Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-14
ECLI:NL:RBDHA:2025:8495
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,414 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.6817
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], mede voor haar minderjarige kind,
V-nummer: [nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. J.J. de Vries),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. I. van Es).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep tegen het besluit van de minister, van 11 februari 2025, om de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk te verklaren, omdat zij al internationale bescherming heeft in Spanje.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 9 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de minister de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk heeft mogen verklaren. Zij doet dat aan de hand van het beroepschrift van eiseres.
3. De rechtbank acht het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Relevante feiten en omstandigheden
4. Eiseres stelt de Equatoriaal-Guinese nationaliteit te hebben. Zij is samen met haar zoon vanuit Spanje naar Nederland gereisd. Eiseres heeft op 24 december 2024 in Nederland een asielaanvraag ingediend.
Het bestreden besluit
5. De minister stelt dat eiseres sinds 22 juni 2024 in Spanje internationale bescherming geniet. Dit blijkt uit het Eurodac-systeem. Omdat eiseres internationale bescherming geniet in Spanje, is er volgens de minister sprake van een zodanige band met Spanje dat het redelijk is om naar dat land te gaan. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Spanje in een situatie terecht zal komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag niet-ontvankelijk is.
Internationale bescherming en band met Spanje
6. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres internationale bescherming in Spanje geniet. Ook wordt niet betwist dat eiseres om die reden een zodanige band met Spanje heeft dat het voor haar redelijk zou zijn om daar naartoe terug te keren.
Mag de minister uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel met Spanje?
7. Eiseres voert aan dat de Spaanse autoriteiten het voor haar onmogelijk hebben gemaakt om invulling te geven aan haar status. Ten aanzien van Spanje kan niet worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiseres stelt dat zij bij terugkeer naar Spanje een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. In dit verband verwijst eiseres naar pagina 169 van de AIDA Spanje Update 2023, waarin ten aanzien van migranten sprake is van zorgelijke signalen wat betreft het verkrijgen van huisvesting. In de meest recente update van het rapport is opgenomen dat er geen hulporganisaties aanwezig zijn die kunnen helpen bij het zoeken naar geschikte huisvesting. Verder verwijst eiseres naar haar eigen slechte ervaringen in Spanje. Zo is zij bedreigd door een man. Eiseres heeft daartegen geen bescherming ontvangen van de lokale autoriteiten. Verder stelt eiseres dat de geboden financiële voorziening te laag is om zelfstandig woonruimte te vinden buiten de opvang om. De wirwar aan administratieve verplichtingen en het gebrek aan hulp daarbij, maakt dat het voor eiseres onmogelijk is geworden om in Spanje een bestaan op te bouwen. Eiseres voert verder aan dat zij vreest dat haar dochter, die een ernstige vorm van autistisme heeft en nog in Guinee woont, bij eventuele nareis onvoldoende (medische) zorg aangeboden zal krijgen in Spanje.
7.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Spanje het risico loopt op een schending van artikel 3 van het EVRM dan wel artikel 4 van het Handvest. De minister mag er in beginsel van uitgaan dat de behandeling van een vreemdeling in de lidstaat waar hij of zij internationale bescherming geniet, in overeenstemming is met de bepalingen van het Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Dit uitgangspunt wordt ook wel het interstatelijk vertrouwensbeginsel genoemd. Het is aan de vreemdeling om dat vermoeden te weerleggen.
7.2.
De persoonlijke ervaringen van eiseres maken niet dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Uit de verklaringen van eiseres blijkt immers – zoals de minister terecht stelt – dat zij, en ook haar minderjarige zoon, in Spanje de beschikking hadden over woonruimte en leefgeld en toegang hadden tot (noodzakelijke) medische zorg. Niet is gebleken dat de autoriteiten zich tegenover eiseres niet aan hun internationale verplichtingen hebben gehouden. De omstandigheid dat het niet is gelukt om een eigen woning te verkrijgen doet niet af aan het feit dat eiseres onderdak heeft gekregen. Ook de omstandigheid dat eiseres niet kon sparen voor een eigen woning betekent niet dat zij onvoldoende financiële ondersteuning heeft gekregen van de Spaanse autoriteiten. Ten aanzien van eiseres’ angst dat haar autistische dochter onvoldoende zorg zal krijgen na overkomst naar Spanje overweegt de rechtbank het volgende. Nog los van het feit dat de dochter van eiseres nog niet bij eiseres in Spanje heeft verbleven, mag ervan worden uitgegaan dat de noodzakelijke medische zorg na een eventuele nareis ook voor haar beschikbaar is.
7.3.
De minister heeft terecht overwogen dat het aan eiseres is om haar rechten als statushouder te effectueren. Als eiseres van mening is dat haar ten onrechte toereikende huisvesting, financiële steun, en medische zorg werd onthouden, mag eiseres worden verwacht dat zij zich tot de Spaanse autoriteiten wendt. Voor wat betreft de uitkomst van de afhandeling van de aangiftes van eiseres heeft zij daarvan geen beklag gedaan. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de (hogere) Spaanse autoriteiten haar als statushouder niet willen of kunnen helpen dan wel dat hulp vragen bij voorbaat kansloos is.
7.4.
De rechtbank onderkent dat uit de door eiseres aangehaalde AIDA-rapporten blijkt dat statushouders – ondanks het feit dat zij dezelfde rechten hebben als Spaanse onderdanen – in de praktijk obstakels ondervinden bij de toegang tot betaalbare huisvesting en het vinden van werk. Uit de rapporten blijkt echter ook dat er NGO’s zijn die statushouders bijstaan. In ieder geval blijkt uit deze rapporten niet dat de situatie in Spanje voor statushouders dusdanig slecht is, dat sprake is van extreme armoede, rechteloosheid, of dat zij de eerste levensbehoeften zouden moeten ontberen. Ook is niet gebleken dat de Spaanse autoriteiten onverschillig zouden staan tegenover de situatie van statushouders, of dat – zoals eiseres stelt – hierover niet geklaagd zou kunnen worden.
Is er sprake van bijzondere kwetsbaarheid?
8. Eiseres voert aan dat zij bij terugkeer naar Spanje terecht zal komen in een situatie van diepgaande materiele deprivatie en verwijst hierbij naar het Ibrahim-arrest. Zij wijst hierbij op de obstakels met betrekking tot het vinden van huisvesting en de medische zorg die zij ook nodig zal hebben voor haar dochter bij een geslaagde nareisaanvraag. Ter zitting heeft eiseres ook aangevoerd dat zij vreest in de gedwongen prostitutie terecht te komen.
8.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van medische klachten en een individuele situatie die dusdanig zijn dat de (hoge) drempel uit het arrest Ibrahim wordt gehaald. Uit dit arrest volgt dat de bijzondere kwetsbaarheid van individuele statushouders ertoe kan leiden dat zij bij terugkeer naar de lidstaat waar zij een asielvergunning hebben gekregen, buiten hun eigen wil en keuzes om, zullen terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie. De medische situatie van statushouders kan hen bijzonder kwetsbaar maken. Hun lichamelijke of psychische problemen kunnen een negatieve invloed hebben op de mate waarin zij zich zelfstandig staande kunnen houden in de maatschappij en hun rechten kunnen effectueren. Uit het arrest Ibrahim volgt dat de situatie zeer schrijnend moet zijn, wil artikel 3 van het EVRM dan wel artikel 4 van het EU Handvest zich tegen terugsturen van statushouders verzetten. Met verwijzing naar 7.1. en 7.2.
Conclusie
10. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres terug kan keren naar Spanje. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 14 mei 2025 door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dijkstra, griffier, en openbaar gemaakt middels gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.
Zie artikel 3.106a, tweede en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, in de zaak Ibrahim, ECLI:EU:C:2019:219
Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.6817
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], mede voor haar minderjarige kind,
V-nummer: [nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. J.J. de Vries),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. I. van Es).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep tegen het besluit van de minister, van 11 februari 2025, om de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk te verklaren, omdat zij al internationale bescherming heeft in Spanje.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 9 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de minister de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk heeft mogen verklaren. Zij doet dat aan de hand van het beroepschrift van eiseres.
3. De rechtbank acht het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Relevante feiten en omstandigheden
4. Eiseres stelt de Equatoriaal-Guinese nationaliteit te hebben. Zij is samen met haar zoon vanuit Spanje naar Nederland gereisd. Eiseres heeft op 24 december 2024 in Nederland een asielaanvraag ingediend.
Het bestreden besluit
5. De minister stelt dat eiseres sinds 22 juni 2024 in Spanje internationale bescherming geniet. Dit blijkt uit het Eurodac-systeem. Omdat eiseres internationale bescherming geniet in Spanje, is er volgens de minister sprake van een zodanige band met Spanje dat het redelijk is om naar dat land te gaan. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Spanje in een situatie terecht zal komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag niet-ontvankelijk is.
Internationale bescherming en band met Spanje
6. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres internationale bescherming in Spanje geniet. Ook wordt niet betwist dat eiseres om die reden een zodanige band met Spanje heeft dat het voor haar redelijk zou zijn om daar naartoe terug te keren.
Mag de minister uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel met Spanje?
7. Eiseres voert aan dat de Spaanse autoriteiten het voor haar onmogelijk hebben gemaakt om invulling te geven aan haar status. Ten aanzien van Spanje kan niet worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiseres stelt dat zij bij terugkeer naar Spanje een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. In dit verband verwijst eiseres naar pagina 169 van de AIDA Spanje Update 2023, waarin ten aanzien van migranten sprake is van zorgelijke signalen wat betreft het verkrijgen van huisvesting. In de meest recente update van het rapport is opgenomen dat er geen hulporganisaties aanwezig zijn die kunnen helpen bij het zoeken naar geschikte huisvesting. Verder verwijst eiseres naar haar eigen slechte ervaringen in Spanje. Zo is zij bedreigd door een man. Eiseres heeft daartegen geen bescherming ontvangen van de lokale autoriteiten. Verder stelt eiseres dat de geboden financiële voorziening te laag is om zelfstandig woonruimte te vinden buiten de opvang om. De wirwar aan administratieve verplichtingen en het gebrek aan hulp daarbij, maakt dat het voor eiseres onmogelijk is geworden om in Spanje een bestaan op te bouwen. Eiseres voert verder aan dat zij vreest dat haar dochter, die een ernstige vorm van autistisme heeft en nog in Guinee woont, bij eventuele nareis onvoldoende (medische) zorg aangeboden zal krijgen in Spanje.
7.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Spanje het risico loopt op een schending van artikel 3 van het EVRM dan wel artikel 4 van het Handvest. De minister mag er in beginsel van uitgaan dat de behandeling van een vreemdeling in de lidstaat waar hij of zij internationale bescherming geniet, in overeenstemming is met de bepalingen van het Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Dit uitgangspunt wordt ook wel het interstatelijk vertrouwensbeginsel genoemd. Het is aan de vreemdeling om dat vermoeden te weerleggen.
7.2.
De persoonlijke ervaringen van eiseres maken niet dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Uit de verklaringen van eiseres blijkt immers – zoals de minister terecht stelt – dat zij, en ook haar minderjarige zoon, in Spanje de beschikking hadden over woonruimte en leefgeld en toegang hadden tot (noodzakelijke) medische zorg. Niet is gebleken dat de autoriteiten zich tegenover eiseres niet aan hun internationale verplichtingen hebben gehouden. De omstandigheid dat het niet is gelukt om een eigen woning te verkrijgen doet niet af aan het feit dat eiseres onderdak heeft gekregen. Ook de omstandigheid dat eiseres niet kon sparen voor een eigen woning betekent niet dat zij onvoldoende financiële ondersteuning heeft gekregen van de Spaanse autoriteiten. Ten aanzien van eiseres’ angst dat haar autistische dochter onvoldoende zorg zal krijgen na overkomst naar Spanje overweegt de rechtbank het volgende. Nog los van het feit dat de dochter van eiseres nog niet bij eiseres in Spanje heeft verbleven, mag ervan worden uitgegaan dat de noodzakelijke medische zorg na een eventuele nareis ook voor haar beschikbaar is.
7.3.
De minister heeft terecht overwogen dat het aan eiseres is om haar rechten als statushouder te effectueren. Als eiseres van mening is dat haar ten onrechte toereikende huisvesting, financiële steun, en medische zorg werd onthouden, mag eiseres worden verwacht dat zij zich tot de Spaanse autoriteiten wendt. Voor wat betreft de uitkomst van de afhandeling van de aangiftes van eiseres heeft zij daarvan geen beklag gedaan. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de (hogere) Spaanse autoriteiten haar als statushouder niet willen of kunnen helpen dan wel dat hulp vragen bij voorbaat kansloos is.
7.4.
De rechtbank onderkent dat uit de door eiseres aangehaalde AIDA-rapporten blijkt dat statushouders – ondanks het feit dat zij dezelfde rechten hebben als Spaanse onderdanen – in de praktijk obstakels ondervinden bij de toegang tot betaalbare huisvesting en het vinden van werk. Uit de rapporten blijkt echter ook dat er NGO’s zijn die statushouders bijstaan. In ieder geval blijkt uit deze rapporten niet dat de situatie in Spanje voor statushouders dusdanig slecht is, dat sprake is van extreme armoede, rechteloosheid, of dat zij de eerste levensbehoeften zouden moeten ontberen. Ook is niet gebleken dat de Spaanse autoriteiten onverschillig zouden staan tegenover de situatie van statushouders, of dat – zoals eiseres stelt – hierover niet geklaagd zou kunnen worden.
Is er sprake van bijzondere kwetsbaarheid?
8. Eiseres voert aan dat zij bij terugkeer naar Spanje terecht zal komen in een situatie van diepgaande materiele deprivatie en verwijst hierbij naar het Ibrahim-arrest. Zij wijst hierbij op de obstakels met betrekking tot het vinden van huisvesting en de medische zorg die zij ook nodig zal hebben voor haar dochter bij een geslaagde nareisaanvraag. Ter zitting heeft eiseres ook aangevoerd dat zij vreest in de gedwongen prostitutie terecht te komen.
8.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van medische klachten en een individuele situatie die dusdanig zijn dat de (hoge) drempel uit het arrest Ibrahim wordt gehaald. Uit dit arrest volgt dat de bijzondere kwetsbaarheid van individuele statushouders ertoe kan leiden dat zij bij terugkeer naar de lidstaat waar zij een asielvergunning hebben gekregen, buiten hun eigen wil en keuzes om, zullen terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie. De medische situatie van statushouders kan hen bijzonder kwetsbaar maken. Hun lichamelijke of psychische problemen kunnen een negatieve invloed hebben op de mate waarin zij zich zelfstandig staande kunnen houden in de maatschappij en hun rechten kunnen effectueren. Uit het arrest Ibrahim volgt dat de situatie zeer schrijnend moet zijn, wil artikel 3 van het EVRM dan wel artikel 4 van het EU Handvest zich tegen terugsturen van statushouders verzetten. Met verwijzing naar 7.1. en 7.2.
Conclusie
10. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres terug kan keren naar Spanje. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 14 mei 2025 door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dijkstra, griffier, en openbaar gemaakt middels gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.
Zie artikel 3.106a, tweede en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, in de zaak Ibrahim, ECLI:EU:C:2019:219
Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind.