Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-30
ECLI:NL:RBDHA:2025:9047
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,028 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18839
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: K. Kanters).
Procesverloop
De minister heeft op 23 januari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft de rechtmatigheid van deze maatregel van bewaring al eerder getoetst. Uit de uitspraak van deze zittingsplaats van 14 februari 2025 (in de zaak NL25.4437) volgt dat de bewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek op 10 februari 2025 rechtmatig was.
De minister heeft de rechtbank op 23 april 2025 door middel van een kennisgeving van de voortduring van de maatregel in kennis gesteld en een voortgangsrapportage overgelegd.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.
Eiser heeft op de kennisgeving een reactie gegeven. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 29 april 2025 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt dat hij de Algerijnse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 1999.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. Eiser stelt zich vooralsnog niet op het standpunt dat zijn bewaring in redelijkheid niet langer gerechtvaardigd is te achten. Eiser verzoekt de rechtbank zijn bewaring ambtshalve te toetsen.
Zicht op uitzetting en voortvarendheid
4. De rechtbank overweegt als volgt. Het onderzoek bij de Algerijnse autoriteiten loopt. De minister rappelleert regelmatig bij deze autoriteiten in verband met de afgifte van een lp, laatstelijk op 17 april 2025. Daarnaast voert de minister regelmatig een vertrekgesprek met eiser, laatstelijk op 8 april 2025. Verder geldt onverminderd dat op eiser de plicht rust om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan zijn uitzetting. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aangetoond dat hij hier voldoende invulling aan heeft gegeven.
Belangenafweging
5. Er zijn geen feiten of omstandigheden die – gelet op de duur van deze bewaring – voor de minister aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen.
Ambtshalve toetsing
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
7. De rechtbank komt tot de conclusie dat de voortduring van de maatregel van bewaring van eiser nog steeds rechtmatig is.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van N.J.R. Kalaykhan, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
30 april 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.