwe bewijsrecht is in deze procedure dan ook niet van toepassing.
4.5.
De vraag die voorligt is of verzoekster op grond van artikel 843a Rv (oud) recht heeft op inzage en afschrift van de verzochte bescheiden. Een verzoek op grond van artikel 843a Rv (oud) is toewijsbaar als:
verzoekster een rechtmatig belang heeft bij inzage, afschrift of uittreksel van de verzochte bescheiden;
het verzoek betrekking heeft op bepaalde bescheiden;
de bescheiden betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarin verzoekster partij is;
verweersters beschikking hebben over de verzochte bescheiden.
Heeft verzoekster een rechtmatig belang?
4.6.
Verweersters stellen dat verzoekster geen rechtmatig belang heeft bij het verzoek. Daartoe voeren zij aan dat niet duidelijk is op welke dossiers het verzoek ziet. Volgens verweersters is het verzoek zo breed geformuleerd dat het om alle dossiers, dus ook de gesloten dossiers, lijkt te gaan. In dat kader brengen zij naar voren dat partijen in 2015 afspraken hebben gemaakt over lopende dossiers en afrekeningen van de deurwaarder, waardoor er geen aanleiding bestaat om het verzoek in te dienen voor dossiers die inmiddels zijn afgerond. Verder voeren verweersters aan dat zij alle afrekeningen van de deurwaarder al hebben verstrekt op 20 november 2024.
4.7.
Verzoekster stelt daarentegen dat zij wel degelijk een rechtmatig belang heeft en voert aan dat dit belang onder andere ziet op haar bewijsbelang. Verder heeft verzoekster tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat zij van [bedrijf] had begrepen dat [bedrijf] inmiddels in meerdere dossiers heeft afgerekend en dat de afrekeningen bestaan uit twee delen die gezamenlijk het totaalbeeld vormen. Verzoekster voert aan allemaal losse documenten ontvangen te hebben waarin telkens verschillende bedragen worden genoemd. Verder stelt zij niet beide delen van de afrekeningen van de deurwaarder te hebben ontvangen.
4.8.
Voor het beoordelen van de vraag of sprake is van een rechtmatig belang bij het verkrijgen van informatie is het uitgangspunt dat het desbetreffende stuk relevant kan zijn voor een niet op voorhand als kansloos aan te merken vordering of verweer. Een partij moet een direct en concreet belang hebben bij de gevraagde stukken. De rechtbank is van oordeel dat hier in de situatie van verzoekster sprake van is. Tussen partijen is een overeenkomst gesloten voor de incasso van onbetaalde facturen. Onderdeel van deze overeenkomst is de afrekening. Gelet op het feit dat verzoekster verzoekt om bescheiden in verband met het afleggen van rekening en verantwoording om tot afrekening te kunnen komen, is de rechtbank van oordeel dat verzoekster voldoende rechtmatig belang heeft bij haar verzoek. Verder is de rechtbank van oordeel dat verzoekster voldoende gemotiveerd heeft betwist alle gevraagde bescheiden te hebben ontvangen. Dit maakt dan ook dat aan dit vereiste voor toewijzing van het verzoek is voldaan.
Gaat het om bepaalde bescheiden?
4.9.
Een verzoek is slecht toewijsbaar als sprake is van bepaalde bescheiden. Dit betekent dat de bescheiden in ieder geval zodanig concreet moeten worden omschreven dat duidelijk is waarop wordt gedoeld en getoetst kan worden of er sprake is van een rechtmatig belang.
4.10.
Verweersters stellen dat de bescheiden waarom verzoekster verzoekt niet voldoende bepaald zijn, omdat het onduidelijk is of het om alle dossiers, waaronder ook gesloten dossiers, gaat of alleen om nog lopende dossiers. Daarnaast stellen verweersters dat sprake is van een fishing expedition, omdat in het verzoekschrift ook is gevraagd om afschrift van alle interne correspondentie terwijl niet duidelijk is waarom deze verstrekt zou moeten worden. Verweersters voeren aan dat niet van hen verwacht kan worden dat zij zonder nadere duiding zomaar alle correspondentie aan verzoekster verstrekken.
4.11.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft verzoekster toegelicht dat de afspraken die met verweersters zijn gemaakt niet helemaal duidelijk zijn en dat zij daarom graag meegenomen wil worden in hetgeen is afgerekend en afgedragen moet worden om uiteindelijk met verweersters in gesprek te treden en tot afrekening te komen in de nog lopende dossiers waarin tussen partijen nog niet is afgerekend.
4.12.
Gelet op de bescheiden die in punt 17. van het verzoekschrift zijn benoemd en de toelichting van verzoekster zoals opgenomen in 4.11. is de rechtbank van oordeel dat verzoekster voldoende concreet heeft gemaakt op welke bescheiden zij doelt. Het is voor de rechtbank duidelijk dat verzoekster alle bescheiden omtrent de afrekening van de deurwaarder wil ontvangen en de bescheiden waaruit de tussen partijen gemaakte afspraken blijken. Dit alles in de nog lopende dossiers om uiteindelijk tot afrekening te kunnen komen. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek kan worden toegewezen voor wat betreft de bescheiden die hieraan kunnen bijdragen. Dit betekent dat niet alle door verzoekster gevraagde bescheiden voor toewijzing in aanmerking komen. Verzoekster heeft verzocht om afschrift van een afrekenvoorstel, maar de rechtbank is van oordeel dat dit voorstel niet ziet op de tussen partijen gemaakte afspraken of de afrekening van de deurwaarder. Het verzoek om een afschrift van het afrekenvoorstel zal om die reden worden afgewezen.
Dictum
De rechtbank
5.1.
veroordeelt verweersters om binnen 10 werkdagen na betekening van deze beschikking een afschrift van de volgende bescheiden te verstrekken aan verzoekster:
de vastlegging van de tussen partijen gemaakte afspraken;
de beide delen van de door [bedrijf] gezonden nota’s van afrekening in de tussen partijen nog lopende dossiers;
alle correspondentie tussen verweersters en [bedrijf] over de incasso van de openstaande facturen van verzoekster in de tussen partijen nog lopende dossiers;
5.2.
bepaalt dat verweersters, hoofdelijk, in die zin dat wanneer de een voldoet, de ander zal zijn bevrijd, aan verzoekster een dwangsom verbeuren van € 500,- voor iedere dag of een gedeelte van een dag, dat verweersters in gebreke blijven aan het onder 5.1. bepaalde te voldoen, tot een maximum van € 50.000,-;
5.3.
bepaalt dat verzoekster de kosten gemoeid met het verstrekken van de afschriften zoals opgenomen in 4.20. moet vergoeden;
5.4.
veroordeelt verweersters hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van verzoekster begroot op € 2.186,-
Deze beschikking is gegeven door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2025.
type: 3384
Beoordeling
Verder volgt de rechtbank het standpunt van verweersters voor wat betreft het verstrekken van alle interne communicatie, omdat niet duidelijk is gemaakt waarom deze correspondentie relevant is voor het doel waarvoor verzoekster om afschrift van de bescheiden verzoekt, namelijk het afleggen van rekening en verantwoording om tot afrekening te kunnen komen. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat verweersters afschrift moeten verstrekken van de volgende bescheiden:
de vastlegging van de tussen partijen gemaakte partijen;
de beide delen van de door [bedrijf] gezonden nota’s van afrekening in de tussen partijen nog lopende dossiers;
alle correspondentie tussen verweersters en [bedrijf] over de incasso van de openstaande facturen van verzoekster in de tussen partijen nog lopende dossiers.
Is er een rechtsbetrekking tussen partijen?
4.13.
Het staat niet ter discussie dat tussen partijen een overeenkomst is gesloten voor de incasso van onbetaalde facturen. De rechtbank concludeert dan ook dat er sprake is van een rechtsbetrekking tussen partijen en dat aan dit vereiste voor de toewijzing van het verzoek is voldaan.
Hebben verweersters beschikking over de gevraagde bescheiden?
4.14.
Verzoekster stelt, op basis van de informatie die zij van [bedrijf] heeft gekregen, dat verweersters alle gevraagde bescheiden, die voor toewijzing in aanmerking komen, in hun bezit hebben. Verweersters stellen daarentegen dat [bedrijf] slechts één afrekening stuurt per dossier en dat zij alle gegevens waarover zij beschikken al aan verzoekster hebben verstrekt.
4.15.
Verzoekster heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat [bedrijf] geen verdere informatie kan geven, aangezien verzoekster de opdrachtgever niet is. Tijdens de mondelinge behandeling is gesproken over de mogelijkheid van verweersters om toestemming te geven aan verzoekster om de gevraagde bescheiden rechtstreeks bij [bedrijf] op te vragen. Verweersters hebben daarop aangegeven die toestemming niet te willen geven. Dit maakt dat verzoekster enkel via verweersters toegang kan krijgen tot de gevraagde bescheiden, terwijl verweersters die toegang al hebben of [bedrijf] om die toegang kunnen vragen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat vast is komen te staan dat verweersters beschikking hebben over de gevraagde bescheiden.
4.16.
Gelet op het voornoemde zal het verzoek op grond van artikel 843a Rv (oud) tot afgifte van bescheiden worden toegewezen voor wat betreft de in 4.12. genoemde bescheiden.
De dwangsom
4.17.
Verzoekster stelt dat de gedragingen van verweersters er recentelijk op gericht zijn geweest de spreekwoordelijke boot af te houden, waardoor zij gegronde reden heeft te twijfelen of verweersters vrijwillig aan de veroordeling zullen voldoen. Verder voert verzoekster aan dat zij verwacht dat verweersters niet alle gegevens in één keer zullen overleggen. Om te voorkomen dat zij een executiegeschil moet starten is een dwangsom volgens verzoekster aangewezen.
4.18.
Verweersters stellen echter dat de dwangsom moet worden afgewezen, dan wel gematigd, omdat een dwangsom praktisch niet uitvoerbaar is nu niet duidelijk is waarvan afschrift wordt gevraagd. Verder stellen zij dat de afrekeningen van de deurwaarder en de overeenkomsten tussen partijen al verstrekt zijn, waardoor de dwangsom niet in verhouding staat tot het verzochte.
4.19.
De rechtbank concludeert dat in 4.12. voldoende duidelijk is gemaakt waarvan afschrift moet worden verstrekt. Gelet op het feit dat verweersters afschrift van bepaalde bescheiden zullen moeten verstrekken en rekening houdende met de reeds gevoerde onderhandelingen tussen partijen is de rechtbank van oordeel dat een dwangsom is aangewezen voor het geval verweersters niet binnen een gestelde termijn aan de veroordeling voldoen. De rechtbank ziet wel grond de hoogte van de dwangsom te matigen en zal een dwangsom toewijzen van € 500,- voor iedere dag of een gedeelte van een dag, dat verweersters niet (volledig) aan de veroordeling voldoen, tot een maximum van € 50.000,-.
Kosten verstrekken afschrift
4.20.
Verweersters hebben aangevoerd dat in het geval van toewijzing van het verzoek de kosten voor het verstrekken van de stukken door verzoekster vergoed moeten worden. Deze kosten bestaan uit printkosten van € 0,03 per print en manuren à € 20,00 per uur. Verzoekster heeft geen bezwaar gemaakt tegen vergoeding van deze kosten. Gelet daarop zal de rechtbank bepalen dat verzoekster de kosten voor het verstrekken van de afschriften moet vergoeden op basis van de bovengenoemde bedragen.
Proceskostenveroordeling
4.21.
Verzoekster heeft verzocht om verweersters hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding. Aangezien verweersters grotendeels in het ongelijk zijn gesteld, worden zij veroordeeld in de proceskosten van verzoekster. Deze kosten zijn begroot op € 2.186,-. Dit bedrag is opgebouwd uit € 688,- aan griffierecht, € 1.228,- aan salaris voor de gemachtigde (€ 614,- x 2 punten) en € 270,- aan nakosten. De nakosten zijn in verband met de betekening van deze beschikking al verhoogd met € 92,- voor de kosten van de betekening.