Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-05
ECLI:NL:RBDHA:2025:7889
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,657 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.43739
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag. Zij heeft op 5 september 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 1 november 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2025, gelijktijdig met het beroep van haar zus (zaak nr. 24.43740), op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, W. Fadel als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2. Eiseres heeft de Jemenitische nationaliteit en is geboren op [datum] 2001. Eiseres heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij uit Jemen is vertrokken vanwege de verslechterde veiligheid en omdat eiseres een andere leefstijl heeft dan in de Jemenitische maatschappij gebruikelijk is. Haar moeder was een mensenrechtactivist en is vermoord. Ook de tante van eiseres is een mensenrechtactivist en zij verblijft nu in Amerika. De tante van eiseres heeft een artikel geschreven over de Houthi’s en krijgt veel bedreigingen. Eiseres vreest bij terugkeer voor de Houthi’s omdat zij familie is van haar tante en een vrije leefstijl heeft. Ook wil zij haar vrije leefstijl niet opgeven. Zij wijst daarbij op de slechte positie van vrouwen in Jemen en op de omstandigheid dat zij lange tijd buiten Jemen heeft verbleven.
3. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
discriminatie vanwege leefstijl;
negatieve belangstelling Houthi’s vanwege de activiteiten van haar moeder en tante.
Verweerder heeft de eerste twee relevante elementen geloofwaardig geacht. De negatieve belangstelling van Houthi’s vanwege de activiteiten van haar moeder en tante heeft verweerder niet geloofwaardig gevonden. De verklaringen van eiseres vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel omdat de verklaringen over haar problemen gebaseerd zijn op vermoedens. Op grond van de geloofwaardige elementen kan eiseres volgens verweerder niet als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag worden aangemerkt. Ook zijn deze elementen onvoldoende zwaarwegend om aan te nemen dat eiseres een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres daarom afgewezen als ongegrond.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Ex-nunc toets beleidswijziging
4. Eiseres voert aan dat zij is benadeeld omdat niet tijdig op haar asielaanvraag van 5 september 2022 is beslist. Met ingang van 24 april 2024 is het landenbeleid ten aanzien van Jemen gewijzigd. Als verweerder tijdig had beslist dan had zij een asielvergunning gekregen. Eiseres stelt dat haar aanvraag getoetst had moeten worden aan het landenbeleid van vóór 24 april 2024. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst zij op het arrest A. en S. tegen Nederland van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 april 2018.
4.1.
De rechtbank overweegt dat als algemeen uitgangspunt geldt dat bij het nemen van een besluit het recht wordt toegepast zoals dat op dat moment geldt. Dit geldt ook voor beleidsregels. Alleen in het geval van bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van nieuw recht in een ongunstiger positie komt, is daarvoor onvoldoende. De omstandigheid dat eiseres geen verblijfsvergunning heeft verkregen in tegenstelling tot anderen waarbij eerder op de aanvraag is beslist en die wel in aanmerking zijn gekomen voor een verblijfsgunning is zuur, maar kan dus niet aangemerkt worden als een bijzondere omstandigheid. Ook het feit dat de minister niet tijdig op de aanvraag heeft beslist leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een bijzondere omstandigheid. Er zijn immers meer vreemdelingen waarvoor geldt dat de beslistermijn (ruimschoots) is overschreden en waarvan de behandeling van de aanvraag (te) lang is blijven liggen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister in het geval van eiseres haar aanvraag heeft mogen beoordelen volgens het ten tijde van de besluitvorming geldende landenbeleid voor Jemen. Dat sprake is van strijd met het vertrouwens- of gelijkheidsbeginsel omdat reeds verleende verblijfsvergunningen niet worden ingetrokken volgt de rechtbank evenmin. Ook een beroep op het arrest A. en S. slaagt niet. Kort gezegd blijkt uit dit arrest dat indien een onderdaan van een derde land of staatloze die op het tijdstip van zijn aankomst op het grondgebied van een lidstaat en de indiening van zijn asielverzoek in die staat jonger dan 18 jaar oud was, maar die gedurende de asielprocedure meerderjarig wordt en vervolgens wordt erkend als vluchteling, moet worden gekwalificeerd als “minderjarige” in de zin van die bepaling. In zoverre is sprake van een toetsing naar het moment van de aanvraag (ex tunc). De rechtbank ziet in hetgeen eiseres hierover naar voren heeft gebracht geen reden om deze lijn door te trekken naar asielzaken. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank, anders dan eiseres, geen aanleiding om hierover prejudiciële vragen te stellen.
Geloofwaardigheid
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ongeloofwaardig heeft kunnen vinden dat eiseres vanwege de activiteiten van haar moeder en tante in de negatieve belangstelling staat bij de Houthi’s. Hierbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiseres geen persoonlijke problemen heeft ondervonden van de zijde van de Houthi’s en dat haar verklaringen gebaseerd zijn op vermoedens. Weliswaar zijn er op sociale media bedreigingen van recentere data, maar het is niet duidelijk van wie deze bedreigingen afkomstig zijn. Hiermee is dan ook niet gebleken dat eiseres in de negatieve belangstelling staat bij de Houthi’s vanwege het artikel dat haar tante heeft geschreven, dan wel vanwege andere activiteiten van haar tante of moeder.
Reëel risico op ernstige schade
6. De rechtbank heeft zich bij uitspraak van 28 november 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:19864) uitgelaten over de vraag of verweerder voldoende en op de juiste wijze rekening heeft gehouden met het actuele geweldsniveau en de humanitaire situatie in Jemen. Nu de overwegingen van die uitspraak, in onderhavige zaak van overeenkomstige toepassing zijn, volstaat de rechtbank met een verwijzing naar die uitspraak.
6.1.
Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd. Het beroep is reeds hierom gegrond. Verweerder zal in een nieuw besluit ook (opnieuw) moeten beoordelen en motiveren of eiseres door de humanitaire omstandigheden in Jemen een reëel risico loopt op een behandeling of situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM als zij terugkeert. De rechtbank geeft gelet op het voorgaande nog geen oordeel over de vraag of verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiseres geen verhoogd risico loopt op ernstige schade door willekeurig geweld vanwege de door haar gestelde persoonlijke en individuele omstandigheden. Verweerder zal in het nieuw te nemen besluit de persoonlijke kenmerken en individuele omstandigheden die door eiseres naar voren zijn gebracht moeten beoordelen in het licht van de veiligheidssituatie in het gebied waar zij vandaan komt. Daarbij is in ieder geval relevant dat eiseres een vrouw is die overtuigd is van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen en die enkele jaren buiten Jemen heeft verbleven.
Conclusie
7. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat dit in strijd is met de motiveringsplicht. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal een nieuw besluit op de aanvraag moeten nemen en daarbij rekening moeten houden met deze uitspraak.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
ECLI:EU:C:2018:248.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927, r.o. 6.4.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:7889 text/xml public 2026-01-29T10:15:56 2025-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-02-05 NL24.43739 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2025:3653, Bekrachtiging/bevestiging Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:7889 text/html public 2025-06-06T08:41:24 2025-06-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:7889 Rechtbank Den Haag , 05-02-2025 / NL24.43739 asiel - gegrond RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL24.43739 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. P.M.W. Jans). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag. Zij heeft op 5 september 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 1 november 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. 1.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2025, gelijktijdig met het beroep van haar zus (zaak nr. 24.43740), op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, W. Fadel als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat de zaak over? 2. Eiseres heeft de Jemenitische nationaliteit en is geboren op [datum] 2001. Eiseres heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij uit Jemen is vertrokken vanwege de verslechterde veiligheid en omdat eiseres een andere leefstijl heeft dan in de Jemenitische maatschappij gebruikelijk is. Haar moeder was een mensenrechtactivist en is vermoord. Ook de tante van eiseres is een mensenrechtactivist en zij verblijft nu in Amerika. De tante van eiseres heeft een artikel geschreven over de Houthi’s en krijgt veel bedreigingen. Eiseres vreest bij terugkeer voor de Houthi’s omdat zij familie is van haar tante en een vrije leefstijl heeft. Ook wil zij haar vrije leefstijl niet opgeven. Zij wijst daarbij op de slechte positie van vrouwen in Jemen en op de omstandigheid dat zij lange tijd buiten Jemen heeft verbleven. 3. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen: identiteit, nationaliteit en herkomst; discriminatie vanwege leefstijl; negatieve belangstelling Houthi’s vanwege de activiteiten van haar moeder en tante. Verweerder heeft de eerste twee relevante elementen geloofwaardig geacht. De negatieve belangstelling van Houthi’s vanwege de activiteiten van haar moeder en tante heeft verweerder niet geloofwaardig gevonden. De verklaringen van eiseres vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel omdat de verklaringen over haar problemen gebaseerd zijn op vermoedens. Op grond van de geloofwaardige elementen kan eiseres volgens verweerder niet als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag worden aangemerkt. Ook zijn deze elementen onvoldoende zwaarwegend om aan te nemen dat eiseres een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM . Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres daarom afgewezen als ongegrond. Wat is het oordeel van de rechtbank? Ex-nunc toets beleidswijziging 4. Eiseres voert aan dat zij is benadeeld omdat niet tijdig op haar asielaanvraag van 5 september 2022 is beslist. Met ingang van 24 april 2024 is het landenbeleid ten aanzien van Jemen gewijzigd. Als verweerder tijdig had beslist dan had zij een asielvergunning gekregen. Eiseres stelt dat haar aanvraag getoetst had moeten worden aan het landenbeleid van vóór 24 april 2024. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst zij op het arrest A. en S. tegen Nederland van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 april 2018. 4.1. De rechtbank overweegt dat als algemeen uitgangspunt geldt dat bij het nemen van een besluit het recht wordt toegepast zoals dat op dat moment geldt. Dit geldt ook voor beleidsregels. Alleen in het geval van bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van nieuw recht in een ongunstiger positie komt, is daarvoor onvoldoende. De omstandigheid dat eiseres geen verblijfsvergunning heeft verkregen in tegenstelling tot anderen waarbij eerder op de aanvraag is beslist en die wel in aanmerking zijn gekomen voor een verblijfsgunning is zuur, maar kan dus niet aangemerkt worden als een bijzondere omstandigheid. Ook het feit dat de minister niet tijdig op de aanvraag heeft beslist leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een bijzondere omstandigheid. Er zijn immers meer vreemdelingen waarvoor geldt dat de beslistermijn (ruimschoots) is overschreden en waarvan de behandeling van de aanvraag (te) lang is blijven liggen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister in het geval van eiseres haar aanvraag heeft mogen beoordelen volgens het ten tijde van de besluitvorming geldende landenbeleid voor Jemen. Dat sprake is van strijd met het vertrouwens- of gelijkheidsbeginsel omdat reeds verleende verblijfsvergunningen niet worden ingetrokken volgt de rechtbank evenmin. Ook een beroep op het arrest A. en S. slaagt niet. Kort gezegd blijkt uit dit arrest dat indien een onderdaan van een derde land of staatloze die op het tijdstip van zijn aankomst op het grondgebied van een lidstaat en de indiening van zijn asielverzoek in die staat jonger dan 18 jaar oud was, maar die gedurende de asielprocedure meerderjarig wordt en vervolgens wordt erkend als vluchteling, moet worden gekwalificeerd als “minderjarige” in de zin van die bepaling. In zoverre is sprake van een toetsing naar het moment van de aanvraag (ex tunc). De rechtbank ziet in hetgeen eiseres hierover naar voren heeft gebracht geen reden om deze lijn door te trekken naar asielzaken. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank, anders dan eiseres, geen aanleiding om hierover prejudiciële vragen te stellen. Geloofwaardigheid 5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ongeloofwaardig heeft kunnen vinden dat eiseres vanwege de activiteiten van haar moeder en tante in de negatieve belangstelling staat bij de Houthi’s. Hierbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiseres geen persoonlijke problemen heeft ondervonden van de zijde van de Houthi’s en dat haar verklaringen gebaseerd zijn op vermoedens. Weliswaar zijn er op sociale media bedreigingen van recentere data, maar het is niet duidelijk van wie deze bedreigingen afkomstig zijn. Hiermee is dan ook niet gebleken dat eiseres in de negatieve belangstelling staat bij de Houthi’s vanwege het artikel dat haar tante heeft geschreven, dan wel vanwege andere activiteiten van haar tante of moeder. Reëel risico op ernstige schade 6. De rechtbank heeft zich bij uitspraak van 28 november 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:19864) uitgelaten over de vraag of verweerder voldoende en op de juiste wijze rekening heeft gehouden met het actuele geweldsniveau en de humanitaire situatie in Jemen. Nu de overwegingen van die uitspraak, in onderhavige zaak van overeenkomstige toepassing zijn, volstaat de rechtbank met een verwijzing naar die uitspraak. 6.1. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd. Het beroep is reeds hierom gegrond. Verweerder zal in een nieuw besluit ook (opnieuw) moeten beoordelen en motiveren of eiseres door de humanitaire omstandigheden in Jemen een reëel risico loopt op een behandeling of situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM als zij terugkeert. De rechtbank geeft gelet op het voorgaande nog geen oordeel over de vraag of verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiseres geen verhoogd risico loopt op ernstige schade door willekeurig geweld vanwege de door haar gestelde persoonlijke en individuele omstandigheden.