Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-22
ECLI:NL:RBDHA:2025:9026
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,191 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.21829
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 28 maart 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 16 mei 2025 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1999.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 10 april 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 9 april 2025, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 9 april 2025.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat enkel schriftelijke rappels zijn verstuurd. Uit het vertrekgesprek blijkt ook dat eiser zijn medewerking aan een gedwongen verwijdering nog steeds verleend. Buiten eisers schuld is de geboorteakte die is afgegeven aan het IOM nog niet in het bezit van de DT&V. Daarnaast voert eiser aan dat hij reeds vanaf 15 december 2024 zich in de handen van de tot zijn uitzetting bevoegde autoriteiten bevindt, zodat zijn belang bij invrijheidstelling zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder bij het voortduren van de bewaring.
5. Uit de voortgangsrapportage van verweerder volgt dat op 10 april 2025, 17 april 2025 en 1 mei 2025 is gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten over het verloop van de lp-aanvraag en dat op 30 april 2025 met eiser een vertrekgesprek is gehouden. Daarnaast is in de uitspraak van 10 april 2025 reeds overwogen dat niet is gebleken dat eiser daadwerkelijk contact met de IOM heeft gehad. Hieruit blijkt dus niet dat eiser enige inspanning heeft verricht om te vertrekken, terwijl op hem de verplichting rust actief en volledig mee te werken aan zijn uitzetting, ook vanuit detentie. Naar het oordeel van de rechtbank handelt verweerder dan ook voldoende voortvarend.
6. Tot slot zijn door eiser geen nieuwe omstandigheden gesteld die bewaring onredelijk bezwarend voor hem maken. Uit de voortgangsrapportage blijkt afdoende dat verweerder een voortdurende afweging heeft gemaakt of de bewaring kon voortduren. De rechtbank concludeert dat aan het belang van verweerder bij voortduring van de maatregel meer gewicht toekomt dan aan het belang van eiser bij invrijheidsstelling.
7. Met inachtneming van de ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 22 mei 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
ECLI:NL:RBDHA:2025:6004.
Internationale Organisatie voor Migratie.
Dienst Terugkeer en Vertrek.
Laissez-passer.