Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-06
ECLI:NL:RBDHA:2025:79
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,327 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.51999
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
v-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).
Procesverloop
Bij besluit van 20 december 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 3 januari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Turkse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 2003.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
4. Eiser heeft de zware gronden 3a en 3k niet betwist. Deze gronden zijn feitelijk juist en voorzien van een voldoende toelichting. Ook de lichte gronden 4c en 4d zijn niet betwist, feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Eiser staat niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen in Nederland noch beschikt hij over voldoende middelen van bestaan. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen. De overige gronden hoeven daarom geen bespreking.
Voortvarend handelen
5. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de overdracht aan Duitsland. Eiser is op 20 december 2024 in bewaring gesteld en de overdracht staat gepland voor 7 januari 2025. Volgens eiser had de overdracht veel eerder kunnen plaatsvinden, nu het gaat om een overdracht aan Duitsland en hij al eerder, namelijk op 18 december 2024, overgedragen zou worden aan de Duitse autoriteiten. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat de overdracht voldoende voortvarend is opgepakt. De Duitse autoriteiten hebben te kennen gegeven dat in de periode van 23 december 2024 tot en met 6 januari 2025 geen overdrachten kunnen plaatsvinden. 7 Januari 2025 is daarmee de eerste mogelijkheid om eiser over te dragen aan Duitsland, zoals ook gepland staat. De Duitse autoriteiten hebben met deze overdracht ingestemd.
6. In wat verweerder heeft aangevoerd, ziet de rechtbank aanleiding voor het oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de verwijdering van eiser uit Nederland. Eiser heeft ook geen concrete aanknopingspunten aangedragen dat hij eerder aan Duitsland kan worden overgedragen. Deze beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet.
Ambtshalve toets
7. De rechtbank ziet ook verder ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 6 januari 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Verordening (EU) nr. 604/2013.