Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-16
ECLI:NL:RBDHA:2025:8276
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,277 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.32909
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. J. Ruijs),
en
de Minister van Asiel en Migratie
, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. A.E. Geçer).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid’.
1.2.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 30 juni 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 oktober 2023 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiser komt niet in aanmerking voor de vrijstelling van het middelenvereiste en er bestaat geen aanleiding om wegens bijzondere omstandigheden af te wijken van de beleidsregels.
1.3.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 5 december 2024 op zitting behandeld. Partijen zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen en hebben toestemming gegeven de zaak op de stukken af te doen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling
2.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
3.
3.1.
Voordat de rechtbank de zaak inhoudelijk beoordeelt, moet eerst de ontvankelijkheid van het beroep beoordeeld worden.
3.2.
Iemand die beroep instelt, moet in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden. Dat houdt in: aangeven op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met het bestreden besluit. Wanneer dit niet wordt gedaan, kan de rechtbank na een herstelmogelijkheid het beroep op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaren.
Heeft eiser de gronden tijdig ingediend?
4.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat er in deze zaak geen beroepsgronden zijn ingediend. Het beroepsschrift van 17 oktober 2023 bevat geen beroepsgronden. De rechtbank heeft eiser in haar bericht van 17 oktober 2023 meegedeeld dat het beroep niet voldoet aan een of meer vereisten. De rechtbank heeft eiser tot 14 november 2023 de gelegenheid gegeven om aan te geven tegen welk besluit wordt opgekomen en om de gronden van het beroep in te dienen. De rechtbank heeft geen reactie van eiser vernomen. Eiser heeft geen reden gegeven voor dit verzuim.
4.2.
Op 25 november 2024 heeft de rechtbank aan partijen gevraagd wat de stand van zaken is in deze zaak. Op 28 november 2024 heeft de gemachtigde van eiser laten weten dat de zitting geen doorgang hoeft te vinden en dat het beroep afgedaan kan worden op de stand van zaken zoals deze is. Met de minister is de rechtbank dan ook van oordeel dat het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Conclusie
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van
mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Dit staat in artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht.