Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-23
ECLI:NL:RBDHA:2025:9163
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,422 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20470
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Tunesische nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).
Inleiding
1. De minister heeft op 27 februari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft op 2 mei 2025 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 mei 2025, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al tweemaal eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 17 april 2025 (in de zaak NL25.14701) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 11 april 2025 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Beroepsgronden eiser
4. Eiser betoogt dat de voortduring van de bewaring onrechtmatig is. Hiertoe voert hij aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting, door enkel te rappelleren op de lp-aanvraag en vertrekgesprekken met hem te voeren. Daarnaast voert eiser aan dat geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, aangezien hij ongedocumenteerd is en de Tunesische autoriteiten volgens hem minder meewerkend zijn dan die van buurlanden, zoals Marokko. Bovendien is op de lp-aanvraag tot op heden nog geen reactie ontvangen. Tot slot voert eiser aan dat de bewaring hem zwaar valt en dat daarom een lichter middel in de rede ligt.
Oordeel rechtbank
5. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank overweegt dat – zoals de Afdeling in haar uitspraak van 6 juni 2016 heeft geoordeeld – zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw. De bewaring is namelijk niet gericht op terugkeer. Hieruit volgt dat de minister bij inbewaringstelling op grond van deze grondslag in de regel niet gehouden is om voortvarend handelingen te verrichten ter voorbereiding van de uitzetting van eiser. Uit de voortgangsrapportage blijkt bovendien dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure eenmaal heeft gerappelleerd op de lp-aanvraag bij Tunesië en een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd.
5.1.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. De enkele stelling van eiser dat de bewaring hem zwaar valt, leidt niet tot het oordeel dat de minister om die reden met een lichter middel had moeten volstaan of tot het oordeel dat de vreemdelingenbewaring om die reden niet gerechtvaardigd is.
5.2.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr.
S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, 17 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:6549.
Laissez-passer.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 6 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1552; opnieuw bevestigd bij uitspraak van 22 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1946.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1553, en de uitspraak van 31 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2434.