Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-20
ECLI:NL:RBDHA:2025:9002
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,230 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20641
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A. Izat).
Procesverloop
Bij besluit van 4 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 14 mei 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Verweerder is in de gelegenheid gesteld de melding van 25 februari 2025 dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken (MOB-melding) na de zitting aan het dossier toe te voegen. Eiser is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.
Overwegingen
De bewaringsmaatregel
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken.
Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. Eiser betwist alle zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Voor wat betreft zware grond 3a en 3b voert eiser in de kern aan dat de MOB-melding die verweerder na de zitting aan het dossier heeft toegevoegd niet op ambtseed is opgemaakt en dat hieruit niet blijkt dat eiser daadwerkelijk MOB vertrokken is. Verder is volgens eiser niet relevant dat eiser zich in Duitsland aan het toezicht zou hebben onttrokken en blijkt uit de reisbeschrijving waarnaar verweerder in de maatregel verwijst niet dat eiser Nederland onrechtmatig is binnengekomen. Tot slot voert eiser aan dat de door verweerder op de zitting gegeven nadere motivering van de zware en lichte gronden in strijd is met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
3. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), volgt dat verweerder bij de zware gronden 3a en 3b kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zware grond 3a zich feitelijk voordoet. Eiser heeft immers verklaard zonder documenten, en dus niet op de juiste wijze, Nederland te zijn ingereisd, en ook nooit documenten te hebben gehad. Verweerder heeft zware grond 3a dan ook aan de bewaringsmaatregel ten grondslag kunnen leggen.
5. Verweerder heeft zich ook terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat zware grond 3b zich feitelijk voordoet. Verweerder heeft na de zitting een screenshot van zijn interne systeem aan het dossier toegevoegd waaruit blijkt dat eiser op 27 februari 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de registratie voldoende dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Dat een processtuk niet op ambtseed is opgemaakt, maakt niet dat hier geen waarde aan mag worden gehecht. Uit paragraaf A2/10.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000, waarnaar eiser verwijst, volgt ook niet dat verweerder een MOB-melding met een ambtsedig proces-verbaal moet onderbouwen. Daarnaast blijkt uit de brief van verweerder van 25 februari 2025, waarin verweerder de Duitse autoriteiten ervan op de hoogte stelt dat eiser niet bij de geplande overdracht is verschenen, ook dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Verweerder heeft zware grond 3b dan ook aan de bewaringsmaatregel ten grondslag kunnen leggen.
6. De zware gronden 3a en 3b, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voert dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Aan de bespreking van wat eiser verder ten aanzien van de zware en lichte gronden naar voren heeft gebracht, waaronder de verwijzing naar het Mahdi-arrest, komt de rechtbank daarom niet toe.
7. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
8. Eiser voert aan dat verweerder niet, dan wel onvoldoende, heeft getoetst of er een lichter middel had moeten worden toegepast. Uit het proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan de bewaringsmaatregel blijkt dat de verbalisant aan eiser heeft medegedeeld dat eiser geen redenen heeft aangedragen waardoor hij van zijn beslissing om eiser in bewaring te stellen zou moeten afzien. Eiser meent dat verweerder vooringenomen was en dat het besluit om hem in bewaring te stellen al vast stond. Volgens eiser is de afweging om dit besluit in te trekken anders dan de afweging om wel of geen lichter middel toe te passen.
9. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. De verbalisant heeft aan het begin van het gehoor voorafgaand aan de bewaringsmaatregel gezegd dat het de bedoeling is dat zij na het gehoor een beslissing zal nemen, en dat ze voornemens is een bewaringsmaatregel op te leggen, maar dat zij eerst eisers verhaal wil horen. De vragen die vervolgens aan eiser zijn gesteld, geven voldoende aan dat de verbalisant het doel had een geïnformeerd besluit te nemen, en niet vooringenomen was. Zo heeft de verbalisant gevraagd naar de medische gezondheid van eiser, of hij een partner en/of familie heeft, of er omstandigheden zijn om een lichter middel toe te passen, de bereidheid van eiser om terug te keren naar Duitsland, en de redenen waarom eiser niet in het bezit was van identiteitsdocumenten. Dat zij vervolgens het woord ‘beslissing’ heeft gebruikt in plaats van ‘voornemen’, is naar het oordeel van de rechtbank in het licht van deze omstandigheden onvoldoende voor het oordeel dat vanaf het begin al vast stond dat niet zou worden volstaan met een lichter middel. Van persoonlijke omstandigheden die de bewaring onevenredig bezwarend maken, is de rechtbank verder niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
10. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 18 december 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:21673).