Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-15
ECLI:NL:RBDHA:2025:8647
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,274 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/2191
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , België, eiser
en
het Centraal Administratie Kantoor, het CAK
(gemachtigde: mr. J.M. Nijman).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van het CAK dat hij met ingang van 16 mei 2021 verdragsgerechtigd is op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en dat hij hiervoor vanaf die datum een verdragsbijdrage (ook wel: buitenlandbijdrage) is verschuldigd.
Met de beslissing op bezwaar van 26 januari 2024 (bestreden besluit) is het CAK bij het besluit gebleven dat eiser per 16 mei 2021 verdragsgerechtigd is en dat hij een buitenlandbijdrage is verschuldigd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het CAK heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. De rechtbank doet nu uitspraak.
Totstandkoming van het besluit
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1955 en woont in België. Hij ontvangt sinds 16 mei 2021 een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en een pensioen van de Stichting Pensioenfonds DSM-Nederland.
1.1.
Met het primaire besluit van 2 juni 2023 heeft het CAK eiser laten weten dat hij met ingang van 16 mei 2021 ingevolge de Zvw als verdragsgerechtigde wordt aangemerkt en dat hij daarom met toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004) recht heeft op zorg in zijn woonland België ten laste van pensioenland Nederland. Voor dit recht op zorg is hij volgens het CAK op grond van artikel 69 van de Zvw een buitenlandbijdrage verschuldigd, die het CAK laat inhouden op zijn pensioen of uitkering.
2. Het CAK heeft eisers bezwaar ongegrond verklaard en heeft het primaire besluit gehandhaafd. Het bestreden besluit berust op het standpunt van het CAK dat eiser verdragsgerechtigd is en op grond van artikel 69 van de Zvw een buitenlandbijdrage is verschuldigd.
3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het CAK hem ten onrechte heeft aangemerkt als verdragsgerechtigde. Hij vindt dat hij, als gezinslid van zijn in België werkzame echtgenote, sinds 2011 met haar is meeverzekerd voor ziektekosten en dat hij daarom geen buitenlandbijdrage is verschuldigd.
Beoordeling
4.1.
Eiser ontvangt met ingang van 16 mei 2021 AOW en een pensioen van de Stichting Pensioenfonds DSM-Nederland. Hij valt daarmee onder de werkingssfeer van artikel 24 van Vo 883/2004. Hij heeft geen recht op verstrekkingen krachtens de Belgische wetgeving als in dat artikel bedoeld. Van een zogenoemd prevalerend recht in België is slechts sprake indien eiser een inkomen uit België zou genieten waaraan een dergelijk recht op verstrekkingen is gekoppeld. Daarvan is in zijn geval geen sprake. Dit betekent dat eiser op grond van artikel 24 van Vo 883/2004 recht heeft op verstrekkingen in België ten laste van Nederland.
4.2.
Dat eisers echtgenote in België werkt, maakt dit niet anders. Eiser heeft als rechthebbende op een Nederlands pensioen namelijk een zelfstandig recht op verstrekkingen op grond van artikel 24 van Vo 883/2004. Het recht waar eiser op doelt betreft een afgeleid recht. Uit artikel 32, eerste lid, eerste volzin, van Vo 883/2004 volgt dat het zelfstandige recht op verstrekkingen dat eiser heeft op grond van artikel 24 van Vo 883/2004 voorrang heeft op het van zijn echtgenote afgeleide recht op zorg als (meeverzekerd) gezinslid. Van een situatie als bedoeld in de tweede volzin van artikel 32, eerste lid, van Vo 883/2004 is geen sprake. De rechtbank wijst in dit verband nog op de S071 en S072-formulieren van het bevoegde orgaan – de Christelijke Mutualiteit Midden-Vlaanderen – van 2 juni 2023, respectievelijk van 21 juni 2023, die vermelden dat eiser met ingang van 1 mei 2021 in België is ingeschreven voor medische zorg en dat de kosten voor die zorg ten laste van Nederland komen.
4.3.
Het CAK is gelet op het voorgaande terecht tot de conclusie gekomen dat eiser met ingang van 16 mei 2021 verdragsgerechtigd is op grond van de Zvw en dat hij hiervoor vanaf die datum een buitenlandbijdrage is verschuldigd.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Zij werkt bij Esprit in Antwerpen.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 februari 2017; ECLI:N:CRVB:2017:569
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/2191
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , België, eiser
en
het Centraal Administratie Kantoor, het CAK
(gemachtigde: mr. J.M. Nijman).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van het CAK dat hij met ingang van 16 mei 2021 verdragsgerechtigd is op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en dat hij hiervoor vanaf die datum een verdragsbijdrage (ook wel: buitenlandbijdrage) is verschuldigd.
Met de beslissing op bezwaar van 26 januari 2024 (bestreden besluit) is het CAK bij het besluit gebleven dat eiser per 16 mei 2021 verdragsgerechtigd is en dat hij een buitenlandbijdrage is verschuldigd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het CAK heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. De rechtbank doet nu uitspraak.
Totstandkoming van het besluit
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1955 en woont in België. Hij ontvangt sinds 16 mei 2021 een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en een pensioen van de Stichting Pensioenfonds DSM-Nederland.
1.1.
Met het primaire besluit van 2 juni 2023 heeft het CAK eiser laten weten dat hij met ingang van 16 mei 2021 ingevolge de Zvw als verdragsgerechtigde wordt aangemerkt en dat hij daarom met toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004) recht heeft op zorg in zijn woonland België ten laste van pensioenland Nederland. Voor dit recht op zorg is hij volgens het CAK op grond van artikel 69 van de Zvw een buitenlandbijdrage verschuldigd, die het CAK laat inhouden op zijn pensioen of uitkering.
2. Het CAK heeft eisers bezwaar ongegrond verklaard en heeft het primaire besluit gehandhaafd. Het bestreden besluit berust op het standpunt van het CAK dat eiser verdragsgerechtigd is en op grond van artikel 69 van de Zvw een buitenlandbijdrage is verschuldigd.
3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het CAK hem ten onrechte heeft aangemerkt als verdragsgerechtigde. Hij vindt dat hij, als gezinslid van zijn in België werkzame echtgenote, sinds 2011 met haar is meeverzekerd voor ziektekosten en dat hij daarom geen buitenlandbijdrage is verschuldigd.
Beoordeling
4.1.
Eiser ontvangt met ingang van 16 mei 2021 AOW en een pensioen van de Stichting Pensioenfonds DSM-Nederland. Hij valt daarmee onder de werkingssfeer van artikel 24 van Vo 883/2004. Hij heeft geen recht op verstrekkingen krachtens de Belgische wetgeving als in dat artikel bedoeld. Van een zogenoemd prevalerend recht in België is slechts sprake indien eiser een inkomen uit België zou genieten waaraan een dergelijk recht op verstrekkingen is gekoppeld. Daarvan is in zijn geval geen sprake. Dit betekent dat eiser op grond van artikel 24 van Vo 883/2004 recht heeft op verstrekkingen in België ten laste van Nederland.
4.2.
Dat eisers echtgenote in België werkt, maakt dit niet anders. Eiser heeft als rechthebbende op een Nederlands pensioen namelijk een zelfstandig recht op verstrekkingen op grond van artikel 24 van Vo 883/2004. Het recht waar eiser op doelt betreft een afgeleid recht. Uit artikel 32, eerste lid, eerste volzin, van Vo 883/2004 volgt dat het zelfstandige recht op verstrekkingen dat eiser heeft op grond van artikel 24 van Vo 883/2004 voorrang heeft op het van zijn echtgenote afgeleide recht op zorg als (meeverzekerd) gezinslid. Van een situatie als bedoeld in de tweede volzin van artikel 32, eerste lid, van Vo 883/2004 is geen sprake. De rechtbank wijst in dit verband nog op de S071 en S072-formulieren van het bevoegde orgaan – de Christelijke Mutualiteit Midden-Vlaanderen – van 2 juni 2023, respectievelijk van 21 juni 2023, die vermelden dat eiser met ingang van 1 mei 2021 in België is ingeschreven voor medische zorg en dat de kosten voor die zorg ten laste van Nederland komen.
4.3.
Het CAK is gelet op het voorgaande terecht tot de conclusie gekomen dat eiser met ingang van 16 mei 2021 verdragsgerechtigd is op grond van de Zvw en dat hij hiervoor vanaf die datum een buitenlandbijdrage is verschuldigd.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Zij werkt bij Esprit in Antwerpen.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 februari 2017; ECLI:N:CRVB:2017:569