Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-16
ECLI:NL:RBDHA:2025:8278
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,579 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.33178 (beroep) en NL23.33263 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , geboren op [geboortedatum] 1983, eiser,V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind),
en
de minister van Asiel en Migratie
, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. C.D.G. van IJzendoorn)
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank en de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit. Ook beoordeelt de rechtbank eisers verzoek om een voorlopige voorziening.
1.2.
Met het besluit van 20 januari 2020 werd vastgesteld dat eiser in Nederland geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. Met het besluit van 29 september 2020 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser is vervolgens op 23 januari 2021 uitgezet.
1.3.
Op 23 november 2021 is eiser weer in Nederland aangetroffen. Met het primaire besluit van 8 februari 2023 werd voor de tweede keer vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en aanvullende stukken overgelegd. De minister heeft eiser naar aanleiding van de aanvullende stukken op 15 augustus 2023 een herstel verzuim brief gestuurd met aanvullende vragen. De minister heeft hierop geen reactie ontvangen van eiser.
1.4.
Met het bestreden besluit van 20 september 2023 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser moet Nederland binnen één maand verlaten.
1.5.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit. Ook heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, die ertoe strekt dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 5 december 2024 op zitting behandeld. Partijen zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen en hebben toestemming gegeven de zaak op de stukken af te doen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling
2.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
3.
3.1.
Voordat de rechtbank de zaak inhoudelijk beoordeelt, moet eerst de ontvankelijkheid van het beroep beoordeeld worden.
3.2.
Iemand die beroep instelt, moet in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden. Dat houdt in: aangeven op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met het bestreden besluit. Wanneer dit niet wordt gedaan, kan de rechtbank na een herstelmogelijkheid het beroep op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaren.
Heeft eiser de gronden tijdig ingediend?
4.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat er in deze zaak geen beroepsgronden zijn ingediend. Het beroepsschrift van 18 oktober 2023 bevat geen beroepsgronden. De rechtbank heeft eiser in haar bericht van 19 oktober 2023 meegedeeld dat het beroep niet voldoet aan een of meer vereisten. De rechtbank heeft eiser tot 16 november 2023 de gelegenheid gegeven om aan te geven tegen welk besluit wordt opgekomen en om de gronden van het beroep in te dienen. De rechtbank heeft geen reactie van eiser vernomen. Eiser heeft geen reden gegeven voor dit verzuim.
4.2.
Op 25 november 2024 heeft de rechtbank aan partijen gevraagd wat de stand van zaken is in deze zaak. Op 29 november 2024 heeft de gemachtigde van eiser verzocht de behandeling van het beroep op de stukken af te doen en laten weten dat hij niet gemachtigd is het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in te trekken. Met de minister is de rechtbank dan ook van oordeel dat het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Conclusie
5.
5.1.
Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
5.2.
Omdat op het beroep is beslist zal het verzoek om een voorlopige voorziening worden afgewezen.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van
mr. G. dos Santos ‘t Hoen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Dit staat in artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht.