Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-07
ECLI:NL:RBDHA:2025:7912
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,263 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20452
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. H.J. Toonders).
Procesverloop
Bij besluit van 29 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2025 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [datum] 1982 en heeft de Poolse nationaliteit.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank is van oordeel dat zware 3c feitelijk juist is. Uit de beschikking van 3 februari 2025, die op 23 maart 2025 aan eiser is uitgereikt, volgt dat eiser op grond van het Unierecht geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland en dat hij het grondgebied binnen een maand moet verlaten. Niet in geschil is dat eiser vervolgens niet binnen een maand Nederland heeft verlaten. De rechtbank is verder van oordeel dat de lichte gronden 4c en 4d feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden kunnen deze de maatregel van bewaring dragen.
Lichter middel
4. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser heeft kenbaar gemaakt dat hij pogingen had willen ondernemen om zelfstandig te vertrekken. Daarnaast zou eiser liever in Nederland blijven om werk te zoeken, hij heeft hiertoe ook pogingen gedaan. Als eiser na 22 april 2025 werk zou hebben gevonden, dan zou hij wel rechtmatig in Nederland kunnen verblijven.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd voldoende zijn om een risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Eiser heeft niets ondernomen om zijn terugkeer naar Polen mogelijk te maken, terwijl hij daar wel de gelegenheid toe heeft gehad. Niet is gebleken dat eiser daadwerkelijk pogingen heeft ondernomen om werk te zoeken. Verder is niet gebleken dat de inbewaringstelling voor eiser onredelijk bezwarend is dan wel dat eiser detentieongeschikt is vanwege medische problemen. De beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet.
Ambtshalve toetsing
6. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 7 mei 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb).
Artikel 5.1, vierde lid, van het Vb.