Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-14
ECLI:NL:RBDHA:2025:8528
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,696 tokens
Inleiding
RECHTBANK Den Haag
Team Handel
Zaaknummer: C/09/674687 / HA ZA 24-926
Vonnis van 14 mei 2025
in de zaak van
[eiser] B.V. te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. P.S. Jonker,
tegen
[gedaagde] B.V. te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. E. Doornbos.
Procesverloop
1.1.
[eiser] heeft op 15 oktober 2024 een dagvaarding ingediend, met producties 1 tot en met 8. [gedaagde] heeft op 11 december 2024 een conclusie van antwoord ingediend, met producties 1 en 2. Bij tussenvonnis van 15 januari 2025 is er een mondelinge behandeling bepaald.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 maart 2025. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft zittingsaantekeningen gemaakt.
1.3.
Daarna volgt dit vonnis.
Feiten
2.1.
[eiser] was eigenaar van een horecaonderneming genaamd ‘ [onderneming] ’ (hierna: de onderneming). Bij overeenkomst gedateerd op 17 september 2024 heeft [eiser] de onderneming verkocht aan [gedaagde] voor een bedrag van € 50.000 (hierna: de overeenkomst). In de overeenkomst staat dat € 40.000 daarvan direct na ondertekening van de overeenkomst moet worden betaald. Daarnaast staat in de overeenkomst dat het resterende bedrag van € 10.000 in twee termijnen van € 5.000 moet worden betaald, op 15 januari 2025 en 25 januari 2026. In de overeenkomst is onder meer het volgende bepaald:
“
Overwegingen
(…)
Verkoper bereid is de Onderneming (door middel van een zng activa-passiva transactie waarbij de B.V. van Verkoper niet wordt verkocht) uiterlijk op 16 september 2024 (hierna: Overnamedatum) te verkopen aan Koper, onder de voorwaarden zoals opgenomen in onderhavige overeenkomst.”
(…)
Leverings-en overnemingshandelingen
(…)
6.2 De levering van de roerende zaken zal plaatsvinden door middel van feitelijke bezitsverschaffing op de Overnamedatum door overhandiging van de sleutels van “ [onderneming] ” (…)”
2.2.
De heer [naam 1] is de eigenaar van [eiser] . Horecamakelaar de heer [naam 2] heeft hem bijgestaan in dit verkoopproces. Partijen hebben per e-mail over de overeenkomst onderhandeld. Op 10 juli 2024 heeft de heer [naam 3] namens [gedaagde] het voorstel gedaan om de onderneming over te nemen voor € 50.000. Op 17 juli 2024 heeft [naam 2] een tegenvoorstel gestuurd namens [eiser] . Dit voorstel hield in levering per 1 augustus 2024 tegen een prijs van € 40.000, exclusief de vijf klimaatkasten die achterin de zaak stonden en de voorraad wijn die er nog stond.
2.3.
Dezelfde dag heeft [naam 3] namens [gedaagde] gereageerd. Hij gaf in zijn reactie aan dat zij vasthouden aan hun voorstel van 10 juli 2024. Daarnaast gaf hij aan dat dit betekent dat de overnamesom inclusief de vijf wijnklimaatkasten is en exclusief de voorraad wijn. Op 24 juli 2024 heeft [naam 1] laten weten dat dit voorstel akkoord is.
2.4.
Na ondertekening van de overeenkomst hebben de vertegenwoordigers van [gedaagde] op 18 september 2024 op het kantoor van [naam 2] de sleutels van het pand opgehaald. Zij zijn dezelfde dag naar het pand gegaan. Bij binnenkomst bleken de vijf klimaatkasten te ontbreken. [naam 3] heeft vervolgens direct gebeld met [naam 2] . Dezelfde dag om 15:29 uur heeft [naam 3] een e-mail gestuurd, waarin onder meer het volgende stond:
“(…)
Met referte aan ons telefonisch onderhoud van zojuist het volgende:
Duidelijk is dat [gedaagde] “bevestigd door jou” zich niet aan de voorwaarden heeft gehouden zoals deze zijn opgenomen in de getekende overname-overeenkomst.
Wij voelen ons dan ook niet genoodzaakt om de overnamesom te voldoen.
(…)”
2.5.
Per e-mail van dezelfde dag om 16:31 uur heeft [naam 2] hierop geantwoord en aangegeven dat hij [naam 1] heeft gesproken. [naam 1] heeft aangegeven dat hij ervoor zal zorgen dat de klimaatkasten voor volgende week vrijdag worden teruggebracht. Hij moet daarvoor alleen nog een vrachtwagen regelen.
2.6.
In e-mailcorrespondentie van 18 en 19 september 2024 tussen [naam 3] en [naam 2] heeft [naam 3] telkens terugplaatsing van de klimaatkasten geweigerd. Ook heeft hij [naam 2] per e-mail van 19 september 2024 om 23:31 uur geïnformeerd dat inmiddels vijf nieuwe klimaatkasten zijn besteld. Deze klimaatkasten kosten € 4.500 per stuk en dat bedrag wil [gedaagde] verrekenen met de overnamesom.
2.7.
Op 20 september 2024 heeft [eiser] [gedaagde] per e-mail nogmaals toegezegd dat de ontbrekende klimaatkasten ter beschikking zullen worden gesteld. In deze e-mail heeft [eiser] [gedaagde] bovendien gesommeerd tot betaling van de koopsom van € 40.000.
2.8.
Op 21 september 2024 heeft [eiser] geprobeerd de klimaatkasten terug te plaatsen, maar bij aankomst bij het pand bleken de sloten van het pand te zijn vervangen. Sindsdien staan de klimaatkasten bij [eiser] in een opslag. Op 22 september 2024 heeft [gedaagde] nogmaals laten weten dat zij het terugbrengen van de klimaatkasten niet zal accepteren.
2.9.
Op 10 december 2024 heeft [gedaagde] een bedrag van € 17.005 van de koopsom aan [eiser] betaald. Dit betekent dat er nog bedrag resteert van € 22.995. [eiser] heeft haar eis ook verminderd naar dit bedrag.
Geschil
3.1.
[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
I. veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 22.995 binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis, te vermeerderen met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) met ingang van de datum dat [gedaagde] in verzuim is, dan wel vanaf 23 september 2024, dan wel de datum van de dagvaarding tot aan 10 december 2024 over een bedrag van € 40.000, plus de wettelijke rente over een bedrag van € 22.995 vanaf 10 december 2024 tot aan datum betaling;
II. een verklaring voor recht dat [gedaagde] het restant bedrag van € 10.000 in twee gelijke termijnen van € 5.000 aan [eiser] dient te voldoen, zulks uiterlijk op respectievelijk 15 januari 2025 en 15 januari 2026;
III. veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de kosten die [eiser] heeft moeten maken ter voldoening van haar vordering(en), alsook tot betaling van de door [gedaagde] veroorzaakte schade, zulks op te maken bij staat;
IV. veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
Kern van de zaak
4.1.
[eiser] vordert nakoming van de koopovereenkomst en wil dat [gedaagde] alsnog het resterende deel van de koopsom betaalt. [gedaagde] heeft eerder geweigerd de volledige koopsom te voldoen omdat de vijf klimaatkasten ontbraken. Uiteindelijk heeft [gedaagde] wel een deel betaald, maar wil zij de rest nu verrekenen met de kosten voor de nieuwe klimaatkasten. De vraag is of [gedaagde] eerder mocht weigeren het hele bedrag te betalen en of zij nu recht heeft op verrekening. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] op beide punten geen gelijk heeft en legt hieronder uit waarom.
[eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst
4.2.
Volgens [gedaagde] is [eiser] door het weghalen van de vijf klimaatkasten uit het pand voorafgaande aan de levering tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst.
4.3.
Tijdens de zitting heeft [eiser] aangegeven zich na het protest van [gedaagde] erbij neer te hebben gelegd dat ook de klimaatkasten tot de koop behoorden. Sindsdien is haar insteek dan ook geweest de klimaatkasten alsnog te leveren. In deze procedure heeft [eiser] echter eveneens aangevoerd dat de klimaatkasten niet zijn opgenomen in de inventarisatielijst bij de overeenkomst. Voor zover [eiser] zich hiermee op het standpunt stelt dat de klimaatkasten geen onderdeel uitmaken van de overeenkomst, gaat de rechtbank hieraan als onvoldoende onderbouwd voorbij.
4.4.
Uit de e-mails van 17 en 24 juli 2024 blijkt dat er uitdrukkelijk over de klimaatkasten is onderhandeld én dat [eiser] haar akkoord heeft gegeven op een voorstel waarbij ook de klimaatkasten onderdeel zijn van de koop. De omstandigheid dat de klimaatkasten niet zouden zijn genoemd in een bijlage bij de overeenkomst, is gelet hierop van onvoldoende gewicht om tot een andere conclusie te komen. Op de zitting heeft [naam 1] nog aangegeven dat hij ten tijde van de onderhandelingen op vakantie was en daarom het voorstel waarmee hij instemde niet goed had gelezen. Gelet op de inhoud van de e-mails, mocht [gedaagde] er echter gerechtvaardigd op vertrouwen dat [eiser] bewust had ingestemd met de verkoop van de onderneming inclusief klimaatkasten (artikel 3:35 BW).
4.5.
Hieruit volgt dat de klimaatkasten onderdeel uitmaakten van de koop. Door de klimaatkasten voorafgaande aan de levering uit het pand te halen, is [eiser] dus tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst.
[eiser] moest de kans krijgen om de fout te herstellen
4.6.
Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] [eiser] de kans had moeten geven om de fout te herstellen. Daarvoor is van belang of de leveringsdatum uit de overeenkomst een fatale termijn is. In artikel 6:83 aanhef en onder a BW staat dat het verzuim zonder ingebrekestelling intreedt wanneer een voor de voldoening bepaalde termijn verstrijkt zonder dat de verbintenis is nagekomen, tenzij blijkt dat de termijn een andere strekking heeft. In de overeenkomst staat dat uiterlijk op de overnamedatum de roerende zaken worden geleverd door bezitsverschaffing, door de overdracht van de sleutels van het pand. Dit ziet dus ook op de klimaatkasten. Doordat de klimaatkasten ontbraken op het moment van levering, was [eiser] dus gelijk in verzuim ten aanzien van de levering daarvan.
4.7.
De vraag is echter of dit ook maakt dat [gedaagde] recht heeft op schadevergoeding (en verrekening daarvan met de koopsom), zoals zij stelt. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is.
4.8.
De omstandigheid dat [eiser] gelijk in verzuim is komen te verkeren, betekent in dit geval niet dat [eiser] geen kans meer hoefde te krijgen om haar fout te herstellen. Nakoming van de verplichting om de klimaatkasten te leveren was nog mogelijk; [eiser] had de klimaatkasten nog en bood gelijk aan deze terug te brengen en dat [gedaagde] de klimaatkasten direct nodig had is niet gesteld of gebleken. Zij zou niet meteen opengaan want zij beschikte nog niet over de benodigde vergunning. Dat zij niet kon wachten totdat de klimaatkasten werden teruggebracht is niet voldoende onderbouwd. [gedaagde] heeft, als toelichting op het feit dat zij direct nieuwe klimaatkasten kocht, aangevoerd dat de werking van de klimaatkasten zou zijn aangetast door het vervoer. Ook dat is niet onderbouwd. Dat er mogelijk een risico is bij het vervoer van klimaatkasten, betekent niet dat hier in dit geval ook sprake van is, vooral nu [eiser] heeft aangegeven dat de klimaatkasten zijn vervoerd door een professioneel bedrijf. Dit betekent dat [gedaagde] , door [eiser] te weigeren de klimaatkasten terug te plaatsen, niet aan haar schadebeperkingsverplichtingen heeft voldaan (artikel 6:101 BW). De keuze van [gedaagde] om gelijk nieuwe klimaatkasten te bestellen, is dan ook een keuze die voor eigen rekening dient te komen.
4.9.
Dit betekent dat [gedaagde] geen recht heeft op schadevergoeding en de kosten van de nieuwe klimaatkasten niet kan verrekenen. Dit betekent ook dat [gedaagde] de koopsom had moeten betalen.
Conclusie
4.10.
De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 22.995, dat is het nog niet betaalde deel van € 40.000, toewijzen. Omdat [gedaagde] ten onrechte niet heeft betaald, wordt de wettelijke rente toegewezen over een bedrag van € 40.000 over de periode van 19 september 2024 tot 10 december 2024 en over een bedrag van € 22.995 van 10 december 2024 tot aan de dag van volledige betaling. Verder merkt de rechtbank nog op dat zij de wettelijke rente zal toewijzen als bedoeld in artikel 6:119 BW. [eiser] heeft tijdens de zitting wel gezegd dat zij uitging van handelsrente, maar dat heeft zij niet gevorderd.
Overige vorderingen
4.11.
[eiser] vordert verder een verklaring voor recht dat [gedaagde] het restant bedrag van € 10.000,00 in twee gelijke termijnen van € 5.000,00 aan [eiser] moet voldoen, namelijk uiterlijk op respectievelijk 15 januari 2025 en 15 januari 2026. De eerstgenoemde termijn is inmiddels betaald, zodat dit onderdeel van de vordering is achterhaald en bij gebrek aan belang zal worden afgewezen (artikel 3:303 BW). [gedaagde] heeft niet betwist dat uit de overeenkomst volgt dat zij ter zake de koopsom uiterlijk 15 januari 2026 nog een bedrag van € 5.000 moet betalen. De rechtbank zal de gevorderde verklaring voor recht met betrekking tot deze laatste termijn daarom toewijzen. [eiser] heeft daar belang bij nu [gedaagde] eerder niet op tijd heeft betaald.
4.12.
Verder vordert [gedaagde] betaling van de kosten die [eiser] heeft moeten maken ter voldoening van haar vorderingen, alsook tot betaling van de door [gedaagde] veroorzaakte schade, zulks op te maken bij staat. Ter zitting heeft [eiser] echter aangegeven dat het haar enkel gaat om nakoming van de overeenkomst en betaling van de koopsom, zodat dit deel van de vordering kan komen te vervallen. De rechtbank zal daarom dit deel van de vordering afwijzen.
4.13.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
115,22
- griffierecht
€
2.889,00
- salaris advocaat
€
2.428,00
(2 punten × € 1.214,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
5.610,22
Dictum
De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 22.995, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 10 december 2024 tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag van € 40.000, berekend over de periode van 19 september 2024 tot 10 december 2024;
5.3.
verklaart voor recht dat [gedaagde] de restant koopsom van € 5.000,00 uiterlijk op 15 januari 2026 aan [eiser] dient te voldoen;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 5.610,22, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1, 5.2 en 5.4 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.C. Kool en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2025.
Inleiding
RECHTBANK Den Haag
Team Handel
Zaaknummer: C/09/674687 / HA ZA 24-926
Vonnis van 14 mei 2025
in de zaak van
[eiser] B.V. te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. P.S. Jonker,
tegen
[gedaagde] B.V. te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. E. Doornbos.
Procesverloop
1.1.
[eiser] heeft op 15 oktober 2024 een dagvaarding ingediend, met producties 1 tot en met 8. [gedaagde] heeft op 11 december 2024 een conclusie van antwoord ingediend, met producties 1 en 2. Bij tussenvonnis van 15 januari 2025 is er een mondelinge behandeling bepaald.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 maart 2025. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft zittingsaantekeningen gemaakt.
1.3.
Daarna volgt dit vonnis.
Feiten
2.1.
[eiser] was eigenaar van een horecaonderneming genaamd ‘ [onderneming] ’ (hierna: de onderneming). Bij overeenkomst gedateerd op 17 september 2024 heeft [eiser] de onderneming verkocht aan [gedaagde] voor een bedrag van € 50.000 (hierna: de overeenkomst). In de overeenkomst staat dat € 40.000 daarvan direct na ondertekening van de overeenkomst moet worden betaald. Daarnaast staat in de overeenkomst dat het resterende bedrag van € 10.000 in twee termijnen van € 5.000 moet worden betaald, op 15 januari 2025 en 25 januari 2026. In de overeenkomst is onder meer het volgende bepaald:
“
Overwegingen
(…)
Verkoper bereid is de Onderneming (door middel van een zng activa-passiva transactie waarbij de B.V. van Verkoper niet wordt verkocht) uiterlijk op 16 september 2024 (hierna: Overnamedatum) te verkopen aan Koper, onder de voorwaarden zoals opgenomen in onderhavige overeenkomst.”
(…)
Leverings-en overnemingshandelingen
(…)
6.2 De levering van de roerende zaken zal plaatsvinden door middel van feitelijke bezitsverschaffing op de Overnamedatum door overhandiging van de sleutels van “ [onderneming] ” (…)”
2.2.
De heer [naam 1] is de eigenaar van [eiser] . Horecamakelaar de heer [naam 2] heeft hem bijgestaan in dit verkoopproces. Partijen hebben per e-mail over de overeenkomst onderhandeld. Op 10 juli 2024 heeft de heer [naam 3] namens [gedaagde] het voorstel gedaan om de onderneming over te nemen voor € 50.000. Op 17 juli 2024 heeft [naam 2] een tegenvoorstel gestuurd namens [eiser] . Dit voorstel hield in levering per 1 augustus 2024 tegen een prijs van € 40.000, exclusief de vijf klimaatkasten die achterin de zaak stonden en de voorraad wijn die er nog stond.
2.3.
Dezelfde dag heeft [naam 3] namens [gedaagde] gereageerd. Hij gaf in zijn reactie aan dat zij vasthouden aan hun voorstel van 10 juli 2024. Daarnaast gaf hij aan dat dit betekent dat de overnamesom inclusief de vijf wijnklimaatkasten is en exclusief de voorraad wijn. Op 24 juli 2024 heeft [naam 1] laten weten dat dit voorstel akkoord is.
2.4.
Na ondertekening van de overeenkomst hebben de vertegenwoordigers van [gedaagde] op 18 september 2024 op het kantoor van [naam 2] de sleutels van het pand opgehaald. Zij zijn dezelfde dag naar het pand gegaan. Bij binnenkomst bleken de vijf klimaatkasten te ontbreken. [naam 3] heeft vervolgens direct gebeld met [naam 2] . Dezelfde dag om 15:29 uur heeft [naam 3] een e-mail gestuurd, waarin onder meer het volgende stond:
“(…)
Met referte aan ons telefonisch onderhoud van zojuist het volgende:
Duidelijk is dat [gedaagde] “bevestigd door jou” zich niet aan de voorwaarden heeft gehouden zoals deze zijn opgenomen in de getekende overname-overeenkomst.
Wij voelen ons dan ook niet genoodzaakt om de overnamesom te voldoen.
(…)”
2.5.
Per e-mail van dezelfde dag om 16:31 uur heeft [naam 2] hierop geantwoord en aangegeven dat hij [naam 1] heeft gesproken. [naam 1] heeft aangegeven dat hij ervoor zal zorgen dat de klimaatkasten voor volgende week vrijdag worden teruggebracht. Hij moet daarvoor alleen nog een vrachtwagen regelen.
2.6.
In e-mailcorrespondentie van 18 en 19 september 2024 tussen [naam 3] en [naam 2] heeft [naam 3] telkens terugplaatsing van de klimaatkasten geweigerd. Ook heeft hij [naam 2] per e-mail van 19 september 2024 om 23:31 uur geïnformeerd dat inmiddels vijf nieuwe klimaatkasten zijn besteld. Deze klimaatkasten kosten € 4.500 per stuk en dat bedrag wil [gedaagde] verrekenen met de overnamesom.
2.7.
Op 20 september 2024 heeft [eiser] [gedaagde] per e-mail nogmaals toegezegd dat de ontbrekende klimaatkasten ter beschikking zullen worden gesteld. In deze e-mail heeft [eiser] [gedaagde] bovendien gesommeerd tot betaling van de koopsom van € 40.000.
2.8.
Op 21 september 2024 heeft [eiser] geprobeerd de klimaatkasten terug te plaatsen, maar bij aankomst bij het pand bleken de sloten van het pand te zijn vervangen. Sindsdien staan de klimaatkasten bij [eiser] in een opslag. Op 22 september 2024 heeft [gedaagde] nogmaals laten weten dat zij het terugbrengen van de klimaatkasten niet zal accepteren.
2.9.
Op 10 december 2024 heeft [gedaagde] een bedrag van € 17.005 van de koopsom aan [eiser] betaald. Dit betekent dat er nog bedrag resteert van € 22.995. [eiser] heeft haar eis ook verminderd naar dit bedrag.
Geschil
3.1.
[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
I. veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 22.995 binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis, te vermeerderen met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) met ingang van de datum dat [gedaagde] in verzuim is, dan wel vanaf 23 september 2024, dan wel de datum van de dagvaarding tot aan 10 december 2024 over een bedrag van € 40.000, plus de wettelijke rente over een bedrag van € 22.995 vanaf 10 december 2024 tot aan datum betaling;
II. een verklaring voor recht dat [gedaagde] het restant bedrag van € 10.000 in twee gelijke termijnen van € 5.000 aan [eiser] dient te voldoen, zulks uiterlijk op respectievelijk 15 januari 2025 en 15 januari 2026;
III. veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de kosten die [eiser] heeft moeten maken ter voldoening van haar vordering(en), alsook tot betaling van de door [gedaagde] veroorzaakte schade, zulks op te maken bij staat;
IV. veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
Kern van de zaak
4.1.
[eiser] vordert nakoming van de koopovereenkomst en wil dat [gedaagde] alsnog het resterende deel van de koopsom betaalt. [gedaagde] heeft eerder geweigerd de volledige koopsom te voldoen omdat de vijf klimaatkasten ontbraken. Uiteindelijk heeft [gedaagde] wel een deel betaald, maar wil zij de rest nu verrekenen met de kosten voor de nieuwe klimaatkasten. De vraag is of [gedaagde] eerder mocht weigeren het hele bedrag te betalen en of zij nu recht heeft op verrekening. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] op beide punten geen gelijk heeft en legt hieronder uit waarom.
[eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst
4.2.
Volgens [gedaagde] is [eiser] door het weghalen van de vijf klimaatkasten uit het pand voorafgaande aan de levering tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst.
4.3.
Tijdens de zitting heeft [eiser] aangegeven zich na het protest van [gedaagde] erbij neer te hebben gelegd dat ook de klimaatkasten tot de koop behoorden. Sindsdien is haar insteek dan ook geweest de klimaatkasten alsnog te leveren. In deze procedure heeft [eiser] echter eveneens aangevoerd dat de klimaatkasten niet zijn opgenomen in de inventarisatielijst bij de overeenkomst. Voor zover [eiser] zich hiermee op het standpunt stelt dat de klimaatkasten geen onderdeel uitmaken van de overeenkomst, gaat de rechtbank hieraan als onvoldoende onderbouwd voorbij.
4.4.
Uit de e-mails van 17 en 24 juli 2024 blijkt dat er uitdrukkelijk over de klimaatkasten is onderhandeld én dat [eiser] haar akkoord heeft gegeven op een voorstel waarbij ook de klimaatkasten onderdeel zijn van de koop. De omstandigheid dat de klimaatkasten niet zouden zijn genoemd in een bijlage bij de overeenkomst, is gelet hierop van onvoldoende gewicht om tot een andere conclusie te komen. Op de zitting heeft [naam 1] nog aangegeven dat hij ten tijde van de onderhandelingen op vakantie was en daarom het voorstel waarmee hij instemde niet goed had gelezen. Gelet op de inhoud van de e-mails, mocht [gedaagde] er echter gerechtvaardigd op vertrouwen dat [eiser] bewust had ingestemd met de verkoop van de onderneming inclusief klimaatkasten (artikel 3:35 BW).
4.5.
Hieruit volgt dat de klimaatkasten onderdeel uitmaakten van de koop. Door de klimaatkasten voorafgaande aan de levering uit het pand te halen, is [eiser] dus tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst.
[eiser] moest de kans krijgen om de fout te herstellen
4.6.
Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] [eiser] de kans had moeten geven om de fout te herstellen. Daarvoor is van belang of de leveringsdatum uit de overeenkomst een fatale termijn is. In artikel 6:83 aanhef en onder a BW staat dat het verzuim zonder ingebrekestelling intreedt wanneer een voor de voldoening bepaalde termijn verstrijkt zonder dat de verbintenis is nagekomen, tenzij blijkt dat de termijn een andere strekking heeft. In de overeenkomst staat dat uiterlijk op de overnamedatum de roerende zaken worden geleverd door bezitsverschaffing, door de overdracht van de sleutels van het pand. Dit ziet dus ook op de klimaatkasten. Doordat de klimaatkasten ontbraken op het moment van levering, was [eiser] dus gelijk in verzuim ten aanzien van de levering daarvan.
4.7.
De vraag is echter of dit ook maakt dat [gedaagde] recht heeft op schadevergoeding (en verrekening daarvan met de koopsom), zoals zij stelt. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is.
4.8.
De omstandigheid dat [eiser] gelijk in verzuim is komen te verkeren, betekent in dit geval niet dat [eiser] geen kans meer hoefde te krijgen om haar fout te herstellen. Nakoming van de verplichting om de klimaatkasten te leveren was nog mogelijk; [eiser] had de klimaatkasten nog en bood gelijk aan deze terug te brengen en dat [gedaagde] de klimaatkasten direct nodig had is niet gesteld of gebleken. Zij zou niet meteen opengaan want zij beschikte nog niet over de benodigde vergunning. Dat zij niet kon wachten totdat de klimaatkasten werden teruggebracht is niet voldoende onderbouwd. [gedaagde] heeft, als toelichting op het feit dat zij direct nieuwe klimaatkasten kocht, aangevoerd dat de werking van de klimaatkasten zou zijn aangetast door het vervoer. Ook dat is niet onderbouwd. Dat er mogelijk een risico is bij het vervoer van klimaatkasten, betekent niet dat hier in dit geval ook sprake van is, vooral nu [eiser] heeft aangegeven dat de klimaatkasten zijn vervoerd door een professioneel bedrijf. Dit betekent dat [gedaagde] , door [eiser] te weigeren de klimaatkasten terug te plaatsen, niet aan haar schadebeperkingsverplichtingen heeft voldaan (artikel 6:101 BW). De keuze van [gedaagde] om gelijk nieuwe klimaatkasten te bestellen, is dan ook een keuze die voor eigen rekening dient te komen.
4.9.
Dit betekent dat [gedaagde] geen recht heeft op schadevergoeding en de kosten van de nieuwe klimaatkasten niet kan verrekenen. Dit betekent ook dat [gedaagde] de koopsom had moeten betalen.
Conclusie
4.10.
De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 22.995, dat is het nog niet betaalde deel van € 40.000, toewijzen. Omdat [gedaagde] ten onrechte niet heeft betaald, wordt de wettelijke rente toegewezen over een bedrag van € 40.000 over de periode van 19 september 2024 tot 10 december 2024 en over een bedrag van € 22.995 van 10 december 2024 tot aan de dag van volledige betaling. Verder merkt de rechtbank nog op dat zij de wettelijke rente zal toewijzen als bedoeld in artikel 6:119 BW. [eiser] heeft tijdens de zitting wel gezegd dat zij uitging van handelsrente, maar dat heeft zij niet gevorderd.
Overige vorderingen
4.11.
[eiser] vordert verder een verklaring voor recht dat [gedaagde] het restant bedrag van € 10.000,00 in twee gelijke termijnen van € 5.000,00 aan [eiser] moet voldoen, namelijk uiterlijk op respectievelijk 15 januari 2025 en 15 januari 2026. De eerstgenoemde termijn is inmiddels betaald, zodat dit onderdeel van de vordering is achterhaald en bij gebrek aan belang zal worden afgewezen (artikel 3:303 BW). [gedaagde] heeft niet betwist dat uit de overeenkomst volgt dat zij ter zake de koopsom uiterlijk 15 januari 2026 nog een bedrag van € 5.000 moet betalen. De rechtbank zal de gevorderde verklaring voor recht met betrekking tot deze laatste termijn daarom toewijzen. [eiser] heeft daar belang bij nu [gedaagde] eerder niet op tijd heeft betaald.
4.12.
Verder vordert [gedaagde] betaling van de kosten die [eiser] heeft moeten maken ter voldoening van haar vorderingen, alsook tot betaling van de door [gedaagde] veroorzaakte schade, zulks op te maken bij staat. Ter zitting heeft [eiser] echter aangegeven dat het haar enkel gaat om nakoming van de overeenkomst en betaling van de koopsom, zodat dit deel van de vordering kan komen te vervallen. De rechtbank zal daarom dit deel van de vordering afwijzen.
4.13.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
115,22
- griffierecht
€
2.889,00
- salaris advocaat
€
2.428,00
(2 punten × € 1.214,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
5.610,22
Dictum
De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 22.995, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 10 december 2024 tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag van € 40.000, berekend over de periode van 19 september 2024 tot 10 december 2024;
5.3.
verklaart voor recht dat [gedaagde] de restant koopsom van € 5.000,00 uiterlijk op 15 januari 2026 aan [eiser] dient te voldoen;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 5.610,22, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1, 5.2 en 5.4 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.C. Kool en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2025.