Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-26
ECLI:NL:RBDHA:2025:9428
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,103 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.21837
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. E. Stap),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. F.S. Schoot).
Procesverloop
Bij besluit van 12 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2025, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. J.W.F. Menick, als waarnemer van zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser?
1. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Eiser voert daarbij aan dat hij al acht dagen in bewaring verblijft, zonder dat er enige vooruitgang is geboekt in zijn uitzetting naar Hongarije. Eiser voert aan dat EU-burgers doorgaans snel worden uitgezet.
1.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zowel schriftelijk als op de zitting toegelicht dat op 15 mei 2025 een aanvraag voor een laissez-passer (lp) is ingediend bij de Hongaarse autoriteiten. Op 16 mei 2025 hebben de Hongaarse autoriteiten de nationaliteit van eiser bevestigd en toegezegd een lp te verstrekken. Op 19 mei 2025 is een vluchtaanvraag verzonden aan de Koninklijke Mareschaussee in afwachting van een escortopdracht. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser.
Is eiser detentieongeschikt wegens zijn verslaving?
2. Eiser voert aan dat hij verslaafd is aan heroïne en gebruik maakt van methadon waardoor hij detentieongeschikt is. Eiser betoogt dat zijn verslaving beter behandeld kan worden in een verslavingskliniek dan in het detentiecentrum.
2.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft in de maatregel en op de zitting voldoende gemotiveerd waarom de medische omstandigheden van eiser hem niet detentieongeschikt maken. Zo wijst de minister terecht op het feit dat de medische zorg in de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Daarnaast is de verslaving van eiser doorgegeven aan het detentiecentrum zodat hij te allen tijde beroep kan doen op de medische dienst. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de beschikbare medische zorg in het detentiecentrum in dit geval onvoldoende is of dat hij niet in staat zou zijn de inbewaringstelling op verantwoordelijke wijze te ondergaan. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat eiser lijdt aan een verslaving op zichzelf niet leidt tot de conclusie dat hij detentieongeschikt is.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
3. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ABRvS 5 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:16.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.