Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-29
ECLI:NL:RBDHA:2025:7950
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,671 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.17154
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.H. van Wingerden),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.A. Weststrate).
Procesverloop
Bij besluit van 12 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M.B. Stammis-Grzegorczyk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom niet is volstaan met een lichter middel?
1. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel kon worden volstaan. Daartoe voert eiser aan dat hij over voldoende financiële middelen (€ 200,-) beschikt om Nederland zelfstandig te verlaten en terug te keren naar Polen. Daarnaast voert eiser aan dat hij al zijn spullen heeft moeten achterlaten en geen contact meer heeft met zijn partner, voor wie hij zorgde. Het feit dat eiser op dit moment onrechtmatig in Nederland verblijft, ontslaat verweerder niet van de verplichting om te overwegen een lichter middel dan de inbewaringstelling toe te passen.
2. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. Hierbij wordt in eerste instantie verwezen naar de (niet-betwiste) gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn stelling dat verweerder een lichter middel had moeten opleggen, omdat eiser over voldoende financiële middelen beschikt om zelfstandig terug te keren naar Polen. Uit de niet-bestreden lichte grond 4d volgt namelijk dat eiser niet over voldoende middelen van bestaan beschikt en daar een onttrekkingsrisico uit volgt. Ook heeft eiser niet willen verklaren waar het geld is. Dat eiser al zijn spullen heeft moeten achterlaten, geen contact meer heeft met zijn partner en niet langer voor haar kan zorgen, maakt naar het oordeel van de rechtbank ook niet dat verweerder met een lichter middel had moeten volstaan. Verweerder heeft op zitting verklaard dat eisers partner ook geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en zich momenteel in het Justitieel Complex Zeist bevindt, waar medische zorg voor haar aanwezig is mocht zij dit nodig hebben. In zoverre is dus voldoende rekening gehouden met de zorgtaak - hoewel deze niet blijkt uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling en verder ook niet is onderbouwd - die eiser voor zijn partner heeft. Daarnaast zijn er voor eiser ook binnen vreemdelingendetentie mogelijkheden om contact met zijn partner te onderhouden. De beroepsgrond slaagt niet.
Werkt verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting?
3. Eiser betoogt daarnaast dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Daartoe voert eiser aan dat verweerder pas op 17 april 2025 de procedure met betrekking tot het terug- en overnameverzoek heeft opgestart, pas op 22 april 2025 het terug- en overnameverzoek bij de Poolse autoriteiten heeft ingediend en tot op heden geen vlucht naar Polen heeft aangevraagd. Aangezien eiser eerder is uitgezet en zijn gegevens bij verweerder bekend zijn, begrijpt hij niet waarom de procedure zo lang duurt. Tot slot voert eiser aan dat onduidelijk is of er een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden, aangezien er geen verslag daarvan in het rechtbankdossier is opgenomen.
4. In het algemeen geldt dat een eerste uitzettingshandeling op dag zes van de inbewaringstelling voldoende voortvarend is. Dat eiser eerder is uitgezet en dat zijn gegevens bij verweerder bekend zijn - hoewel uit het dossier blijkt dat eiser niet in het bezit is van een identiteitsdocument - vormen naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheden om hiervan af te wijken. Uit het stuk ‘Brief rechtbank’ van 22 april 2025 blijkt dat verweerder op 15 april 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd, waarvan ook een verslag in het dossier is opgenomen. Dit is de vierde dag van de inbewaringstelling en dus voldoende voortvarend. Uit het stuk van 22 april 2025 blijkt verder dat verweerder op 17 april 2025 het terug- en overnameverzoek heeft opgestart en dit op 22 april 2025 heeft ingediend bij de Poolse autoriteiten. Verweerder heeft op zitting toegelicht dat hij verwacht dat de Poolse autoriteiten het terug- en overnameverzoek binnen enkele dagen zullen goedkeuren, waarna hij een vlucht voor eiser kan aanvragen. Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder - anders dan eiser betoogt - voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat niet is voldaan aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ABRvS 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:989.
Voor de gemachtigde zichtbaar als stuk 29 in het dossier.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.