Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-14
ECLI:NL:RBDHA:2025:8459
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,084 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.8685
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A.M. Veld),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Hij heeft op 28 januari 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 19 februari 2025 deze aanvraag in de procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft partijen in eerste instantie uitgenodigd voor een zitting op 10 april 2025. De minister heeft na het versturen van de uitnodigingen voor deze zitting laten weten dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken.
1.2.
Naar aanleiding van de reactie van de gemachtigde van eiser op dat bericht van de minister heeft de rechtbank partijen laten weten dat zij een zitting niet langer nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om het laten doorgaan van de zitting hebben verzocht, heeft de rechtbank partijen laten weten dat de zitting niet doorgaat en het onderzoek gesloten.
Beoordeling
2. Als een vreemdeling in Nederland een asielaanvraag heeft gedaan en vervolgens met onbekende bestemming vertrekt, dan kan dat betekenen dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. De rechtbank kan het beroep dan niet-ontvankelijk verklaren, omdat de vreemdeling in dat geval geen procesbelang (meer) heeft. De rechtbank moet daar wel voorzichtig mee omgaan. Als de gemachtigde van de betrokken vreemdeling nog contact onderhoudt met de vreemdeling over het verloop van de procedure, dan mag er in beginsel van uit worden gegaan dat de vreemdeling nog wel procesbelang heeft. Dat is alleen anders als er concrete aanknopingspunten bestaan waaruit kan worden afgeleid dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland en ook op een andere manier geen actueel of reëel belang meer heeft.
3. De minister heeft de rechtbank op 14 maart 2025 laten weten dat eiser met onbekende bestemming uit de opvang is vertrokken. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser verzocht om te laten weten of hij nog contact met eiser heeft. De gemachtigde van eiser heeft op 17 maart 2025 laten weten dat zij geen contact (meer) heeft met eiser. De rechtbank neemt daarom aan dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen belang meer bij een beoordeling van zijn beroep.
Conclusie
4. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep van eiser niet inhoudelijk beoordeelt. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.N. El-Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.
ABRvS 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662, rechtsoverweging 2.2-2.7.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.8685
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A.M. Veld),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Hij heeft op 28 januari 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 19 februari 2025 deze aanvraag in de procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft partijen in eerste instantie uitgenodigd voor een zitting op 10 april 2025. De minister heeft na het versturen van de uitnodigingen voor deze zitting laten weten dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken.
1.2.
Naar aanleiding van de reactie van de gemachtigde van eiser op dat bericht van de minister heeft de rechtbank partijen laten weten dat zij een zitting niet langer nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om het laten doorgaan van de zitting hebben verzocht, heeft de rechtbank partijen laten weten dat de zitting niet doorgaat en het onderzoek gesloten.
Beoordeling
2. Als een vreemdeling in Nederland een asielaanvraag heeft gedaan en vervolgens met onbekende bestemming vertrekt, dan kan dat betekenen dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. De rechtbank kan het beroep dan niet-ontvankelijk verklaren, omdat de vreemdeling in dat geval geen procesbelang (meer) heeft. De rechtbank moet daar wel voorzichtig mee omgaan. Als de gemachtigde van de betrokken vreemdeling nog contact onderhoudt met de vreemdeling over het verloop van de procedure, dan mag er in beginsel van uit worden gegaan dat de vreemdeling nog wel procesbelang heeft. Dat is alleen anders als er concrete aanknopingspunten bestaan waaruit kan worden afgeleid dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland en ook op een andere manier geen actueel of reëel belang meer heeft.
3. De minister heeft de rechtbank op 14 maart 2025 laten weten dat eiser met onbekende bestemming uit de opvang is vertrokken. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser verzocht om te laten weten of hij nog contact met eiser heeft. De gemachtigde van eiser heeft op 17 maart 2025 laten weten dat zij geen contact (meer) heeft met eiser. De rechtbank neemt daarom aan dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen belang meer bij een beoordeling van zijn beroep.
Conclusie
4. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep van eiser niet inhoudelijk beoordeelt. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.N. El-Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.
ABRvS 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662, rechtsoverweging 2.2-2.7.