Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-20
ECLI:NL:RBDHA:2025:9383
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,007 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:9383 text/xml public 2026-04-16T10:42:20 2025-05-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-05-20 SGR 23/6964 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:9383 text/html public 2026-04-16T10:24:31 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:9383 Rechtbank Den Haag , 20-05-2025 / SGR 23/6964 Bpm, geen aanvullende aftrek wegens schade; er bestaat geen aanleiding de in de wettelijke bepalingen vastgelegde 31%-regel buiten toepassing te verklaren. (Beroep ongegrond) Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 23/6964 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2025 in de zaak tussen [eiser], wonende te [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. S.M. Bothof), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 oktober 2023 de naheffingsaanslag gehandhaafd. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2025. Eiser is vertegenwoordigd door [gemachtigde]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] en mr. [medewerker belastingdienst 2]. Overwegingen Feiten 1. Eiser heeft op 19 januari 2023 aangifte Bpm gedaan ter zake van een Dodge Challenger Hellcat 6.2 V8 (de auto). De datum van eerste toelating is 3 juli 2019. 2. In de aangifte Bpm is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [bedrijfsnaam 1]. Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 109.330 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 56.660 (koerslijst XRay). Met inachtneming van een waardevermindering wegens schade aan de auto (de schade is bepaald op € 30.103 waarvan 72 % (€ 21.674) in aanmerking is genomen en onder aftrek van een ‘ waardeverminderende factor’ ten bedrage van € 8.079 is de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat bepaald op € 26.907. De fysieke opname heeft volgens het taxatierapport plaatsgevonden op 5 januari 2023. Het taxatierapport is gedagtekend 19 januari 2023. 3. De auto is blijkens de inkoopfactuur gekocht met schade (unfalschaden) voor een bedrag van € 20.800 (excl. Btw en Bpm). 4. De datum van keuring door de RDW is 10 januari 2023. 5. Er heeft een hertaxatie plaatsgevonden door Domein Roerende Zaken (DRZ). Het DRZ-rapport van 6 februari 2023 vermeldt een historische nieuwprijs van € 109.330, een netto catalogusprijs van € 45.882, een handelsinkoopwaarde van € 56.660 (koerslijst Eurotax XchangeNet) en een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 52.539 (schade € 13.120, aftrek 31 % (€ 4.067)). In het DRZ-rapport is onder ‘bevindingen/opmerkingen’ (punt 6 van het rapport) het volgende opgenomen [onderlijning door rechtbank]: “*De taxateur van DRZ heeft geen defecten kunnen vaststellen aan de transmissie. Er zijn geen meldingen weergegeven in het display, tevens is het voertuig naar binnen en naar buiten gereden bij de controle. In de aangifte is geen enkele onderbouwing m.b.t. een defect aan de transmissie welke de opgegeven reparatie rechtvaardigd. Op basis van deze feiten en omstandigeheden heeft DRZ de opgegeven herstelkosten afgewezen. Er is reeds aan het voertuig gerepareerd. De door DRZ berekende herstelkosten zijn afdoende om het voertuig terug te brengen in een nette staat. Het aangegeven voertuig is voor de berekening van de consumentenprijs en handelsinkoopwaarde niet te selecteren in de koerslijsten. DRZ heeft de berekende waarden overgenomen uit de aangifte welke gebasseerd zijn op en Chevrolet Camaro. Er zijn geen redenen om hiervan af te wijken. Voor de calculatie van de opgegeven waardevermindering is in de aangifte uitgegaan van een Audi S5 als fantoomvoertuig. DRZ heeft als fantoomvoertuig een BMW 6-serie geselecteerd. Deze wordt aangegeven als officieel fantoomvoertuig.” 6. De volgens de aangifte verschuldigde Bpm bedraagt € 22.328 en is voldaan. 7. Verweerder heeft een naheffingsaanslag van € 11.467 opgelegd. De vaststelling van de waarde van de auto voor de berekening van de Bpm is berekend aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel, omdat die gunstiger is voor eiseres dan op basis van de waardebepaling van DRZ. Geschil 8. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek in geschil is: of de DRZ deskundig is en of het rapport van de DRZ voldoet aan de eisen die het recht daaraan stelt; of verweerder een te lage waardevermindering wegens schade in aanmerking heeft genomen, waarbij tevens in geschil is of de schadeaftrek terecht op 31% is gesteld; of de historische nieuwprijs tot het juiste bedrag vastgesteld; of meerdere fundamentele beginselen geschonden zijn; of de uitspraak op bezwaar is genomen in strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (het mandaatverbod). Beoordeling van het geschil Deskundigheid hertaxateur DRZ 9. De hertaxateur van DRZ heeft tot een lager bedrag dan eisers taxateur schade anders dan normale gebruikersschade geconstateerd. Voor zover eiser meent dat de taxateur van DRZ niet deskundig is, overweegt de rechtbank dat het verweerder vrij staat om een deskundige naar eigen keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op de door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. De rechtbank heeft, afgaande op de inhoud van het DRZ-rapport en de daarop gegeven toelichting, geen reden aan de deskundigheid of de onafhankelijkheid van de (her)taxateur te twijfelen. Waardevermindering wegens schade 10. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiser gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiser. Hij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat zij met verweerder van oordeel is dat dit rapport van het bewijs dient te worden uitgesloten en dient te worden verworpen, vanwege diverse formele en materiële gebreken die aan het taxatierapport van eiser kleven, zoals door verweerder ook uitgebreid weergegeven in zijn verweerschrift. Naar het oordeel van de rechtbank dient eisers taxatierapport reeds te worden verworpen vanwege het feit dat de staat van de auto tijdens de opname en zoals weergegeven in het taxatierapport duidelijk niet overeenkomt met de staat van de auto ten tijde van de inschrijving c.q. goedkeuring door de RDW. Er zijn immers essentiële gebreken opgenomen, terwijl het voertuig door de RDW is goedgekeurd en DRZ deze ook niet heeft waargenomen. Kennelijk zijn deze schadeposten hersteld vóór keuring door de RDW en de opname door DRZ. Ook zijn er schadeposten gecalculeerd op basis van zichtbare schade en zonder deugdelijke onderbouwing van fotomateriaal, terwijl deze tijdens de controle door DRZ niet (meer) aanwezig waren. Verder is ook niet voldaan aan voorwaarden van de zogenoemde 1-maandstermijn; de expertise door de taxateur van eiseres heeft, aldus de taxateur, op 25 november 2020 plaatsgevonden, terwijl het taxatierapport dateert van 7 januari 2021. Verweerder wijst in dit verband terecht ook nog op de aankoopprijs van € 20.800, welke ook een belangrijk uitgangspunt is en waarin ook steun te vinden is voor de conclusie dat eisers taxatie onjuist en ondeugdelijk is.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:9383 text/xml public 2026-04-16T10:42:20 2025-05-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-05-20 SGR 23/6964 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:9383 text/html public 2026-04-16T10:24:31 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:9383 Rechtbank Den Haag , 20-05-2025 / SGR 23/6964 Bpm, geen aanvullende aftrek wegens schade; er bestaat geen aanleiding de in de wettelijke bepalingen vastgelegde 31%-regel buiten toepassing te verklaren. (Beroep ongegrond) Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 23/6964 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2025 in de zaak tussen [eiser], wonende te [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. S.M. Bothof), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 oktober 2023 de naheffingsaanslag gehandhaafd. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2025. Eiser is vertegenwoordigd door [gemachtigde]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] en mr. [medewerker belastingdienst 2]. Overwegingen Feiten 1. Eiser heeft op 19 januari 2023 aangifte Bpm gedaan ter zake van een Dodge Challenger Hellcat 6.2 V8 (de auto). De datum van eerste toelating is 3 juli 2019. 2. In de aangifte Bpm is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [bedrijfsnaam 1]. Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 109.330 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 56.660 (koerslijst XRay). Met inachtneming van een waardevermindering wegens schade aan de auto (de schade is bepaald op € 30.103 waarvan 72 % (€ 21.674) in aanmerking is genomen en onder aftrek van een ‘ waardeverminderende factor’ ten bedrage van € 8.079 is de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat bepaald op € 26.907. De fysieke opname heeft volgens het taxatierapport plaatsgevonden op 5 januari 2023. Het taxatierapport is gedagtekend 19 januari 2023. 3. De auto is blijkens de inkoopfactuur gekocht met schade (unfalschaden) voor een bedrag van € 20.800 (excl. Btw en Bpm). 4. De datum van keuring door de RDW is 10 januari 2023. 5. Er heeft een hertaxatie plaatsgevonden door Domein Roerende Zaken (DRZ). Het DRZ-rapport van 6 februari 2023 vermeldt een historische nieuwprijs van € 109.330, een netto catalogusprijs van € 45.882, een handelsinkoopwaarde van € 56.660 (koerslijst Eurotax XchangeNet) en een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 52.539 (schade € 13.120, aftrek 31 % (€ 4.067)). In het DRZ-rapport is onder ‘bevindingen/opmerkingen’ (punt 6 van het rapport) het volgende opgenomen [onderlijning door rechtbank]: “*De taxateur van DRZ heeft geen defecten kunnen vaststellen aan de transmissie. Er zijn geen meldingen weergegeven in het display, tevens is het voertuig naar binnen en naar buiten gereden bij de controle. In de aangifte is geen enkele onderbouwing m.b.t. een defect aan de transmissie welke de opgegeven reparatie rechtvaardigd. Op basis van deze feiten en omstandigeheden heeft DRZ de opgegeven herstelkosten afgewezen. Er is reeds aan het voertuig gerepareerd. De door DRZ berekende herstelkosten zijn afdoende om het voertuig terug te brengen in een nette staat. Het aangegeven voertuig is voor de berekening van de consumentenprijs en handelsinkoopwaarde niet te selecteren in de koerslijsten. DRZ heeft de berekende waarden overgenomen uit de aangifte welke gebasseerd zijn op en Chevrolet Camaro. Er zijn geen redenen om hiervan af te wijken. Voor de calculatie van de opgegeven waardevermindering is in de aangifte uitgegaan van een Audi S5 als fantoomvoertuig. DRZ heeft als fantoomvoertuig een BMW 6-serie geselecteerd. Deze wordt aangegeven als officieel fantoomvoertuig.” 6. De volgens de aangifte verschuldigde Bpm bedraagt € 22.328 en is voldaan. 7. Verweerder heeft een naheffingsaanslag van € 11.467 opgelegd. De vaststelling van de waarde van de auto voor de berekening van de Bpm is berekend aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel, omdat die gunstiger is voor eiseres dan op basis van de waardebepaling van DRZ. Geschil 8. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek in geschil is: of de DRZ deskundig is en of het rapport van de DRZ voldoet aan de eisen die het recht daaraan stelt; of verweerder een te lage waardevermindering wegens schade in aanmerking heeft genomen, waarbij tevens in geschil is of de schadeaftrek terecht op 31% is gesteld; of de historische nieuwprijs tot het juiste bedrag vastgesteld; of meerdere fundamentele beginselen geschonden zijn; of de uitspraak op bezwaar is genomen in strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (het mandaatverbod). Beoordeling van het geschil Deskundigheid hertaxateur DRZ 9. De hertaxateur van DRZ heeft tot een lager bedrag dan eisers taxateur schade anders dan normale gebruikersschade geconstateerd. Voor zover eiser meent dat de taxateur van DRZ niet deskundig is, overweegt de rechtbank dat het verweerder vrij staat om een deskundige naar eigen keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op de door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. De rechtbank heeft, afgaande op de inhoud van het DRZ-rapport en de daarop gegeven toelichting, geen reden aan de deskundigheid of de onafhankelijkheid van de (her)taxateur te twijfelen. Waardevermindering wegens schade 10. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiser gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiser. Hij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat zij met verweerder van oordeel is dat dit rapport van het bewijs dient te worden uitgesloten en dient te worden verworpen, vanwege diverse formele en materiële gebreken die aan het taxatierapport van eiser kleven, zoals door verweerder ook uitgebreid weergegeven in zijn verweerschrift. Naar het oordeel van de rechtbank dient eisers taxatierapport reeds te worden verworpen vanwege het feit dat de staat van de auto tijdens de opname en zoals weergegeven in het taxatierapport duidelijk niet overeenkomt met de staat van de auto ten tijde van de inschrijving c.q. goedkeuring door de RDW. Er zijn immers essentiële gebreken opgenomen, terwijl het voertuig door de RDW is goedgekeurd en DRZ deze ook niet heeft waargenomen. Kennelijk zijn deze schadeposten hersteld vóór keuring door de RDW en de opname door DRZ. Ook zijn er schadeposten gecalculeerd op basis van zichtbare schade en zonder deugdelijke onderbouwing van fotomateriaal, terwijl deze tijdens de controle door DRZ niet (meer) aanwezig waren. Verder is ook niet voldaan aan voorwaarden van de zogenoemde 1-maandstermijn; de expertise door de taxateur van eiseres heeft, aldus de taxateur, op 25 november 2020 plaatsgevonden, terwijl het taxatierapport dateert van 7 januari 2021. Verweerder wijst in dit verband terecht ook nog op de aankoopprijs van € 20.800, welke ook een belangrijk uitgangspunt is en waarin ook steun te vinden is voor de conclusie dat eisers taxatie onjuist en ondeugdelijk is.
Volledig
Dat zou immers betekenen dat eiser op basis het taxatierapport en de aangifte Bpm een bedrag van € 72.231 (aankoopbedrag + schadebedrag + betaalde Bpm, exclusief p.m.) heeft betaald voor een auto in beschadigde staat terwijl de taxateur aangeeft dat de auto maar € 26.907 (inclusief Btw en Bpm en schade) waard zou zijn. 11. Eiser kan zich dan ook niet op het taxatierapport beroepen ter ondersteuning van zijn stelling dat teveel Bpm is nageheven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser daarmee dus ook niet aannemelijk gemaakt dat de auto ten tijde van het doen van aangifte meer schade had dan door verweerder is onderkend. Dat binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade en dat een of meer van de volgens dat beleid geldende schade zich voordoet bij de auto, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder noch DRZ is gebonden aan beleid dat binnen de branche zou zijn ontwikkeld. Schadeaftrek 31% 12. Eiser stelt dat het door DRZ vastgestelde percentage van de schadeaftrek van 31% te laag is. Volgens eiser dient de waardevermindering minstens op 72% vastgesteld te worden. Eiser stelt daarbij ook dat de zogenoemde 31%-regel (die de aftrek in beginsel beperkt tot 31% van de schade) zoals vastgesteld in artikel 3.5 van Bijlage 1 van de Uitvoeringregeling Wet BPM onverbindend verklaard dient te worden, omdat de gegevens die ten grondslag liggen aan de totstandkoming van die regel niet openbaar zijn gemaakt. 13. Artikel 3.5 van Bijlage 1 van de Uitvoeringregeling Wet BPM, luidt voor het onderhavige jaar als volgt: “ De waardevermindering als gevolg van schade aan het te taxeren motorrijtuig ten opzichte van de vastgestelde waarde op basis van het referentiemotorrijtuig wordt, behoudens tegenbewijs, geacht 31% te bedragen van de getaxeerde herstelkosten. Aan het tegenbewijs is in ieder geval voldaan voor zover aannemelijk wordt gemaakt dat met een hoger percentage de taxatiewaarde ten minste het bedrag is dat is vermeld in de inkoopfactuur of inkoopverklaring (exclusief de buitenlandse belastingen, maar vermeerderd met de in Nederland verschuldigde bpm en btw), mits aannemelijk is gemaakt en door de belastingplichtige is verklaard dat het motorrijtuig in dezelfde staat verkeert als ten tijde van de inkoop. Het tegenbewijs kan in ieder geval niet in algemene zin betrekking hebben op het autosegment, de leeftijd of de kilometrage van het motorrijtuig. Op verzoek van de inspecteur moeten nadere bewijsstukken worden overgelegd. ” 14. Verweerder heeft, overeenkomstig de bevindingen en conclusies van zijn deskundige van DRZ én overeenkomstig de hiervoor aangehaalde wettelijke bepaling, de schadeaftrek beperkt tot 31% van de getaxeerde herstelkosten. Dit is in beginsel terecht; het is dan vervolgens aan eiser om aannemelijk te maken dat de schade die is geconstateerd voor een hoger percentage in aanmerking dient te worden genomen. Daarin is eiser niet geslaagd. De rechtbank stelt hierbij voorop dat, nu hiervoor reeds is geoordeeld dat het taxatierapport van eiser niet kan dienen, daarin geen ondersteuning kan worden gevonden voor de conclusie dat de schade tot een hoger percentage in aanmerking moet worden genomen. Ook overigens heeft eiser voor de door DRZ vastgestelde schadeposten geen voldoende concrete argumenten of onderbouwing gegeven op grond waarvan dat kan worden geconcludeerd. Dit ondanks dat dit dus wel op zijn weg lag en eiser ook, uitgaande van de in het rapport van DRZ gespecificeerde in aanmerkingenomen schade, beschikte over voldoende gegevens om in staat te zijn om bewijs te leveren dat een hoger percentage in aanmerking diende te worden genomen. 15. Anders dan eiser bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding de in de wettelijke bepalingen vastgelegde 31%-regel buiten toepassing te verklaren, enkel omdat deze regeling is gebaseerd op een nieuw onderzoek, uitgevoerd door [bedrijfsnaam 2], waarin weliswaar wordt geconcludeerd dat schade voor 23% in mindering komt op de waarde van een auto maar waarvan de aan het onderzoek ten grondslag liggende gegevens en datasets zijn niet openbaar gemaakt. De rechtbank acht daarbij tevens van belang dat eiser nog altijd de mogelijkheid heeft om, in afwijking van de uitkomsten van het bewuste onderzoek en de daarop gebaseerde wettelijk vastgelegde 31%-regeling, ervan bewijs te leveren dat de schade tot een hoge percentage in mindering op de waarde dient te komen. Historische nieuwprijs 16. Bij registratie van gebruikte auto’s wordt de Bpm ingevolge artikel 10 van de Wet op de Bpm berekend met inachtneming van een vermindering. De wet- en regelgever heeft voorzien in drie methoden waaruit – met inachtneming van bepaalde voorwaarden – kan worden gekozen om die reële waardedaling aannemelijk te maken, namelijk door verwijzing naar een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland, onder overlegging van een kopie van de passage uit die koerslijst waaraan de toegepaste afschrijving is ontleend, ofwel door een verklaring van een onafhankelijke, erkende taxateur dat de in het taxatierapport opgegeven waarde door hem naar waarheid is vastgesteld aan de hand van een gedegen fysieke opname van het motorrijtuig, onder vermelding van datum, begin- en eindtijd van deze fysieke opname en naam, adres en woonplaats van degene die de taxatie feitelijk heeft verricht. Indien de belastingplichtige geen gebruik maakt van één van de hiervoor bedoelde opgaven, wordt de afschrijving bepaald aan de hand van de in artikel 8, lid 5, Uitvoeringsregeling Bpm voorziene afschrijvingstabel (de afschrijvingstabel). De belastingplichtige die kiest voor één van die methodes dient, in geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur, de feiten aannemelijk te maken die meebrengen (a) dat die methode in zijn geval mag worden toegepast en (b) dat de toepassing van die methode leidt tot de door hem verdedigde waarde. 17. Eiser heeft gekozen voor aangifte met een taxatierapport. Verweerder heeft, naar het oordeel van de rechtbank terecht (zie hiervoor onder 11.), geconstateerd dat het bij de aangifte overgelegde taxatierapport niet kan dienen voor de vaststelling van de verschuldigde Bpm. 18. De rechtbank stelt vast dat DRZ de aangifte van eiser heeft gevolgd voor wat betreft de historische nieuwprijs van € 109.330. Verder staat vast dat voor de auto geen koerslijst beschikbaar is, omdat de auto (een Dodge Challenger Hellcat 6.2 V8) niet voorkomt op een koerslijst. Er is enkel aansluiting gezocht bij een referentievoertuig, zijnde een Chevrolet Camaro Coupé 6.21 V8 Touring Aut, om het afschrijvingspercentage te benaderen. Daarbij geldt dat DRZ méér dan gewone gebruikersschade aan de auto heeft geconstateerd, en daarvan 31% op de handelsinkoopwaarde in mindering heeft gebracht. Eiser bepleit nu dat voor de bepaling van het afschrijvingspercentage moet worden uitgegaan van de catalogusprijs van de Chevrolet Camaro Coupé, verhoogd met de bruto Bpm van de auto (de Dodge Challenger), en dat deze moet worden afgezet tegen de handelsinkoopwaarde van de Chevrolet Camaro Coupé (koerslijstwaarde) minus de in aanmerking te nemen schade. Dat is naar het oordeel van de rechtbank een onjuiste benaderingswijze. Immers, op die wijze worden ongelijke grootheden met elkaar vergelijken, en dat leidt niet tot een juiste uitkomst van het te bepalen afschrijvingspercentage. Volgens het hiervoor onder 16. beschreven wettelijk systeem wordt de afschrijving van de auto dan bepaald aan de hand van de afschrijvingstabel. Dat heeft verweerder ook gedaan, aangezien dat alsdan de voor eiser meest gunstige uitkomst was. Alsdan is de historische nieuwprijs verder niet relevant voor de verschuldigde Bpm. Ook in zoverre treft eisers beroep dus geen grond. 19. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond. Mandaatverbod en schending fundamentele beginselen 20. Eiser stelt dat de uitspraak op bezwaar mogelijk onbevoegd is genomen. Ter onderbouwing voert hij aan dat de kennisgeving en de mededeling naheffingsaanslag zijn ondertekend door drs.
Volledig
Dat zou immers betekenen dat eiser op basis het taxatierapport en de aangifte Bpm een bedrag van € 72.231 (aankoopbedrag + schadebedrag + betaalde Bpm, exclusief p.m.) heeft betaald voor een auto in beschadigde staat terwijl de taxateur aangeeft dat de auto maar € 26.907 (inclusief Btw en Bpm en schade) waard zou zijn. 11. Eiser kan zich dan ook niet op het taxatierapport beroepen ter ondersteuning van zijn stelling dat teveel Bpm is nageheven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser daarmee dus ook niet aannemelijk gemaakt dat de auto ten tijde van het doen van aangifte meer schade had dan door verweerder is onderkend. Dat binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade en dat een of meer van de volgens dat beleid geldende schade zich voordoet bij de auto, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder noch DRZ is gebonden aan beleid dat binnen de branche zou zijn ontwikkeld. Schadeaftrek 31% 12. Eiser stelt dat het door DRZ vastgestelde percentage van de schadeaftrek van 31% te laag is. Volgens eiser dient de waardevermindering minstens op 72% vastgesteld te worden. Eiser stelt daarbij ook dat de zogenoemde 31%-regel (die de aftrek in beginsel beperkt tot 31% van de schade) zoals vastgesteld in artikel 3.5 van Bijlage 1 van de Uitvoeringregeling Wet BPM onverbindend verklaard dient te worden, omdat de gegevens die ten grondslag liggen aan de totstandkoming van die regel niet openbaar zijn gemaakt. 13. Artikel 3.5 van Bijlage 1 van de Uitvoeringregeling Wet BPM, luidt voor het onderhavige jaar als volgt: “ De waardevermindering als gevolg van schade aan het te taxeren motorrijtuig ten opzichte van de vastgestelde waarde op basis van het referentiemotorrijtuig wordt, behoudens tegenbewijs, geacht 31% te bedragen van de getaxeerde herstelkosten. Aan het tegenbewijs is in ieder geval voldaan voor zover aannemelijk wordt gemaakt dat met een hoger percentage de taxatiewaarde ten minste het bedrag is dat is vermeld in de inkoopfactuur of inkoopverklaring (exclusief de buitenlandse belastingen, maar vermeerderd met de in Nederland verschuldigde bpm en btw), mits aannemelijk is gemaakt en door de belastingplichtige is verklaard dat het motorrijtuig in dezelfde staat verkeert als ten tijde van de inkoop. Het tegenbewijs kan in ieder geval niet in algemene zin betrekking hebben op het autosegment, de leeftijd of de kilometrage van het motorrijtuig. Op verzoek van de inspecteur moeten nadere bewijsstukken worden overgelegd. ” 14. Verweerder heeft, overeenkomstig de bevindingen en conclusies van zijn deskundige van DRZ én overeenkomstig de hiervoor aangehaalde wettelijke bepaling, de schadeaftrek beperkt tot 31% van de getaxeerde herstelkosten. Dit is in beginsel terecht; het is dan vervolgens aan eiser om aannemelijk te maken dat de schade die is geconstateerd voor een hoger percentage in aanmerking dient te worden genomen. Daarin is eiser niet geslaagd. De rechtbank stelt hierbij voorop dat, nu hiervoor reeds is geoordeeld dat het taxatierapport van eiser niet kan dienen, daarin geen ondersteuning kan worden gevonden voor de conclusie dat de schade tot een hoger percentage in aanmerking moet worden genomen. Ook overigens heeft eiser voor de door DRZ vastgestelde schadeposten geen voldoende concrete argumenten of onderbouwing gegeven op grond waarvan dat kan worden geconcludeerd. Dit ondanks dat dit dus wel op zijn weg lag en eiser ook, uitgaande van de in het rapport van DRZ gespecificeerde in aanmerkingenomen schade, beschikte over voldoende gegevens om in staat te zijn om bewijs te leveren dat een hoger percentage in aanmerking diende te worden genomen. 15. Anders dan eiser bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding de in de wettelijke bepalingen vastgelegde 31%-regel buiten toepassing te verklaren, enkel omdat deze regeling is gebaseerd op een nieuw onderzoek, uitgevoerd door [bedrijfsnaam 2], waarin weliswaar wordt geconcludeerd dat schade voor 23% in mindering komt op de waarde van een auto maar waarvan de aan het onderzoek ten grondslag liggende gegevens en datasets zijn niet openbaar gemaakt. De rechtbank acht daarbij tevens van belang dat eiser nog altijd de mogelijkheid heeft om, in afwijking van de uitkomsten van het bewuste onderzoek en de daarop gebaseerde wettelijk vastgelegde 31%-regeling, ervan bewijs te leveren dat de schade tot een hoge percentage in mindering op de waarde dient te komen. Historische nieuwprijs 16. Bij registratie van gebruikte auto’s wordt de Bpm ingevolge artikel 10 van de Wet op de Bpm berekend met inachtneming van een vermindering. De wet- en regelgever heeft voorzien in drie methoden waaruit – met inachtneming van bepaalde voorwaarden – kan worden gekozen om die reële waardedaling aannemelijk te maken, namelijk door verwijzing naar een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland, onder overlegging van een kopie van de passage uit die koerslijst waaraan de toegepaste afschrijving is ontleend, ofwel door een verklaring van een onafhankelijke, erkende taxateur dat de in het taxatierapport opgegeven waarde door hem naar waarheid is vastgesteld aan de hand van een gedegen fysieke opname van het motorrijtuig, onder vermelding van datum, begin- en eindtijd van deze fysieke opname en naam, adres en woonplaats van degene die de taxatie feitelijk heeft verricht. Indien de belastingplichtige geen gebruik maakt van één van de hiervoor bedoelde opgaven, wordt de afschrijving bepaald aan de hand van de in artikel 8, lid 5, Uitvoeringsregeling Bpm voorziene afschrijvingstabel (de afschrijvingstabel). De belastingplichtige die kiest voor één van die methodes dient, in geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur, de feiten aannemelijk te maken die meebrengen (a) dat die methode in zijn geval mag worden toegepast en (b) dat de toepassing van die methode leidt tot de door hem verdedigde waarde. 17. Eiser heeft gekozen voor aangifte met een taxatierapport. Verweerder heeft, naar het oordeel van de rechtbank terecht (zie hiervoor onder 11.), geconstateerd dat het bij de aangifte overgelegde taxatierapport niet kan dienen voor de vaststelling van de verschuldigde Bpm. 18. De rechtbank stelt vast dat DRZ de aangifte van eiser heeft gevolgd voor wat betreft de historische nieuwprijs van € 109.330. Verder staat vast dat voor de auto geen koerslijst beschikbaar is, omdat de auto (een Dodge Challenger Hellcat 6.2 V8) niet voorkomt op een koerslijst. Er is enkel aansluiting gezocht bij een referentievoertuig, zijnde een Chevrolet Camaro Coupé 6.21 V8 Touring Aut, om het afschrijvingspercentage te benaderen. Daarbij geldt dat DRZ méér dan gewone gebruikersschade aan de auto heeft geconstateerd, en daarvan 31% op de handelsinkoopwaarde in mindering heeft gebracht. Eiser bepleit nu dat voor de bepaling van het afschrijvingspercentage moet worden uitgegaan van de catalogusprijs van de Chevrolet Camaro Coupé, verhoogd met de bruto Bpm van de auto (de Dodge Challenger), en dat deze moet worden afgezet tegen de handelsinkoopwaarde van de Chevrolet Camaro Coupé (koerslijstwaarde) minus de in aanmerking te nemen schade. Dat is naar het oordeel van de rechtbank een onjuiste benaderingswijze. Immers, op die wijze worden ongelijke grootheden met elkaar vergelijken, en dat leidt niet tot een juiste uitkomst van het te bepalen afschrijvingspercentage. Volgens het hiervoor onder 16. beschreven wettelijk systeem wordt de afschrijving van de auto dan bepaald aan de hand van de afschrijvingstabel. Dat heeft verweerder ook gedaan, aangezien dat alsdan de voor eiser meest gunstige uitkomst was. Alsdan is de historische nieuwprijs verder niet relevant voor de verschuldigde Bpm. Ook in zoverre treft eisers beroep dus geen grond. 19. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond. Mandaatverbod en schending fundamentele beginselen 20. Eiser stelt dat de uitspraak op bezwaar mogelijk onbevoegd is genomen. Ter onderbouwing voert hij aan dat de kennisgeving en de mededeling naheffingsaanslag zijn ondertekend door drs.