Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:8975
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,361 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.3374
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser,
(gemachtigde: mr. D.H. Yabasun),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. R. Hopman).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 17 januari 2025 niet in behandeling genomen omdat volgens de minister Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft beroep op 11 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser heeft zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard. Dit is niet in geschil.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Moet de minister de aanvraag onverplicht toch zelf behandelen?
4. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De Kroatische autoriteiten hebben eiser onmenselijk en vernederend behandeld, wat in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. De minister heeft, gelet op eisers ervaringen in Kroatië, onvoldoende gemotiveerd waarom daarin geen aanleiding is gezien om artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening toe te passen.
5. De rechtbank oordeelt dat de minister in de aangevoerde omstandigheden geen aanleiding hoefde te zien om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken. In aanvulling op de overwegingen in het bestreden besluit, heeft de minister ter zitting toegelicht dat deze bevoegdheid gebruikt kan worden als sprake is van trauma’s als gevolg van wat een vreemdeling in het land heeft meegemaakt. De gevolgen voor de vreemdeling moeten dan dusdanig ernstig zijn, dat niet van hem gevergd kan worden dat hij terugkeert naar het land waar het is voorgevallen. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat in eisers geval niet is gebleken van een dergelijke situatie. Eiser heeft verklaard dat hij in Kroatië is bespuugd, vijf dagen heeft vastgezeten en dat hij is mishandeld. Eiser heeft de mishandeling onderbouwd met foto’s van letsel op zijn been. Niet is onderbouwd dat de door eiser aangehaalde persoonlijke ervaringen in Kroatië zodanig ernstige gevolgen voor hem hebben gehad dat niet van hem kan worden verwacht dat hij zich in Kroatië meldt. De minister mocht hierbij meewegen dat de situatie anders zal zijn dan ten tijde van de voorvallen, nu hij niet meer illegaal zal inreizen. De ervaringen van eiser leiden niet tot de conclusie dat de minister toepassing had moeten geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van de aanvraag in stand blijft en eiser mag worden overgedragen aan Kroatië. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van K.F.K. Hoogbruin, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
18 februari 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.