Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-22
ECLI:NL:RBDHA:2025:8666
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
13,322 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 24/6111 en SRG 24/6106
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. A.L.M. Vreeswijk),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: M.A. Brouwer).
Inleiding
SGR 24/6111
Bij besluit van 18 februari 2020 (het primaire besluit I) heeft verweerder geweigerd aan eiser een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toe te kennen.
Bij besluit van 23 december 2020 heeft verweerder het door eiser tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 23 december 2020.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 29 december 2023 het beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 december 2020 vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen.
Bij besluit van 30 mei 2024 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
SGR 24/6106
Bij besluit van 11 maart 2020 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij per 12 augustus 2019 geen uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) kan krijgen.
Bij besluit van 23 december 2020 heeft verweerder het door eiser tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 23 december 2020.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 6 november 2024 het beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 december 2020 vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen.
Bij besluit van 30 mei 2024 (bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Beide zaken
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten I en II.
Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift en een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 oktober 2024.
De rechtbank heeft het verweerschrift op 29 augustus 2024 en het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 31 oktober 2024 doorgestuurd aan eiser.
De rechtbank heeft de beroepen op 28 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Ter zitting heeft eiser aangegeven dat hij het verweerschrift en voornoemd rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet heeft ontvangen. De rechtbank heeft eiser ter zitting de gelegenheid gegeven deze stukken te lezen. Eiser heeft na het lezen van deze stukken desgevraagd meegedeeld dat hij in staat is om zijn standpunt te onderbouwen.
Beoordeling
Beide zaken
1.1.
Verweerder heeft geweigerd aan eiser per 12 oktober 2014 een WIA-uitkering toe te kennen. Eiser werd geschikt geacht tot het verrichten van passende functies waarmee eiser een verlies aan verdiencapaciteit had van minder dan 35%.
1.2.
Eiser heeft zich op 16 april 2015 vanuit de Werkloosheidswet (WW) ziekgemeld. In het kader van de eerstejaars Ziektewetbeoordeling heeft de verzekeringsarts de beperkingen van eiser vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 29 maart 2016 en werd eiser geschikt geacht voor de WIA-functies. Daarna heeft eiser zich op 16 april 2015, 1 september 2016, 19 juli 2017, 13 september 2017 wederom ziekgemeld. Dit heeft geleid tot diverse besluiten waarbij -uiteindelijk- geen recht op een ZW-uitkering bestond dan wel de ZW-uitkering werd ingetrokken. Eiser werd daarbij geschikt bevonden voor de geduide WIA-functies. De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak van 24 april 2019 geoordeeld dat de besluiten die betrekking hebben op al deze ziekmeldingen in stand blijven.
1.3.
Eiser heeft zich nadien vanuit de WW ook nog ziekgemeld op 16 oktober 2017, 9 maart 2018, 1 april 2019 en 8 mei 2019 en deze ziekmeldingen hebben geleid tot besluiten waarbij -uiteindelijk- geen recht op een ZW-uitkering bestond dan wel de ZW-uitkering werd ingetrokken.
1.4.
In 2018 heeft eiser verzocht om een nieuwe beoordeling in het kader van de WIA. Dit heeft geleid tot de besluiten van verweerder van 25 april 2018 en 26 april 2018 waarbij geweigerd is aan eiser per 28 december 2017 respectievelijk 9 maart 2018 een WIA-uitkering toe te kennen.
1.5.
Op 7 augustus 2019 heeft eiser zich wederom ziekgemeld. Bij besluit van 28 oktober 2019 heeft verweerder beslist dat eiser per die datum niet toegenomen arbeidsongeschikt was voor de functies. De ZW-uitkering is daarop per 1 oktober 2019 beëindigd.
1.6.
Op 5 februari 2020 eiser een aanvraag gedaan voor een WIA-uitkering. Hij heeft daarbij vermeld dat hij sinds 8 juli 2019 arbeidsongeschikt is. Voorts heeft eiser op 5 februari 2020 zich met terugwerkende kracht met ingang van 12 augustus 2019 ziekgemeld.
2.1.
Verweerder heeft de aanvraag opgevat als een verzoek om een herbeoordeling van de WIA-uitkering vanwege toegenomen beperkingen. Bij het primaire besluit I heeft verweerder geweigerd een WIA-uitkering toe te kennen. Hieraan ligt ten grondslag het rapport van de verzekeringsarts van 17 februari 2020. Daarin heeft deze arts vermeld dat eiser in 2014 de wachttijd heeft volgemaakt vanwege psychische en fysieke klachten als gevolg van een ongeval. Naderhand zijn diverse klachten ontstaan zoals knieklachten, het wegvallen als gevolg van posttraumatisch stresssyndroom (PTSS) en PTSS klachten. Dit zijn klachten die tot augustus 2019 reeds zijn beoordeeld en geen andere belastbaarheid hebben gegeven. De incidenten die zijn klachten hebben doen verergeren (ziekte dochter en zelfmoord broer) zijn niet te duiden als dezelfde ziekteoorzaak zoals omschreven bij de WIA-beoordeling in 2014 en vallen daarnaast buiten de verzekerde periode van 12 oktober 2014 tot 12 oktober 2019. Verder zijn de gestelde paniekklachten en het niet uit huis durven gaan niet consistent met de omstandigheid dat eiser vaak naar zijn ex-echtgenoot in Rozenburg is gegaan. De oogklachten van eiser waren destijds nog niet bekend, maar geven geen aanleiding tot herleving. Het verslechterde gehoor geeft evenmin wijziging van de destijds opgestelde belastbaarheid, gelet op de reeds gegeven beperking en eiser met een gehoorapparaat telefonisch goed te spreken is.
2.2.
Bij het besluit van 23 december 2020 heeft verweerder het primaire besluit I van 18 februari 2020 gehandhaafd. Aan dit besluit ligt het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) 22 december 2020 ten grondslag. Daarin heeft de verzekeringsarts b&b vermeld dat er geen aanleiding is anders te oordelen dan de verzekeringsarts heeft gedaan. Er zijn geen geobjectiveerde feiten naar voren gekomen die eisers claim op toegenomen psychische en lichamelijke klachten onderbouwen. Dit blijkt ook niet uit de in bezwaar overgelegde medische stukken en evenmin uit de opgevraagde informatie van de huisarts, waaronder informatie van de revalidatiearts, oogarts en psychiater. Volgens de informatie van de psychiater (brief van 6 oktober 2020) wordt gedacht aan een bipolaire stoornis omdat het ook in de familie voor komt. Een diagnose is volgens de verzekeringsarts b&b niet uitsluitend leidend voor het vaststellen van de belastbaarheid. Ook de ervaren toename van klachten geeft, zonder geobjectiveerde feiten, niet per definitie aanleiding tot het aannemen van een toename van arbeidsongeschiktheid. In 2014 zijn er reeds ruime en duidelijke beperkingen aangenomen zowel wat betreft de psychische als de fysieke problematiek. Er komen in bezwaar, met inachtneming van de actuele medische informatie, geen aspecten naar voren die een ander licht doen schijnen op het oordeel van de verzekeringsarts, aldus de verzekeringsarts b&b.
3.1.
Bij het primaire besluit II in het kader van de ZW heeft verweerder eiser per 12 augustus 2019 onveranderd geschikt geacht voor de geduide functies. Volgens verweerder is er ten opzichte van het besluit van 28 oktober 2019 niet gebleken van nieuw gebleken feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht.
3.2.
Bij het besluit van 23 december 2020 heeft verweerder het primaire besluit II van 11 maart 2020 gehandhaafd. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de ziekmelding op 5 februari 2020 per 12 augustus 2019 terecht is opgevat als een verzoek om terug te komen op de beslissing van 28 oktober 2019 en niet als ziekmelding per 12 augustus 2019. Gelet op alle beschikbare gegevens ging het om dezelfde geclaimde beperkingen als per 7 augustus 2019. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij per 12 augustus 2019 arbeidsongeschikt was voor zijn arbeid, zijnde een van de bij de WIA-beoordeling geduide functies.
Voor zover de ziekmelding niet moet worden opgevat als een verzoek om terug te komen op het besluit van 28 oktober 2019, maar als een ziekmelding met terugwerkende kracht per 12 augustus 2019, is volgens verweerder niet aangetoond dat per 12 augustus 2019 sprake is van een toename van de medische beperkingen, zodanig dat hij per deze datum arbeidsongeschikt is geworden voor zijn arbeid.
4.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen beide besluiten van 23 december 2020.
4.2.
Bij tussenuitspraak van 24 juni 2022 heeft de rechtbank in het beroep inzake de WIA het volgende geoordeeld:
“De rechtbank is van oordeel dat de rapporten van de verzekeringsartsen niet voldoende duidelijk zijn. De verzekeringsartsen van het Uwv hebben niet voldoende inzichtelijk gemaakt welke klachten eiser claimt per 7 augustus 2019, welke van de geclaimde klachten per 7 augustus 2019 eerder zijn beoordeeld, op welk moment die beoordeling heeft plaatsgevonden en of er sprake is van toegenomen klachten en welke (toegenomen) klachten buiten de vijf jaar termijn vallen omdat ze veroorzaakt zijn door ‘life events’ na de Amber-periode. Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv toegelicht dat er in het kader van de Zw beoordeling per 12 mei 2016 sprake is van toegenomen beperkingen en dat deze in 2018 reeds zouden zijn beoordeeld door de verzekeringsarts gelet op de besluiten van 25 en 26 april 2018. Om welke klachten het gaat is niet duidelijk gemaakt. (…) Het bestreden besluit, dat is gebaseerd op de motivering van de verzekeringsartsen, is gelet op de genoemde onduidelijkheden niet deugdelijk gemotiveerd.
Dictum
Beide zaken
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2025.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 24/6111 en SRG 24/6106
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. A.L.M. Vreeswijk),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: M.A. Brouwer).
Inleiding
SGR 24/6111
Bij besluit van 18 februari 2020 (het primaire besluit I) heeft verweerder geweigerd aan eiser een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toe te kennen.
Bij besluit van 23 december 2020 heeft verweerder het door eiser tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 23 december 2020.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 29 december 2023 het beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 december 2020 vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen.
Bij besluit van 30 mei 2024 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
SGR 24/6106
Bij besluit van 11 maart 2020 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij per 12 augustus 2019 geen uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) kan krijgen.
Bij besluit van 23 december 2020 heeft verweerder het door eiser tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 23 december 2020.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 6 november 2024 het beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 december 2020 vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen.
Bij besluit van 30 mei 2024 (bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Beide zaken
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten I en II.
Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift en een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 oktober 2024.
De rechtbank heeft het verweerschrift op 29 augustus 2024 en het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 31 oktober 2024 doorgestuurd aan eiser.
De rechtbank heeft de beroepen op 28 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Ter zitting heeft eiser aangegeven dat hij het verweerschrift en voornoemd rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet heeft ontvangen. De rechtbank heeft eiser ter zitting de gelegenheid gegeven deze stukken te lezen. Eiser heeft na het lezen van deze stukken desgevraagd meegedeeld dat hij in staat is om zijn standpunt te onderbouwen.
Beoordeling
Beide zaken
1.1.
Verweerder heeft geweigerd aan eiser per 12 oktober 2014 een WIA-uitkering toe te kennen. Eiser werd geschikt geacht tot het verrichten van passende functies waarmee eiser een verlies aan verdiencapaciteit had van minder dan 35%.
1.2.
Eiser heeft zich op 16 april 2015 vanuit de Werkloosheidswet (WW) ziekgemeld. In het kader van de eerstejaars Ziektewetbeoordeling heeft de verzekeringsarts de beperkingen van eiser vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 29 maart 2016 en werd eiser geschikt geacht voor de WIA-functies. Daarna heeft eiser zich op 16 april 2015, 1 september 2016, 19 juli 2017, 13 september 2017 wederom ziekgemeld. Dit heeft geleid tot diverse besluiten waarbij -uiteindelijk- geen recht op een ZW-uitkering bestond dan wel de ZW-uitkering werd ingetrokken. Eiser werd daarbij geschikt bevonden voor de geduide WIA-functies. De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak van 24 april 2019 geoordeeld dat de besluiten die betrekking hebben op al deze ziekmeldingen in stand blijven.
1.3.
Eiser heeft zich nadien vanuit de WW ook nog ziekgemeld op 16 oktober 2017, 9 maart 2018, 1 april 2019 en 8 mei 2019 en deze ziekmeldingen hebben geleid tot besluiten waarbij -uiteindelijk- geen recht op een ZW-uitkering bestond dan wel de ZW-uitkering werd ingetrokken.
1.4.
In 2018 heeft eiser verzocht om een nieuwe beoordeling in het kader van de WIA. Dit heeft geleid tot de besluiten van verweerder van 25 april 2018 en 26 april 2018 waarbij geweigerd is aan eiser per 28 december 2017 respectievelijk 9 maart 2018 een WIA-uitkering toe te kennen.
1.5.
Op 7 augustus 2019 heeft eiser zich wederom ziekgemeld. Bij besluit van 28 oktober 2019 heeft verweerder beslist dat eiser per die datum niet toegenomen arbeidsongeschikt was voor de functies. De ZW-uitkering is daarop per 1 oktober 2019 beëindigd.
1.6.
Op 5 februari 2020 eiser een aanvraag gedaan voor een WIA-uitkering. Hij heeft daarbij vermeld dat hij sinds 8 juli 2019 arbeidsongeschikt is. Voorts heeft eiser op 5 februari 2020 zich met terugwerkende kracht met ingang van 12 augustus 2019 ziekgemeld.
2.1.
Verweerder heeft de aanvraag opgevat als een verzoek om een herbeoordeling van de WIA-uitkering vanwege toegenomen beperkingen. Bij het primaire besluit I heeft verweerder geweigerd een WIA-uitkering toe te kennen. Hieraan ligt ten grondslag het rapport van de verzekeringsarts van 17 februari 2020. Daarin heeft deze arts vermeld dat eiser in 2014 de wachttijd heeft volgemaakt vanwege psychische en fysieke klachten als gevolg van een ongeval. Naderhand zijn diverse klachten ontstaan zoals knieklachten, het wegvallen als gevolg van posttraumatisch stresssyndroom (PTSS) en PTSS klachten. Dit zijn klachten die tot augustus 2019 reeds zijn beoordeeld en geen andere belastbaarheid hebben gegeven. De incidenten die zijn klachten hebben doen verergeren (ziekte dochter en zelfmoord broer) zijn niet te duiden als dezelfde ziekteoorzaak zoals omschreven bij de WIA-beoordeling in 2014 en vallen daarnaast buiten de verzekerde periode van 12 oktober 2014 tot 12 oktober 2019. Verder zijn de gestelde paniekklachten en het niet uit huis durven gaan niet consistent met de omstandigheid dat eiser vaak naar zijn ex-echtgenoot in Rozenburg is gegaan. De oogklachten van eiser waren destijds nog niet bekend, maar geven geen aanleiding tot herleving. Het verslechterde gehoor geeft evenmin wijziging van de destijds opgestelde belastbaarheid, gelet op de reeds gegeven beperking en eiser met een gehoorapparaat telefonisch goed te spreken is.
2.2.
Bij het besluit van 23 december 2020 heeft verweerder het primaire besluit I van 18 februari 2020 gehandhaafd. Aan dit besluit ligt het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) 22 december 2020 ten grondslag. Daarin heeft de verzekeringsarts b&b vermeld dat er geen aanleiding is anders te oordelen dan de verzekeringsarts heeft gedaan. Er zijn geen geobjectiveerde feiten naar voren gekomen die eisers claim op toegenomen psychische en lichamelijke klachten onderbouwen. Dit blijkt ook niet uit de in bezwaar overgelegde medische stukken en evenmin uit de opgevraagde informatie van de huisarts, waaronder informatie van de revalidatiearts, oogarts en psychiater. Volgens de informatie van de psychiater (brief van 6 oktober 2020) wordt gedacht aan een bipolaire stoornis omdat het ook in de familie voor komt. Een diagnose is volgens de verzekeringsarts b&b niet uitsluitend leidend voor het vaststellen van de belastbaarheid. Ook de ervaren toename van klachten geeft, zonder geobjectiveerde feiten, niet per definitie aanleiding tot het aannemen van een toename van arbeidsongeschiktheid. In 2014 zijn er reeds ruime en duidelijke beperkingen aangenomen zowel wat betreft de psychische als de fysieke problematiek. Er komen in bezwaar, met inachtneming van de actuele medische informatie, geen aspecten naar voren die een ander licht doen schijnen op het oordeel van de verzekeringsarts, aldus de verzekeringsarts b&b.
3.1.
Bij het primaire besluit II in het kader van de ZW heeft verweerder eiser per 12 augustus 2019 onveranderd geschikt geacht voor de geduide functies. Volgens verweerder is er ten opzichte van het besluit van 28 oktober 2019 niet gebleken van nieuw gebleken feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht.
3.2.
Bij het besluit van 23 december 2020 heeft verweerder het primaire besluit II van 11 maart 2020 gehandhaafd. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de ziekmelding op 5 februari 2020 per 12 augustus 2019 terecht is opgevat als een verzoek om terug te komen op de beslissing van 28 oktober 2019 en niet als ziekmelding per 12 augustus 2019. Gelet op alle beschikbare gegevens ging het om dezelfde geclaimde beperkingen als per 7 augustus 2019. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij per 12 augustus 2019 arbeidsongeschikt was voor zijn arbeid, zijnde een van de bij de WIA-beoordeling geduide functies.
Voor zover de ziekmelding niet moet worden opgevat als een verzoek om terug te komen op het besluit van 28 oktober 2019, maar als een ziekmelding met terugwerkende kracht per 12 augustus 2019, is volgens verweerder niet aangetoond dat per 12 augustus 2019 sprake is van een toename van de medische beperkingen, zodanig dat hij per deze datum arbeidsongeschikt is geworden voor zijn arbeid.
4.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen beide besluiten van 23 december 2020.
4.2.
Bij tussenuitspraak van 24 juni 2022 heeft de rechtbank in het beroep inzake de WIA het volgende geoordeeld:
“De rechtbank is van oordeel dat de rapporten van de verzekeringsartsen niet voldoende duidelijk zijn. De verzekeringsartsen van het Uwv hebben niet voldoende inzichtelijk gemaakt welke klachten eiser claimt per 7 augustus 2019, welke van de geclaimde klachten per 7 augustus 2019 eerder zijn beoordeeld, op welk moment die beoordeling heeft plaatsgevonden en of er sprake is van toegenomen klachten en welke (toegenomen) klachten buiten de vijf jaar termijn vallen omdat ze veroorzaakt zijn door ‘life events’ na de Amber-periode. Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv toegelicht dat er in het kader van de Zw beoordeling per 12 mei 2016 sprake is van toegenomen beperkingen en dat deze in 2018 reeds zouden zijn beoordeeld door de verzekeringsarts gelet op de besluiten van 25 en 26 april 2018. Om welke klachten het gaat is niet duidelijk gemaakt. (…) Het bestreden besluit, dat is gebaseerd op de motivering van de verzekeringsartsen, is gelet op de genoemde onduidelijkheden niet deugdelijk gemotiveerd.
Dictum
Beide zaken
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2025.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Beoordeling
Het Uwv wordt in de gelegenheid gesteld dit motiveringsgebrek te herstellen”.
4.3.
De verzekeringsarts b&b heeft in reactie op de tussenuitspraak op 4 augustus 2022 rapport uitgebracht. Daarin heeft deze arts kort gezegd zich op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is om zijn eerder ingenomen standpunt te wijzigen.
4.4.
Bij (eind)uitspraak van 29 december 2023 heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek onvoldoende heeft hersteld en daarbij het volgende overwogen:
“De reden is dat de verzekeringsarts b&b in zijn rapport van 4 augustus 2022 onvoldoende concreet heeft gereageerd op de in de tussenuitspraak genoemde onduidelijkheden. Door enkel de eerdere beoordelingsmomenten te noemen en passages te citeren uit de verschillende rapportages zijn de onduidelijkheden niet weggenomen. Het door de verzekeringsarts b&b opgestelde rapport na de tussenuitspraak bestaat vooral uit een opsomming van passages uit voorgaande rapporten. Zo heeft de verzekeringsarts b&b niet specifiek duidelijk gemaakt welke van de per 7 augustus 2019 geclaimde klachten eerder zijn beoordeeld. Ook is bijvoorbeeld niet concreet gemaakt door verzekeringsarts b&b wat de toegenomen beperkingen zijn bij de Zw-beoordeling per 12 mei 2016 en welke (toegenomen) klachten reeds zijn beoordeeld in 2018. Het is aan de verzekeringsarts b&b om opheldering te geven op een overzichtelijke en voor de rechtbank goed navolgbare manier. Het antwoord op de in de tussenuitspraak gestelde vragen kan de rechtbank niet eenvoudig uit de geciteerde passages van de rapporten van 29 oktober 2019, 9 januari 2020, 17 februari 2020 en 7 oktober 2020 afleiden. Onder die omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat de in de tussenuitspraak genoemde onduidelijkheden zijn weggenomen”.
4.5.
Bij uitspraak van 6 november 2024 heeft de rechtbank het beroep gericht tegen het ZW-besluit gegrond verklaard, het besluit van 23 december 2020 vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat, nu in de rechtbank in zijn uitspraak van 29 december 2023 verweerder heeft opgedragen eisers Amberclaim per 7 augustus 2019 in de WIA-zaak verweerder opnieuw te beoordelen en het geschil in deze ZW-zaak ook gaat over de datum van 7 augustus 2019, de motivering dat ten grondslag ligt aan het besluit in deze zaak niet in stand blijven. Dat eiser geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het besluit van 20 januari 2020, dat ziet op een ZW-beoordeling per 7 augustus 2020 staat daar niet aan de weg staat. Eerst dient duidelijk te worden welke klachten eiser claimt per 7 augustus 2019 in en hoe deze klachten zijn beoordeeld voordat een vergelijking kan plaatsvinden tussen de geclaimde klachten per 12 augustus 2019 en de geclaimde klachten op 7 augustus 2019 in het kader van de Zw-beoordeling, aldus de rechtbank.
5.1.
De verzekeringsarts b&b heeft naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank gerapporteerd. Daarin schrijft deze arts dat eiser zelf niet duidelijk is geweest over de reden van de ziekmelding, dan wel de aandoeningen waarvoor hij een toename claimt. Duidelijke klachten kunnen niet worden teruggelezen in de vragenformulieren van 9 augustus 2019 en 8 december 2019 en/of de aanvraag van 5 februari 2020. De klachten betreffen klachten van het bewegingsapparaat (nek, schouders, rug, heupen en knieën) en psychische klachten. De klachten aan de rug en heupen zijn volgens de verzekeringsarts b&b door de jaren heen niet wezenlijk gewijzigd en zijn feitelijk nooit goed te herleiden geweest tot een te objectiveren afwijking. Voor de nek en schouder heeft eiser door de jaren heen aanhoudend pijnklachten gehouden waarvoor hij uiteindelijk en feitelijk zonder succes begin 2017 is geopereerd. Bij de beoordeling op 13 juli 2017 werd dan ook vastgesteld dat de beperkingen niet waren gewijzigd en ook bij de latere beoordelingen in 2017, 2018 en 2019 werden geen toegenomen beperkingen vastgesteld. Voor de knieklachten geldt dat eiser daarvoor in september 2015 en september 2016 twee kleine ingrepen heeft ondergaan. De ingreep aan de linkerknie in 2015 leidde tot een geringe aanpassing van de FML van 29 maart 2016 en de ingreep aan de rechterknie leidde niet tot toegenomen beperkingen. De psychische klachten zijn in de kern zeker na 2016 niet wezenlijk gewijzigd. Cognitief functieverlies kon bij neuropsychologisch onderzoek niet gevalideerd vastgesteld worden. De klachten zijn uiteindelijk geduid als passend bij een depressie (matig van ernst), een PTSS en een stoornis in het gebruik van alcohol. De subjectieve last van de klachten lijkt voor de verzekeringsarts op 29 maart 2016 aanleiding te zijn geweest om de psychische belastbaarheid als verder beperkt in te schatten. Bij de latere beoordelingen tot aan de beoordeling op 29 oktober 2019 is steeds vastgesteld dat de psychische belastbaarheid niet was veranderd ten opzichte van de FML van 29 maart 2016. Bij de beoordeling op 29 januari 2020 lijkt de verzekeringsarts aan de gebeurtenis van de zelfmoord van een zwager wel een toename van de beperkingen toe te kennen, maar dit kan niet leiden tot een WIA-toekenning omdat dit buiten de vijfjaarsperiode valt. De verzekeringsarts b&b concludeert dat op 8 juli 2019 noch op 7 augustus 2019 sprake is geweest van een objectiveerbare toename van de beperkingen uit de ziekteoorzaken die reeds per einde wachttijd speelden en die per maart 2016 tot een iets verder afgenomen belastbaarheid hebben geleid. Op 8 juli 2019 en 7 augustus 2019 was de belastbaarheid dezelfde als in de FML van 29 maart 2016 is vastgelegd. Verder zijn er geen aanwijzingen dat de belastbaarheid is gewijzigd in de periode tussen 7 augustus 2019 en 12 oktober 2019. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van eiser zoals die gelden vanaf 8 juli 2019 vastgelegd in een FML.
5.2.
De arbeidsdeskundige b&b heeft aan de hand van de FML drie functies geduid, te weten de functies wikkelaar (sbc-code: 267053), productiemedewerker industrie (sbc-code: 111180) en monteur printplaten (sbc-code: 267051). Eiser wordt voor deze functies met inachtneming van zijn beperkingen geschikt geacht. Met deze functies kan eiser volgens de arbeidsdeskundige b&b een loon verdienen dat afgezet tegen zijn maatmanloon een verlies aan verdiencapaciteit oplevert van 34,06%. Als reservefuncties zijn geduid textielproductenmaker (sbc-code: 111160) en controleur, tester elektrotechnische apparatuur (sbc-code: 257060).
5.3.
Bij het bestreden besluit I heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en zich daarbij gebaseerd op de rapporten van de verzekeringsarts b&b en arbeidsdeskundige b&b. Bij het bestreden besluit II heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser per 7 augustus 2019 geschikt is te achten voor voornoemde geduide functies.
6. Eiser voert aan dat hij meer beperkingen heeft dan in 2014 is aangenomen. Hij heeft gewezen op het rapport van de verzekeringsarts van 9 mei 2019 waarin al meer beperkingen zijn aangenomen op persoonlijk en sociaal gebied. Verder heeft eiser gewezen op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 april 2019 waaruit blijkt dat hij meer beperkt is ten aanzien van diverse psychische en lichamelijk aspecten en dat er sprake is van toegenomen schouderklachten. Ook uit het rapport van 7 mei 2018 van neuroloog Niewold volgt dat er meer beperkingen moeten worden aangenomen en met name dat er een urenbeperking van 20 uur per week aan de orde is. Dat had bij de huidige beoordeling moeten worden meegewogen. Verder stelt eiser dat thans is gebleken dat hij een ernstige vorm van bipolaire stoornis heeft. Dat deze diagnose geen beperkingen hoeft te geven is volgens eiser niet concludent. Het gaat immers om een ernstige vorm en het kan veel verklaren.
Beoordeling
Het Uwv wordt in de gelegenheid gesteld dit motiveringsgebrek te herstellen”.
4.3.
De verzekeringsarts b&b heeft in reactie op de tussenuitspraak op 4 augustus 2022 rapport uitgebracht. Daarin heeft deze arts kort gezegd zich op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is om zijn eerder ingenomen standpunt te wijzigen.
4.4.
Bij (eind)uitspraak van 29 december 2023 heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek onvoldoende heeft hersteld en daarbij het volgende overwogen:
“De reden is dat de verzekeringsarts b&b in zijn rapport van 4 augustus 2022 onvoldoende concreet heeft gereageerd op de in de tussenuitspraak genoemde onduidelijkheden. Door enkel de eerdere beoordelingsmomenten te noemen en passages te citeren uit de verschillende rapportages zijn de onduidelijkheden niet weggenomen. Het door de verzekeringsarts b&b opgestelde rapport na de tussenuitspraak bestaat vooral uit een opsomming van passages uit voorgaande rapporten. Zo heeft de verzekeringsarts b&b niet specifiek duidelijk gemaakt welke van de per 7 augustus 2019 geclaimde klachten eerder zijn beoordeeld. Ook is bijvoorbeeld niet concreet gemaakt door verzekeringsarts b&b wat de toegenomen beperkingen zijn bij de Zw-beoordeling per 12 mei 2016 en welke (toegenomen) klachten reeds zijn beoordeeld in 2018. Het is aan de verzekeringsarts b&b om opheldering te geven op een overzichtelijke en voor de rechtbank goed navolgbare manier. Het antwoord op de in de tussenuitspraak gestelde vragen kan de rechtbank niet eenvoudig uit de geciteerde passages van de rapporten van 29 oktober 2019, 9 januari 2020, 17 februari 2020 en 7 oktober 2020 afleiden. Onder die omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat de in de tussenuitspraak genoemde onduidelijkheden zijn weggenomen”.
4.5.
Bij uitspraak van 6 november 2024 heeft de rechtbank het beroep gericht tegen het ZW-besluit gegrond verklaard, het besluit van 23 december 2020 vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat, nu in de rechtbank in zijn uitspraak van 29 december 2023 verweerder heeft opgedragen eisers Amberclaim per 7 augustus 2019 in de WIA-zaak verweerder opnieuw te beoordelen en het geschil in deze ZW-zaak ook gaat over de datum van 7 augustus 2019, de motivering dat ten grondslag ligt aan het besluit in deze zaak niet in stand blijven. Dat eiser geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het besluit van 20 januari 2020, dat ziet op een ZW-beoordeling per 7 augustus 2020 staat daar niet aan de weg staat. Eerst dient duidelijk te worden welke klachten eiser claimt per 7 augustus 2019 in en hoe deze klachten zijn beoordeeld voordat een vergelijking kan plaatsvinden tussen de geclaimde klachten per 12 augustus 2019 en de geclaimde klachten op 7 augustus 2019 in het kader van de Zw-beoordeling, aldus de rechtbank.
5.1.
De verzekeringsarts b&b heeft naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank gerapporteerd. Daarin schrijft deze arts dat eiser zelf niet duidelijk is geweest over de reden van de ziekmelding, dan wel de aandoeningen waarvoor hij een toename claimt. Duidelijke klachten kunnen niet worden teruggelezen in de vragenformulieren van 9 augustus 2019 en 8 december 2019 en/of de aanvraag van 5 februari 2020. De klachten betreffen klachten van het bewegingsapparaat (nek, schouders, rug, heupen en knieën) en psychische klachten. De klachten aan de rug en heupen zijn volgens de verzekeringsarts b&b door de jaren heen niet wezenlijk gewijzigd en zijn feitelijk nooit goed te herleiden geweest tot een te objectiveren afwijking. Voor de nek en schouder heeft eiser door de jaren heen aanhoudend pijnklachten gehouden waarvoor hij uiteindelijk en feitelijk zonder succes begin 2017 is geopereerd. Bij de beoordeling op 13 juli 2017 werd dan ook vastgesteld dat de beperkingen niet waren gewijzigd en ook bij de latere beoordelingen in 2017, 2018 en 2019 werden geen toegenomen beperkingen vastgesteld. Voor de knieklachten geldt dat eiser daarvoor in september 2015 en september 2016 twee kleine ingrepen heeft ondergaan. De ingreep aan de linkerknie in 2015 leidde tot een geringe aanpassing van de FML van 29 maart 2016 en de ingreep aan de rechterknie leidde niet tot toegenomen beperkingen. De psychische klachten zijn in de kern zeker na 2016 niet wezenlijk gewijzigd. Cognitief functieverlies kon bij neuropsychologisch onderzoek niet gevalideerd vastgesteld worden. De klachten zijn uiteindelijk geduid als passend bij een depressie (matig van ernst), een PTSS en een stoornis in het gebruik van alcohol. De subjectieve last van de klachten lijkt voor de verzekeringsarts op 29 maart 2016 aanleiding te zijn geweest om de psychische belastbaarheid als verder beperkt in te schatten. Bij de latere beoordelingen tot aan de beoordeling op 29 oktober 2019 is steeds vastgesteld dat de psychische belastbaarheid niet was veranderd ten opzichte van de FML van 29 maart 2016. Bij de beoordeling op 29 januari 2020 lijkt de verzekeringsarts aan de gebeurtenis van de zelfmoord van een zwager wel een toename van de beperkingen toe te kennen, maar dit kan niet leiden tot een WIA-toekenning omdat dit buiten de vijfjaarsperiode valt. De verzekeringsarts b&b concludeert dat op 8 juli 2019 noch op 7 augustus 2019 sprake is geweest van een objectiveerbare toename van de beperkingen uit de ziekteoorzaken die reeds per einde wachttijd speelden en die per maart 2016 tot een iets verder afgenomen belastbaarheid hebben geleid. Op 8 juli 2019 en 7 augustus 2019 was de belastbaarheid dezelfde als in de FML van 29 maart 2016 is vastgelegd. Verder zijn er geen aanwijzingen dat de belastbaarheid is gewijzigd in de periode tussen 7 augustus 2019 en 12 oktober 2019. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van eiser zoals die gelden vanaf 8 juli 2019 vastgelegd in een FML.
5.2.
De arbeidsdeskundige b&b heeft aan de hand van de FML drie functies geduid, te weten de functies wikkelaar (sbc-code: 267053), productiemedewerker industrie (sbc-code: 111180) en monteur printplaten (sbc-code: 267051). Eiser wordt voor deze functies met inachtneming van zijn beperkingen geschikt geacht. Met deze functies kan eiser volgens de arbeidsdeskundige b&b een loon verdienen dat afgezet tegen zijn maatmanloon een verlies aan verdiencapaciteit oplevert van 34,06%. Als reservefuncties zijn geduid textielproductenmaker (sbc-code: 111160) en controleur, tester elektrotechnische apparatuur (sbc-code: 257060).
5.3.
Bij het bestreden besluit I heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en zich daarbij gebaseerd op de rapporten van de verzekeringsarts b&b en arbeidsdeskundige b&b. Bij het bestreden besluit II heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser per 7 augustus 2019 geschikt is te achten voor voornoemde geduide functies.
6. Eiser voert aan dat hij meer beperkingen heeft dan in 2014 is aangenomen. Hij heeft gewezen op het rapport van de verzekeringsarts van 9 mei 2019 waarin al meer beperkingen zijn aangenomen op persoonlijk en sociaal gebied. Verder heeft eiser gewezen op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 april 2019 waaruit blijkt dat hij meer beperkt is ten aanzien van diverse psychische en lichamelijk aspecten en dat er sprake is van toegenomen schouderklachten. Ook uit het rapport van 7 mei 2018 van neuroloog Niewold volgt dat er meer beperkingen moeten worden aangenomen en met name dat er een urenbeperking van 20 uur per week aan de orde is. Dat had bij de huidige beoordeling moeten worden meegewogen. Verder stelt eiser dat thans is gebleken dat hij een ernstige vorm van bipolaire stoornis heeft. Dat deze diagnose geen beperkingen hoeft te geven is volgens eiser niet concludent. Het gaat immers om een ernstige vorm en het kan veel verklaren.
Beoordeling
Eiser verzoekt de rechtbank een deskundige te benoemen.
WIA
7.1.
Artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WIA bepaalt dat indien op de eerste dag na afloop van de wachttijd geen recht op een WGA-uitkering is ontstaan omdat de verzekerde op die dag niet gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, alsnog recht op die uitkering ontstaat met ingang van de dag dat de verzekerde wel gedeeltelijk arbeidsongeschikt wordt, indien hij op de dag hieraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Op grond van het derde lid van dit artikel kan dit recht niet later ingaan dan vijf jaar na de eerste dag na afloop van de wachttijd.
7.2.
Gelet op deze bepaling loopt de termijn voor de beoordeling of er sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid van 12 oktober 2014 tot 12 oktober 2019.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts b&b bij zijn beoordeling heeft gekeken naar de FML van 29 maart 2016 (opgesteld in het kader van de eerstejaars herbeoordeling ZW) en geconcludeerd dat ten opzichte van die FML er geen toegenomen beperkingen zijn. Beoordeeld dient echter te worden of er ten opzichte van de FML van 12 oktober 2014 toegenomen beperkingen zijn. Verweerder heeft in zijn verweerschrift wel de juiste periode benoemd en geconcludeerd dat uit de FML die op 22 mei 2024 werd vastgelegd in het kader van de herbeoordeling per 8 juli 2019 er wel degelijk sprake is van een toename van aangenomen beperkingen ten opzichte van de beoordeling per 12 oktober 2014. Eiser heeft daarover echter geen opmerkingen gemaakt.
8.2.
De rechtbank stelt voorts vast dat in de FML van 22 mei 2024 in vergelijking met de FML van 12 oktober 2014 meer beperkingen zijn aangenomen. Daarbij gaat het om de volgende items: geen hoog handelingstempo, verhoogd persoonlijk risico, omgaan met conflicten, samenwerken, geen contact met klanten, geen contact met patiënten, geen hoge verantwoordelijkheid, koude, geen zware nekschouder kniebelastende kledingstukken, trillingsbelasting (knieën/armen/nek), geknield of gehurkt actief zijn en onregelmatige diensten.
8.3.
De rechtbank is van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om te concluderen dat de beperkingen van eiser per 8 juli 2019 zijn onderschat. Eiser heeft in zijn beroepschrift opgesomd op welke items in de FML hij meer beperkt moet worden geacht. Met deze beperkingen is in de FML van 22 mei 2024 in voldoende mate rekening gehouden. Alleen ten aanzien van het werken in drukke omgeving en afleiding door anderen is geen beperking aangenomen, maar de verzekeringsarts b&b heeft daarvan afdoende gemotiveerd dat daarvoor geen aanleiding bestaat.
Wat betreft de schouderklachten merkt de rechtbank op dat de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 24 april 2019 heeft geoordeeld dat er weliswaar sprake is toegenomen klachten, maar dat deze klachten het verrichten van de WIA-functie per 13 september 2017 niet in de weg staat. Dat er nadien sprake is geweest van verdere toegenomen beperkingen aan de schouder is de rechtbank uit het dossier niet gebleken.
Aan het rapport van neuroloog Niewold van 7 mei 2018 kent de rechtbank niet de waarde die eiser daaraan toegekend wil zien. De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak van 24 april 2019 reeds overwogen dat neuroloog Niewold in zijn rapport een verminderde belastbaarheid op neurologisch gebied heeft aangenomen, zonder dat hij daarbij neurologische afwijkingen benoemt en dat Niewold bij zijn beoordeling te veel is uitgegaan van neuropsychologische onderzoeken uit 2014 en 2015, terwijl de bevindingen daarvan vanwege onderpresteren niet echter betrouwbaar zijn. Verder heeft Niewold, aldus de Centrale Raad van Beroep, geen onderbouwing gegeven voor de door eiser voorgestane fysieke beperkingen en de urenbeperking. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak anders te concluderen. Er is dan ook geen reden om eiser op cognitief vlak meer beperkt te achten en een urenbeperking aan te nemen, zoals eiser heeft gesteld.
Ook in de psychische klachten ziet de rechtbank geen aanleiding om eiser toegenomen beperkt te achten. Eiser stelt dat bij hem sprake is van een bipolaire stoornis, maar nergens is uit gebleken dat dit ook bij hem is gediagnosticeerd. Verder blijkt uit het dossier dat
eiser weliswaar in de periode van 25 september 2020 t/m 2 oktober 2020 opgenomen is geweest bij GGZ Rivierduinen vanwege psychische klachten, maar deze gebeurtenis ligt buiten de periode die in deze zaak ter beoordeling voorligt.
8.4.
Eiser heeft nog verzocht een deskundige te benoemen. De rechtbank ziet daartoe geen aanleiding, nu zij geen reden heeft tot twijfel aan de bevindingen van de verzekeringsarts b&b.
8.5.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat ten opzichte van de FML van 12 oktober 2014 er wel sprake is van toegenomen beperkingen per 8 juli 2019, maar dat deze toegenomen beperkingen niet leiden tot een mate van arbeidsongeschiktheid van meer dan 35%. Het bestreden besluit I houdt dan ook stand.
ZW
9. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn dat dat de situatie tussen 7 augustus 2019 en 12 augustus 2019 is gewijzigd en dat eiser niet geschikt zou zijn voor de WIA-functies. Ook bestreden besluit II houdt stand.
Beide zaken
10. De beroepen zijn ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beoordeling
Eiser verzoekt de rechtbank een deskundige te benoemen.
WIA
7.1.
Artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WIA bepaalt dat indien op de eerste dag na afloop van de wachttijd geen recht op een WGA-uitkering is ontstaan omdat de verzekerde op die dag niet gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, alsnog recht op die uitkering ontstaat met ingang van de dag dat de verzekerde wel gedeeltelijk arbeidsongeschikt wordt, indien hij op de dag hieraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Op grond van het derde lid van dit artikel kan dit recht niet later ingaan dan vijf jaar na de eerste dag na afloop van de wachttijd.
7.2.
Gelet op deze bepaling loopt de termijn voor de beoordeling of er sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid van 12 oktober 2014 tot 12 oktober 2019.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts b&b bij zijn beoordeling heeft gekeken naar de FML van 29 maart 2016 (opgesteld in het kader van de eerstejaars herbeoordeling ZW) en geconcludeerd dat ten opzichte van die FML er geen toegenomen beperkingen zijn. Beoordeeld dient echter te worden of er ten opzichte van de FML van 12 oktober 2014 toegenomen beperkingen zijn. Verweerder heeft in zijn verweerschrift wel de juiste periode benoemd en geconcludeerd dat uit de FML die op 22 mei 2024 werd vastgelegd in het kader van de herbeoordeling per 8 juli 2019 er wel degelijk sprake is van een toename van aangenomen beperkingen ten opzichte van de beoordeling per 12 oktober 2014. Eiser heeft daarover echter geen opmerkingen gemaakt.
8.2.
De rechtbank stelt voorts vast dat in de FML van 22 mei 2024 in vergelijking met de FML van 12 oktober 2014 meer beperkingen zijn aangenomen. Daarbij gaat het om de volgende items: geen hoog handelingstempo, verhoogd persoonlijk risico, omgaan met conflicten, samenwerken, geen contact met klanten, geen contact met patiënten, geen hoge verantwoordelijkheid, koude, geen zware nekschouder kniebelastende kledingstukken, trillingsbelasting (knieën/armen/nek), geknield of gehurkt actief zijn en onregelmatige diensten.
8.3.
De rechtbank is van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om te concluderen dat de beperkingen van eiser per 8 juli 2019 zijn onderschat. Eiser heeft in zijn beroepschrift opgesomd op welke items in de FML hij meer beperkt moet worden geacht. Met deze beperkingen is in de FML van 22 mei 2024 in voldoende mate rekening gehouden. Alleen ten aanzien van het werken in drukke omgeving en afleiding door anderen is geen beperking aangenomen, maar de verzekeringsarts b&b heeft daarvan afdoende gemotiveerd dat daarvoor geen aanleiding bestaat.
Wat betreft de schouderklachten merkt de rechtbank op dat de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 24 april 2019 heeft geoordeeld dat er weliswaar sprake is toegenomen klachten, maar dat deze klachten het verrichten van de WIA-functie per 13 september 2017 niet in de weg staat. Dat er nadien sprake is geweest van verdere toegenomen beperkingen aan de schouder is de rechtbank uit het dossier niet gebleken.
Aan het rapport van neuroloog Niewold van 7 mei 2018 kent de rechtbank niet de waarde die eiser daaraan toegekend wil zien. De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak van 24 april 2019 reeds overwogen dat neuroloog Niewold in zijn rapport een verminderde belastbaarheid op neurologisch gebied heeft aangenomen, zonder dat hij daarbij neurologische afwijkingen benoemt en dat Niewold bij zijn beoordeling te veel is uitgegaan van neuropsychologische onderzoeken uit 2014 en 2015, terwijl de bevindingen daarvan vanwege onderpresteren niet echter betrouwbaar zijn. Verder heeft Niewold, aldus de Centrale Raad van Beroep, geen onderbouwing gegeven voor de door eiser voorgestane fysieke beperkingen en de urenbeperking. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak anders te concluderen. Er is dan ook geen reden om eiser op cognitief vlak meer beperkt te achten en een urenbeperking aan te nemen, zoals eiser heeft gesteld.
Ook in de psychische klachten ziet de rechtbank geen aanleiding om eiser toegenomen beperkt te achten. Eiser stelt dat bij hem sprake is van een bipolaire stoornis, maar nergens is uit gebleken dat dit ook bij hem is gediagnosticeerd. Verder blijkt uit het dossier dat
eiser weliswaar in de periode van 25 september 2020 t/m 2 oktober 2020 opgenomen is geweest bij GGZ Rivierduinen vanwege psychische klachten, maar deze gebeurtenis ligt buiten de periode die in deze zaak ter beoordeling voorligt.
8.4.
Eiser heeft nog verzocht een deskundige te benoemen. De rechtbank ziet daartoe geen aanleiding, nu zij geen reden heeft tot twijfel aan de bevindingen van de verzekeringsarts b&b.
8.5.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat ten opzichte van de FML van 12 oktober 2014 er wel sprake is van toegenomen beperkingen per 8 juli 2019, maar dat deze toegenomen beperkingen niet leiden tot een mate van arbeidsongeschiktheid van meer dan 35%. Het bestreden besluit I houdt dan ook stand.
ZW
9. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn dat dat de situatie tussen 7 augustus 2019 en 12 augustus 2019 is gewijzigd en dat eiser niet geschikt zou zijn voor de WIA-functies. Ook bestreden besluit II houdt stand.
Beide zaken
10. De beroepen zijn ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.