Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-03
ECLI:NL:RBDHA:2025:8740
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
3,010 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.4982
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster] (V-nummer: [v-nummer 1] ), verzoekster
mede namens haar minderjarige kinderen:
[minderjarige 1] (V-nummer: [v-nummer 2] ), en
[minderjarige 2] (V-nummer: [v-nummer 3] ),
(gemachtigde: mr. G.E.M. Later),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. M. Weerman).
Inleiding
1. Bij besluit van 21 november 2024 heeft de minister de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van 1 juli 2024 niet in behandeling genomen, omdat de minister Oostenrijk hiervoor verantwoordelijk acht.
1.1.
Verzoekster heeft op 22 november 2024 tegen dat besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn vervolgens op 3 december 2024, door de toenmalige gemachtigde van verzoekster, ingetrokken.
1.2.
De minister heeft op 7 januari 2025 een vlucht geboekt waarmee verzoekster op [datum 1] 2025 om [tijd] uur (met vluchtnummer [nummer] naar Vienna Schwechat) zou worden overgedragen aan Oostenrijk. Verzoekster is hiervan in kennis gesteld.
1.3.
Verzoekster heeft op 16 januari 2025 een opvolgende asielaanvraag ingediend.
1.4.
De minister heeft bij besluit van 17 januari 2025 met toepassing van artikel 3.1, tweede lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 bepaald dat de uitzetting van verzoekster niet achterwege wordt gelaten.
1.5.
Verzoekster heeft op 17 januari 2025 bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, heeft het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen op 18 januari 2025.
1.6.
Verzoekster is op [datum 1] 2025 niet komen opdagen voor een gefaciliteerd vertrek naar Oostenrijk.
1.7.
Verzoekster is samen met haar minderjarige kinderen op 30 januari 2025 in vreemdelingenbewaring gesteld. Aan verzoekster is toen meegedeeld dat er een vlucht was geboekt naar Oostenrijk op dinsdag [datum 2] 2025 om [tijd] uur. De gemachtigde van verzoekster is hierover per mail geïnformeerd op 31 januari 2025 om 15:22 uur.
1.8.
Op 1 februari 2025 is namens verzoekster een reguliere aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning op grond van tijdelijke humanitaire gronden.
1.9.
Op 3 februari 2025 om 11:19 heeft de minister een e-mail doorgestuurd van de gemachtigde van verzoekster ter behandeling als bezwaar tegen de feitelijke overdracht op [datum 2] 2025 om [tijd] uur.
1.10.
De minister heeft de reguliere aanvraag op 3 februari 2025 afgewezen. Voor zover de voorzieningenrechter bekend is niet gebleken dat verzoekster hiertegen een rechtsmiddel heeft ingediend.
1.11.
De voorzieningenrechter heeft verzoekster in de gelegenheid gesteld om haar verzoek om een voorlopige voorziening te onderbouwen. De minister heeft daarop gereageerd.
1.12.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Juridisch kader
3. De mededeling aan verzoekster is aan te merken als een feitelijke handeling jegens een vreemdeling als zodanig. Een dergelijke handeling is op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 gelijkgesteld met een beschikking. Hiertegen is bezwaar en vervolgens beroep mogelijk, zoals bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De voorzieningenrechter is dan ook bevoegd om van dit verzoek kennis te nemen.
4. Op grond van 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken nu de overdracht van verzoekster staat gepland op [datum 2] 2025 om [tijd] uur.
Beoordeling
6. De mogelijkheid tot het maken van bezwaar tegen de feitelijke overdracht is beperkt tot een bezwaar over de wijze waarop de minister van de bevoegdheid tot overdracht gebruikt maakt. Daarnaast is het maken van een dergelijk bezwaar bij uitzondering mogelijk indien de situatie ten tijde van de feitelijke overdracht dusdanig verschilt van die ten tijde van het besluit waaruit de bevoegdheid tot overdracht voortvloeit dat niet langer onverkort van de rechtmatigheid van de feitelijke overdracht kan worden uitgegaan. Het ligt daarbij op de weg van de vreemdeling om nieuwe feiten en omstandigheden aan te voeren ten opzichte van wat hij tegen het besluit waaruit de bevoegdheid tot overdracht voortvloeit al heeft aangevoerd of had kunnen aanvoeren. Wordt daaraan niet voldaan, of is het aangevoerde niet relevant voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de uitzetting, kan dit niet tot een geslaagd rechtsmiddel tegen de voorgenomen feitelijke overdracht leiden. Dit is slechts anders als zich een geval voordoet zoals bedoeld in het arrest van het EHRM van 19 februari 1998 in de zaak [naam] tegen Nederland.
Beoordeling
7. Zoals hiervoor aangegeven heeft de minister een mail van de gemachtigde van verzoekster van 2 februari 2025 doorgestuurd ter behandeling als bezwaarschrift tegen de feitelijke uitzetting. De voorzieningenrechter behandelt dit verzoek ook als zodanig, gelet op de zich in het dossier bevindende stukken.
8. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van spoedeisend belang. De voorzieningenrechter neemt dan ook spoedeisend belang aan. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen wordt evenwel afgewezen, omdat het bezwaar tegen de feitelijke uitzetting geen redelijke kans van slagen maakt.
9. De voorzieningenrechter begrijpt dat de situatie van geweld in de relationele sfeer buitengewoon ernstig is en dat dit voor verzoekster en haar minderjarige kinderen zeer angstige omstandigheden zijn. Het is zonder meer duidelijk dat verzoekster en haar minderjarige kinderen zich vanwege deze omstandigheden bijzonder kwetsbaar voelen en dat zij daarom graag in Nederland willen blijven. De voorzieningenrechter moet echter beoordelen of het bezwaar tegen de feitelijke uitzetting een redelijke kans van slagen heeft.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster geen gronden heeft aangevoerd tegen de wijze waarop de minister haar en haar minderjarige kinderen zal uitzetten. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat de minister bij besluit van 21 november 2024 de asielaanvraag van verzoekster niet in behandeling heeft genomen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de beoordeling daarvan. Het beroep tegen deze beslissing is ingetrokken. Hierdoor staat het overdrachtsbesluit in rechte vast en hieruit vloeit de bevoegdheid tot uitzetting voort. De omstandigheden dat de toenmalige gemachtigde het beroep, zonder duidelijke redenen, heeft ingetrokken komt voor rekening en risico van verzoekster. Dit betekent dat het op de weg van verzoekster ligt om nieuwe feiten en omstandigheden aan te voeren ten opzichte van wat zij tegen het overdrachtsbesluit al heeft aangevoerd of had kunnen aanvoeren. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat hiervan geen sprake is. In het overdrachtsbesluit is al ingegaan op het huiselijk geweld waarvan verzoekster slachtoffer is en is ook ingegaan op de belangen van de kinderen. Dit heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, ook al geoordeeld op 18 januari 2025. Ten aanzien van wat verzoekster heeft aangevoerd over dat Oostenrijk niet de bescherming kan bieden die zij nodig heeft, heeft de minister kunnen verwijzen naar het besluit in de asielprocedure van 21 november 2024 en naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 18 januari 2025. In deze uitspraak is geoordeeld dat de minister ten aanzien van Oostenrijk mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De voorzieningenrechter zien geen aanleiding om hierover nu anders te oordelen. De minister heeft in het verweerschrift terecht gewezen op de omstandigheid dat verzoekster in Oostenrijk bescherming heeft gekregen door plaatsing in blijf van mijn lijfhuizen, waar bescherming en beveiliging aanwezig was. De minister heeft ook terecht gewezen op de mogelijkheid om te klagen indien de geboden bescherming niet voldoet. Verzoekster stelt daarnaast dat zij in Nederland bescherming kan krijgen van haar broers, waardoor haar asielaanvraag in Nederland moet worden behandeld. De voorzieningenrechter volgt de minister in zijn standpunt dat deze stelling niet kan slagen, omdat de asielaanvragen van de broers zijn afgewezen.
10. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter verschilt de situatie ten tijde van de uitzetting niet zodanig van de situatie ten tijde van het overdrachtsbesluit. Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter dan ook tot de conclusie dat het bezwaar van verzoekster geen redelijke kans van slagen heeft. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening dient dan ook te worden afgewezen.
11. De overige door verzoekster aangevoerde gronden, zoals dat de vreemdelingenbewaring onrechtmatig is en dat haar te weinig tijd is geboden om een zienswijze in te dienen in de reguliere aanvraagprocedure, behoeven naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in deze procedure geen bespreking. Verzoekster kan deze gronden naar voren brengen in de bewaringsprocedure of de procedure tegen de afwijzing van haar reguliere aanvraag.
12. Tot slot is gesteld noch gebleken dat de overdracht van verzoekster onmiskenbaar in strijd zou zijn met artikel 3 van het EVRM zoals bedoeld in het [naam]-arrest.
Conclusie
13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. E.P.W. Kwakman, griffier.
Het dictum is telefonisch meegedeeld op 3 februari 2025 om 19:39 uur aan de gemachtigde van verzoekster en op 3 februari 2025 om 19:40 uur aan de gemachtigde van de minister.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
NL25.2543.
Dit volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraken van 26 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ8704, en 14 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:837.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3405.
Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.