Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:7787
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,316 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/2053
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit België, eiser
(gemachtigde: mr. B. Damen),
en
de commandant van de Koninklijke Militaire School Luchtmacht, verweerder
(gemachtigde: mr. E. Damstra).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de door verweerder vastgestelde beoordeling die is opgemaakt over het beoordelingstijdvak van 4 januari 2021 tot 1 juli 2022.
1.1.
Met het primaire besluit van 30 januari 2023 heeft verweerder deze beoordeling vastgesteld. Met het bestreden besluit van 6 februari 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de beoordeling gehandhaafd.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder, vergezeld door [naam 1] .
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser, met als laatste rang kapitein, is met ingang van 3 november 2008 aangesteld bij het beroepspersoneel van de krijgsmacht en ingedeeld bij de Koninklijke Luchtmacht (CLSK). Hij was met ingang van 21 april 2019 geplaatst op de functie van Vliegerinstructeur ENJJPT op vliegbasis Sheppard AFB in Texas in de Verenigde Staten van Amerika. Op 29 juli 2020 heeft tussen eiser en lkol [naam 2] , toenmalig Nederlandse Senior Representative (SNR) en tevens leidinggevende van eiser, een functioneringsgesprek plaatsgevonden. Ook op 7 juni 2021 heeft eiser een functioneringsgesprek gehad, ditmaal met ing. majoor [naam 3] , de opvolger van [naam 2] .
2.1.
Op 17 februari 2022 heeft de Amerikaanse commandant van het 469th Fighter Training Squadron op Sheppard (de squadroncommandant) een Commander-Directed Downgrade and Disqualification (Q3) aan eiser afgegeven vanwege een geconstateerde trend van incidenten in zijn tijd bij ENJJPT als vliegerinstructeur. Hierdoor was eiser niet langer bevoegd om binnen ENJJPT uitvoering te geven aan zijn werkzaamheden als vliegerinstructeur. Als gevolg hiervan is hij met het besluit van 17 juni 2022 met ingang van 1 augustus 2022 uit zijn functie van Vliegerinstructeur ENJJPT ontheven. Met het besluit van 4 juli 2022 is aan eiser met ingang van 1 september 2022 een nieuwe functie toegewezen als Officer toegevoegd operaties Electronic Warfare Fixed Wing op het Nationaal Air & Space Operations Center in Breda.
2.2.
Op 21 november 2022 heeft de opvolger van [naam 3] , lkol [naam 4] , de beoordeling over de periode van 4 januari 2021 tot 1 juli 2022 opgemaakt. De reden hiervoor is dat van belang werd geacht om de persoonlijkheid en het gedrag van eiser als officier en als collega binnen het Nederlandse Opleidingsdetachement (NOD) vast te stellen. Nadat eiser zijn bedenkingen over deze beoordeling kenbaar had gemaakt, heeft de tweede beoordelaar, commandant kolonel [naam 5] , de beoordeling op 30 januari 2023 vastgesteld. Het totaaloordeel over eiser luidt: ‘onvoldoende’. De competenties ‘kwaliteit van het geleverde werk’, ‘gedrag’, ‘samenwerken’, ‘verantwoordelijkheidsbesef’, ‘communiceren’, ‘integer’, ‘leervermogen’, ‘mensgericht’, ‘organisatiegericht’ en ‘stressbestendig’ zijn beoordeeld als ‘in onvoldoende mate aanwezig’. De competenties ‘inzet’ en ‘initiatief’ zijn beoordeeld als ‘in voldoende mate aanwezig’.
2.3.
Ten tijde van de behandeling van het beroep op de zitting is naar voren gekomen dat een door Defensie ingestelde commissie inmiddels heeft geoordeeld dat eiser geen vliegende functie meer mag bekleden. Dit oordeel is mede gebaseerd op de door verweerder vastgestelde beoordeling die in deze procedure aan de orde is.
2.4.
Deze zaak gaat over de vraag of verweerder de beoordeling die is opgemaakt over het beoordelingstijdvak 4 januari 2021 tot 1 juli 2022 op goede gronden heeft vastgesteld.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met de vastgestelde beoordeling. Zijn beroep richt zich zowel tegen de totstandkoming als de inhoud van deze beoordeling.
3.1.
Ten aanzien van de totstandkoming van de beoordeling voert eiser aan dat deze niet is opgemaakt volgens de vereisten van artikel 28b van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR). Hij stelt daartoe allereerst dat het functioneringsgesprek van 7 juni 2021, het enige functioneringsgesprek dat binnen het beoordelingstijdvak heeft plaatsgevonden, niet formeel is vastgesteld. Dit functioneringsgesprek had daarom niet mogen worden meegenomen in de vastgestelde beoordeling. Dit heeft weer tot gevolg dat de beoordeling niet had mogen worden vastgesteld. Verder stelt eiser dat tussen hem en eerste beoordelaar [naam 4] sprake is van een dusdanige animositeit dat de door hem opgestelde beoordeling niet als objectief kan worden aangemerkt. Bovendien blijkt nergens uit dat tweede beoordelaar [naam 5] kritisch naar de door [naam 4] opgestelde beoordeling heeft gekeken. Tegen die achtergrond – en gelet op de complexiteit van deze zaak – had het voor de hand gelegen om bij de begeleiding van het beoordelingsproces een personeelsbeoordelingsadviseur te betrekken.
3.2.
Ten aanzien van de inhoud van de beoordeling komt het er in de kern op neer dat eiser nagenoeg alle elementen die ten grondslag zijn gelegd aan de competenties die als ‘in onvoldoende aanwezig’ zijn beoordeeld betwist of hiervan een andere interpretatie heeft. Bovendien ontbeert de beoordeling een deugdelijke motivering. Deze is namelijk in overwegende mate gebaseerd op informatie die afkomstig is uit onder geheimhouding verstrekte documenten. Omdat deze niet aan eiser zijn verstrekt, is het onmogelijk om de juistheid hiervan te controleren en zich hiertegen adequaat te verdedigen. Daarbij zijn meerdere elementen aan de beoordeling ten grondslag gelegd die buiten het beoordelingstijdvak vallen. Dit roept de vraag op of de elementen die overblijven het negatieve eindoordeel van de beoordeling nog wel kunnen dragen. Voorts stelt eiser dat hij op sommige in de beoordeling vermelde tekortkomingen niet eerder is aangesproken. De negatieve beoordeling kwam daardoor op die onderdelen voor hem als een verrassing. Dit maakt ook dat hij op die aspecten niet de kans heeft gehad om verbetering aan te brengen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de beoordeling, zowel in procedureel als in inhoudelijk opzicht, niet zorgvuldig heeft vastgesteld. Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Verweerder zal een nieuw besluit op het bezwaar van eiser moeten nemen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Totstandkoming van de beoordeling
5. Artikel 28, eerste lid, van het AMAR bepaalt dat aan de wijze waarop de militair functioneert, ten minste eenmaal per jaar aandacht wordt besteed in een functioneringsgesprek. Artikel 28b, tweede lid, van het AMAR bepaalt dat een beoordeling over het functioneren van de militair wordt opgemaakt indien de militair of zijn commandant dit wenselijk vindt. Artikel 28b, vijfde lid, van het AMAR bepaalt dat het beoordelingstijdvak, waarin ten minste één functioneringsgesprek heeft plaatsgevonden, ten minste zes maanden en maximaal twee jaren bedraagt. Ingevolge artikel 28b, zesde lid, van het AMAR wordt de beoordeling opgemaakt door de eerste beoordelaar. Artikel 28b, zevende lid, van het AMAR bepaalt dat de beoordeling wordt besproken met de militair. De militair ontvangt een afschrift van de beoordeling waarna hij twee weken de tijd heeft om bedenkingen kenbaar te maken bij de tweede beoordelaar. Ingevolge artikel 28b, achtste lid, van het AMAR neemt de tweede beoordelaar de beoordeling en de eventueel daartegen ingediende bedenkingen in beschouwing en stelt de beoordeling vast.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat de beoordeling van eiser volgens de in artikel 28b van het AMAR voorgeschreven stappen is verlopen. Het beoordelingstijdvak omvat 18 maanden en is daarmee langer dan de minimaal vereiste zes maanden en korter dan de maximale vereiste twee jaar. Daarbij heeft binnen het beoordelingstijdvak, namelijk op 7 juni 2021, een functioneringsgesprek plaatsgevonden. Hoewel het verslag hiervan niet formeel is vastgesteld, maakt dit niet dat aan dit gesprek het karakter van een functioneringsgesprek kan worden ontnomen. De rechtbank acht daarvoor van belang dat de drie verschillende versies die van het verslag van dit functioneringsgesprek in omloop zijn op inhoudelijk vlak in grote lijnen gelijkluidend zijn. In alle drie de verslagen worden namelijk de drie competenties genoemd waarop eiser zich volgens zijn toenmalig leidinggevende [naam 3] moest verbeteren.
Beoordeling
Inhoud van de beoordeling
6. Het is vaste rechtspraak dat de toetsing van de inhoud van een beoordeling is beperkt tot de vraag of die beoordeling op voldoende gronden berust. Bij negatieve oordelen moet het bestuursorgaan dit met concrete feiten onderbouwen. Niet doorslaggevend is of elk feit dat het bestuursorgaan ter onderbouwing aanvoert, boven elke twijfel is verheven en of sommige feiten niet (geheel) juist zijn vastgesteld of geïnterpreteerd. Bepalend is of de gegeven waardering, gelet op het totale beeld van het in beschouwing genomen gezichtspunt, de terughoudende rechtelijke toetsing kan doorstaan.
6.1.
Verder volgt uit vaste rechtspraak dat de strekking van de bepaling dat in een beoordelingstijdvak ten minste één functioneringsgesprek heeft plaatsgevonden, is dat de militair tijdens de beoordelingsperiode niet in het ongewisse wordt gelaten omtrent zijn functioneren. Aan het functioneren dient concreet aandacht te worden besteed teneinde hem zo nodig te bewegen daarin verbeteringen aan te brengen.
6.2.
De rechtbank stelt voorop dat uit het verslag van het functioneringsgesprek dat heeft plaatsgevonden op 29 juli 2020 blijkt dat eiser in het functioneringstijdvak van 1 april 2020 tot 29 juli 2020 goed functioneerde. Zo stelde zijn toenmalig leidinggevende [naam 2] hierin onder meer dat eiser in ruime mate over de benodigde kennis beschikte voor het vervullen van de functie en hij de integriteit en samenwerking met collega’s en studenten uitstekend wist te combineren. Ook staat beschreven dat eiser zijn drukke gezinsleven goed wist te combineren met de hoge werkdruk binnen het ENJJPT en zich tijdens COVID in voldoende mate voor de organisatie inzette. Aan het einde van het verslag staat opgenomen dat [naam 2] zich in overleg met het squadron zal inspannen om voor eiser een leidinggevende functie binnen het ENJJPT te realiseren.
Het volgende functioneringsgesprek heeft plaatsgevonden op 7 juni 2021 en heeft betrekking op het functioneringstijdvak van 1 september 2020 tot 7 juni 2021. Dit is het enige functioneringsgesprek dat valt binnen het beoordelingstijdvak van de vastgestelde beoordeling.
6.3.
Uit het verslag van dit functioneringsgesprek blijkt dat in het functioneringstijdvak een aantal strubbelingen hebben plaatsgevonden in het squadron en tussen eiser en zijn toenmalig leidinggevende [naam 3] , op grond waarvan laatstgenoemde een drietal verbeterpunten voor eiser heeft geïdentificeerd. Die zagen op de onderdelen communicatie, integriteit en omgevingsbewustzijn. Ten aanzien van het onderdeel communicatie stelde [naam 3] dat eiser door zijn emotionele manier van communiceren regelmatig zijn leidinggevenden tegen de haren instreek, niet goed in staat was om de antwoorden in schriftelijke communicatie tot zich te nemen en daarbij erg veel aandacht besteedde aan de details waardoor hij het grotere plaatje uit het zicht verloor. Volgens [naam 3] moest eiser proberen om meer tijd te nemen om communicatie tot zich te nemen en zakelijker te schrijven met het oog op het grotere verhaal. Ten aanzien van het onderdeel integriteit gaf [naam 3] eiser mee dat hij meer aandacht moest besteden aan het op correcte wijze indienen van declaraties. In het functioneringstijdvak heeft hij namelijk te veel foutieve declaraties ingediend, hetgeen de leidinggevenden veel extra tijd en frustratie opleverde. Ten aanzien van het onderdeel omgevingsbewustzijn haalde [naam 3] de keuze van eiser aan om tijdens COVID-19 zijn stiefzoon uit België op bezoek te laten komen, waardoor hij enige tijd in quarantaine moest blijven. Dit heeft een aanzienlijke invloed gehad op het ‘flight schedule’ omdat hij gedurende zijn quarantaine niet kon worden ingeroosterd. Dit heeft de nodige frustratie opgeleverd binnen het squadron. [naam 3] gaf eiser mee om het in de toekomst eerder aan te geven als problemen ontstaan.
6.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat tijdens beide functioneringsgesprekken de kwaliteit van het door eiser afgeleverde werk niet aan de orde is gesteld. De rechtbank stelt evenwel vast dat de beoordeling van deze competentie voor een aanzienlijk gedeelte het uiteindelijke eindoordeel ‘onvoldoende’ van de vastgestelde beoordeling bepaalt. Verweerder heeft aan het oordeel ‘in onvoldoende mate aanwezig’ voor deze competentie meerdere incidenten ten grondslag gelegd waarmee eiser de vliegveiligheid in gevaar zou hebben gebracht en die na het plaatsvinden van het functioneringsgesprek van 7 juni 2021 en voor het einde van het beoordelingstijdvak zouden hebben plaatsgevonden. Ook zou hij in deze periode diverse malen een aantal dagen aan de grond zijn gehouden omdat op het gebied van zijn General Knowlegde tekortkomingen waren gesignaleerd. Totdat zijn prestaties opnieuw waren geëvalueerd mocht hij dan slechts onder begeleiding van een instructeur vliegen. Al deze incidenten hebben er uiteindelijk toe geleid dat de squadroncommandant aan eiser op 17 februari 2022 de Q3 heeft opgelegd, waardoor hij niet langer meer bevoegd was om binnen het ENJJPT uitvoering te geven aan zijn werkzaamheden als vliegerinstructeur. In de bij de stukken gevoegde brief gedateerd op 17 juni 2022 inzake het voornemen tot ontheffing van eiser uit de functie van Vliegerinstructeur heeft verweerder toegelicht dat dit besluit van de squadroncommandant is gebaseerd op regelgeving uit de Verenigde Staten en dat Nederland geen bevoegdheid heeft om de rechtmatigheid hiervan te beoordelen. De oplegging van de Q3 is daarmee een gegeven. Evenwel is er een commissie ingesteld die onderzoek heeft gedaan naar de vraag of de oplegging van de Q3 volgens de juiste procedures is verlopen. Hieruit is gebleken dat de procedures ten aanzien van periodieke evaluaties, de vastlegging van de resultaten, de terugkoppeling hiervan aan eiser en het uiteindelijk afgeven van de Q3 zijn verlopen conform de vereiste procedures en dat het afgeven van de Q3 voldoende is onderbouwd aan de hand van een serie van incidenten.
6.5.
Met eiser stelt de rechtbank vast dat de informatie over de door verweerder hiervoor vermelde incidenten in overwegende mate is vastgelegd in documenten die in strikte geheimhouding aan verweerder zijn verstrekt. Verweerder heeft toegelicht dat verstrekking hiervan buiten de Defensie-organisatie de internationale belangen tussen Nederland en de Verenigde Staten kan schaden. Ook de rechtbank heeft van deze documenten daarom geen kennis kunnen nemen. Wel bevindt zich in de stukken een mail van 7 juli 2021 waaruit blijkt dat de squadroncommandant eiser heeft opgedragen om op 8 en 9 juli 2021 op de grond te blijven, een safety-presentatie voor te bereiden voor de volgende instructeursvergadering en een tour in de Runway Supervisory Unit (RSU) te observeren vanwege een incident dat diezelfde dag heeft plaatsgevonden waarmee hij de vliegveiligheid in gevaar heeft gebracht. Nog daargelaten de vraag of de rechtbank van de juistheid mag uitgaan van de informatie over de incidenten die alleen aan verweerder onder geheimhouding is verstrekt en, zo ja, of dit tezamen met de hiervoor genoemde mail van 7 juli 2021 voldoende is om het oordeel ‘in onvoldoende mate’ voor de competentie ‘kwaliteit van het door betrokkene afgeleverde werk’ te kunnen rechtvaardigen, overweegt de rechtbank dat uit de stukken niet is gebleken dat in de tussentijd gesprekken hebben plaatsgevonden waarin eiser op deze tekortkomingen is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld om hierin verbeteringen aan te brengen. In de vastgestelde beoordeling wordt hierover weliswaar opgemerkt dat [naam 4] eiser in de zomer van 2021 heeft aangesproken op zijn manier van communiceren en daarbij ook zijn wisselende prestaties aan de orde kwamen, echter is hiervan geen gespreksverslag opgemaakt. Ditzelfde geldt voor de in de beoordeling ingenomen stelling dat eiser tijdens de debrief van de voorgevallen incidenten vaak niet in staat was de situatie volledig te reconstrueren en de ‘root cause’ van het incident te identificeren.
Conclusie
8. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. Verweerder zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
8.1.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder de proceskosten van eiser vergoeden. Deze worden overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.814,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Tot slot moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 184,- vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 187,- te vergoeden;
- gelast dat verweerder de proceskosten vergoedt tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) van 6 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2314.
Vergelijk de uitspraken van de Raad van 25 oktober 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB7406 en van 13 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY6058.
Beoordeling
Het ontbreken hiervan klemt te meer nu over de kwaliteit van het door eiser afgeleverde werk blijkens de twee voorgaande functioneringsgesprekken kennelijk nog geen zorgen waren. Het feit dat eiser zelf uitdrukkelijk betwist in de tussentijd te zijn aangesproken op zijn tekortkomingen op dit onderdeel en in de gelegenheid te zijn gesteld om hierop verbetering aan te brengen, maakt dat de rechtbank niet zonder meer van de juistheid hiervan uit kan gaan.
6.6.
Een ander verwijt dat in de beoordeling veelvuldig aan eiser wordt gemaakt, is dat hij onvoldoende in staat zou zijn om op zijn eigen handelen te reflecteren. Dit komt met name tot uiting onder de competenties ‘verantwoordelijkheidsbesef’ en ‘leervermogen’, die beide als ‘in onvoldoende mate aanwezig’ zijn beoordeeld. Ook hiervan is de rechtbank echter van oordeel dat verweerder deze negatieve oordelen met onvoldoende concrete voorbeelden heeft onderbouwd. Zo staat onder de competentie ‘leervermogen’ vermeld dat [naam 4] gepoogd heeft om eiser te coachen op het gebied van communicatie, aangezien hij meerdere voorbeelden had gesignaleerd van communiceren vanuit het eigen ‘ik’. Eiser zou daarop zijn aangesproken, waarna is afgesproken dat hij hieraan zou werken. Hiervan is in de stukken echter geen gespreksverslag te vinden. Ditzelfde geldt voor het feit dat onder de competentie ‘verantwoordelijkheidsbesef’ wordt gesteld dat eiser onvoldoende verantwoordelijkheid zou hebben genomen en steeds op externe factoren zou hebben gewezen toen de squadroncommandant een aantal safety-incidenten zou hebben aangegrepen om eiser even aan de grond te houden, hem bij te scholen of te laten reflecteren op de ernst van de feiten. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit ten aanzien van de competenties ‘verantwoordelijkheidsbesef’ en ‘leervermogen’ het bestaan van een memo van 7 april 2022 van de squadroncommandant aan de orde gesteld, waarin een zestal voorbeelden van incidenten zouden worden genoemd die aantonen dat eiser over onvoldoende verantwoordelijkheidsbesef en leervermogen beschikt. Ook deze memo is echter onder geheimhouding aan verweerder verstrekt waardoor de rechtbank de juistheid hiervan niet kan controleren.
6.7.
Verder heeft eiser terecht gesteld dat meerdere elementen aan de beoordeling ten grondslag zijn gelegd die buiten de beoordelingsperiode vallen. Dit geldt in ieder geval ten aanzien van de onder de competentie ‘gedrag’ genoemde keuze van eiser om tijdens COVID-19 zijn stiefzoon uit België op bezoek te laten komen, waardoor hij enige tijd in quarantaine moest blijven. Ook van het willens en wetens indienen door eiser van meerdere onjuiste declaraties, waar de negatieve beoordeling van de competentie ‘integer’ volledig op is gebaseerd, is onvoldoende duidelijk wanneer dit dan precies zou zijn gebeurd. Weliswaar bevindt zich in de stukken een mailwisseling van 27 september 2023 waarin door [naam 3] wordt gesteld dat eiser in januari 2021 twee keer ten onrechte een declaratie heeft ingediend, echter ontbreken hiervan onderliggende stukken. Ook als dit wel vast zou komen te staan, kan niet zonder meer worden aangenomen dat eiser in de gelegenheid is gesteld om zich op dit onderdeel te verbeteren. Hierbij is van belang dat de rechtbank niet is gebleken van foutieve ingediende declaraties ná 7 juni 2021, de datum waarop het laatste functioneringsgesprek met eiser is geweest en waarbij het indienen van foutieve declaraties blijkens het verslag hiervan aan de orde is geweest. Ook op de zitting heeft verweerder hierover geen duidelijkheid kunnen geven.
6.8.
De rechtbank overweegt dat alleen al gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de beoordeling inhoudelijk op onvoldoende gronden berust en daarmee de terughoudende rechterlijke toetsing niet kan doorstaan. Hoewel de rechtbank op basis van de stukken niet kan uitsluiten dat bepaalde incidenten en gedragingen hebben plaatsgevonden die een beoordeling met als eindoordeel ‘onvoldoende’ hadden kunnen rechtvaardigen, is het aan verweerder om de verslaglegging hieromtrent zorgvuldig vast te leggen zodat kan worden nagegaan of eiser hierop daadwerkelijk is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld om hierop verbetering aan te brengen. Dit is temeer van belang nu in deze zaak sprake is van een complexe verhouding tussen de opgelegde Q3-maatregel die is afgegeven door het Amerikaanse gezag, waarvan de onderliggende details geheim zijn, maar die wel doorwerkt in de relatie tussen eiser en verweerder en de vastgestelde beoordeling.
Nagekomen stukken
7. De rechtbank heeft verweerder ter zitting verzocht om ter completering van het dossier een eerder opgestelde nota over het feitenonderzoek naar aanleiding van de Q3 in te sturen. Verweerder heeft hieraan voldaan en eiser heeft naar aanleiding hiervan een reactie naar de rechtbank gestuurd. De rechtbank is na kennisneming van deze stukken tot het oordeel gekomen dat zij gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, deze stukken niet inhoudelijk hoeft te betrekken bij deze uitspraak en heeft daarom een heropening van het onderzoek achterwege gelaten.