Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:7785
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,544 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/7189
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de staatssecretaris van Defensie, verweerder
(gemachtigde: H.J.A. Aerts).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om herziening van de beslissing waarbij verweerder onder meer heeft besloten hem geen militair invaliditeitspensioen toe te kennen.
1.1.
Verweerder heeft dit besluit op 1 februari 2024 genomen. Met het bestreden besluit van 17 juni 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser, met als laatste rang korporaal, is tussen 8 augustus 1994 en 1 mei 2001 in militaire dienst geweest. Hij is van december 1997 tot en met mei 1998 uitgezonden geweest naar het voormalige Joegoslavië. In de periode na deze uitzending heeft eiser relatieproblemen gekregen met zijn toenmalige vriendin en is hij veel alcohol en drugs gaan gebruiken. Na een poging tot suïcide is hij vier weken opgenomen geweest in een psychiatrische inrichting. Naar aanleiding hiervan heeft verzekeringsgeneeskundige [naam 1] op 20 juni 2000 een onderzoek bij eiser verricht. Tijdens dit onderzoek werd bij eiser een ‘psychotische stoornis NAO’ vastgesteld en is hij ongeschikt voor de militaire dienst verklaard. Tevens is vastgesteld dat de aandoening van eiser geen verband houdt met de uitoefening van de militaire dienst. Deze bevindingen zijn opgetekend in het verzekeringsgeneeskundige rapport van 20 oktober 2000. Met het besluit van 4 juli 2001 heeft verweerder de bevindingen uit het onderzoek overgenomen en eiser gelet op zijn dienstongeschiktheid met ingang van 1 mei 2001 uit de militaire dienst ontslagen. Eiser heeft een arbeidsongeschiktheidspensioen toegekend gekregen op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15%.
2.1.
Eiser heeft op 24 april 2023 een aanvraag ingediend voor een hoger militair invaliditeitspensioen. In de bij de aanvraag gevoegde begeleidende brief heeft hij aangegeven dat Defensie tekort is geschoten in de hulpverlening en nazorg in de nasleep van zijn uitzending naar het voormalige Joegoslavië. Hierdoor is hij gedurende langere tijd met onderliggende klachten blijven rondlopen. Deze klachten zijn destijds ten onrechte aan andere factoren toegeschreven. Eiser beoogt met zijn verzoek eerherstel te verkrijgen.
Wat heeft verweerder besloten?
3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser aangemerkt als een verzoek om herziening van de beslissing van 4 juli 2001 voor zover daarin is besloten dat er geen verband wordt aanvaard tussen de bij hem geconstateerde aandoening en de uitoefening van de militaire dienst. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen omdat door eiser geen nieuwe of veranderde omstandigheden naar voren zijn gebracht dan die welke bij de beoordeling van de aanspraken op een militair invaliditeitspensioen al een rol hebben gespeeld.
4. Naar aanleiding van de aanvraag van eiser heeft verzekeringsarts [naam 2] op 30 november 2023 een nieuw geneeskundig onderzoek bij eiser verricht waarvan de bevindingen zijn opgetekend in het rapport van 25 januari 2024. Hieruit kan worden opgemaakt dat er ten opzichte van het eerder in 2000 uitgevoerde onderzoek geen nieuwe medische feiten, gegevens of omstandigheden zijn die aanleiding geven om het destijds uitgebrachte advies, namelijk dat geen sprake is van dienstverband, te herzien. Het drugsgebruik en het ontstaan van psychische klachten in 1999 kunnen namelijk niet eenduidig worden toegeschreven aan wat eiser in de militaire dienst en op uitzending heeft gezien en ervaren. Daarbij is er op dit moment geen sprake van een evidente psychiatrische aandoening in strikte zin. Verweerder heeft vervolgens bezwaarverzekeringsarts [naam 3] gevraagd om op dit nieuwe verzekeringsgeneeskundige rapport te reageren. Hoevers heeft bij brief van 27 april 2024 in reactie hierop laten weten de conclusies van verzekeringsarts [naam 2] te kunnen volgen. Onder verwijzing hiernaar is verweerder met het bestreden besluit bij de afwijzing van het verzoek van eiser gebleven.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn verzoek. Hij blijft bij zijn betoog dat Defensie tekort is geschoten in de hulpverlening en nazorg in de nasleep van zijn uitzending naar het voormalige Joegoslavië. De als gevolg hiervan ontstane PTSS-klachten hebben tot schade bij hem geleid. Hij benadrukt dat erkenning hiervan door Defensie een positief effect zal hebben op zijn herstel. Op de zitting heeft eiser naar voren gebracht dat hij op dit moment voor zijn klachten in behandeling is bij het Psychotraumacentrum in Den Bosch en daarmee ook bezig is om meer medische informatie te verzamelen ter onderbouwing van het bestaan van een dienstverband ten aanzien van de bij hem geconstateerde stoornis.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank stelt vast dat eiser heeft verzocht om terug te komen van een onherroepelijk geworden besluit, namelijk de beslissing van 4 juli 2001 waarin onder meer is besloten dat de aandoening van eiser geen verband houdt met de uitoefening van de militaire dienst. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste ambtenarenrechter is op zo’n verzoek artikel 4:6 van de Awb van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen. Wanneer de aanvrager dat niet doet, kan een bestuursorgaan het verzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overlegd.
7. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat in dit geval geen nieuwe feiten en veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, als hiervoor bedoeld. Zulks wordt ook onderstreept door zowel de bevindingen van verzekeringsarts die zijn vermeld in het rapport van 25 januari 2024, als door het commentaar hierop door bezwaarverzekeringsarts Hoevers van 27 april 2024. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen reden om te veronderstellen dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest of dat de bevindingen en conclusies niet navolgbaar zijn. Hoewel eiser heeft aangegeven momenteel in behandeling te zijn bij het Psychotraumacentrum in Den Bosch, is het de rechtbank niet gebleken dat inmiddels nieuwe medische informatie beschikbaar is die een ander licht werpt op de vraag of ten aanzien van de bij hem geconstateerde stoornis een dienstverband kan worden aangenomen. Het betoog van eiser dat Defensie tekort is geschoten in zijn zorgplicht, biedt evenmin nieuwe inzichten.
7.1.
De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit evident onredelijk is. Verweerder kon dan ook in redelijkheid gebruik maken van zijn bevoegdheid om het verzoek om herziening af te wijzen. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de zoektocht van eiser naar de oorsprong van zijn klachten en naar eerherstel voor zover mogelijk, kan dit, zonder nadere onderbouwing van zijn vermoedens hierover, niet tot een ander oordeel leiden.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het verzoek om herziening mocht afwijzen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Met toepassing van artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) van 13 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2045.
Zie de uitspraak van de Raad van 8 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2716 en van 31 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1778.