Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-17
ECLI:NL:RBDHA:2025:7774
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,697 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/4055
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: C. Pol),
en
De Kroon, vertegenwoordigd door de staatssecretaris van Defensie, verweerder
(gemachtigde: mr. S.C.M. Nieuweboer-Wegman).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder om hem te ontslaan wegens wangedrag.
1.1.
Verweerder heeft eiser met het besluit van 14 juli 2022 per diezelfde datum geschorst in het belang van de dienst. Met de brief van 23 september 2022 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij zal worden voorgedragen voor ontslag. Met de brief van 18 november 2022 heeft verweerder eiser bericht dat hem per 1 december 2022 ontslag zal worden verleend. Eiser heeft op 29 december 2022 bezwaar gemaakt tegen deze brief. Bij Koninklijk Besluit (KB) van 16 januari 2023 (het primaire besluit) is eiser met ingang van 1 december 2022 ontslag verleend wegens wangedrag. Met het bestreden besluit van 4 april 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 6 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en namens verweerder zijn gemachtigde vergezeld door majoor mr. S. Hahn.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser, met laatstelijk als rang kapitein, was sinds 15 augustus 2007 aangesteld als militair ambtenaar bij het beroepspersoneel van de krijgsmacht en ingedeeld bij het Commando Luchtstrijdkrachten (CLSK). Sinds 2 maart 2021 was hij werkzaam als Fighter Allocator bij het Air Operations Control Station te Nieuw-Milligen (AOCS). De commandant van eiser heeft via een melding vernomen dat eiser zich op 8 juni 2022 voorafgaand, tijdens en direct na afloop van een korpsdiner op verschillende momenten intimiderend en grensoverschrijdend tegenover meerdere vrouwelijke collega’s, namelijk vaandrig [naam 1] , eerste luitenant [naam 2] , sergeant [naam 3] en tweede luitenant [naam 4] , zou hebben gedragen. Vervolgens heeft op 14 juli 2022 een hoorzitting plaatsgevonden waarbij eiser door zijn commandant in de gelegenheid is gesteld om zijn visie te geven over wat er die avond is gebeurd. Diezelfde dag nog heeft de commandant eiser per brief geïnformeerd dat hij op basis van de beschikbare informatie tot de conclusie was gekomen dat het verblijf van eiser binnen het CLSK op dat moment onverantwoord was en hem daarom per direct geschorst in het belang van de dienst. In de periode daarna hebben de collega’s waartegen eiser zich schuldig zou hebben gemaakt aan intimiderend en grensoverschrijdend gedrag en personen die hiervan getuige zouden zijn geweest een verklaring afgelegd over het gedrag van eiser op de avond van het korpsdiner. Op grond van deze informatie heeft de commandant van eiser geconcludeerd dat eiser intimiderende en grensoverschrijdende gedragingen richting meerdere collega’s heeft verricht en hem daarom voorgedragen voor ontslag. Verweerder heeft dit advies opgevolgd en besloten om eiser per 1 december 2022 te ontslaan wegens wangedrag.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. De rechtbank gaat hierna puntsgewijs in op wat hij heeft aangevoerd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Volgens de wet kan aan een militair ontslag worden verleend wegens wangedrag in de dienst, dan wel buiten de dienst, voor zover dat gedrag schadelijk is of kan zijn voor zijn dienstvervulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van het ambt.
5. In het ambtenarentuchtrecht gelden niet de zeer strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn. Wel is noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokkene de hem verweten gedragingen heeft begaan. Bovendien dient het wangedrag aan hem toe te rekenen te zijn en dient de opgelegde straf evenredig te zijn aan de ernst van het gestelde wangedrag.
6. Het integriteitsbeleid van Defensie is vastgelegd in de Aanwijzing SG A/984 (de Aanwijzing). Hierin staat vermeld dat Defensie verantwoordelijk is voor het creëren en borgen van een sociaal veilige werkomgeving voor haar medewerkers. De omgangsvormen bij Defensie zijn gericht op het voorkomen van ongewenst gedrag, misbruik van bevoegdheden en belangenverstrengeling. Dit houdt onder meer in dat medewerkers respectvol met elkaar omgaan en streven naar het voorkómen van psychosociale belasting en elkaars waardigheid intact laten. Verder zijn in gevallen waarin gesproken kan worden van een afhankelijke en/of hiërarchische relatie dan wel een andere machtsverhouding seksuele toenaderingen en een seksuele relatie niet toegestaan in verband met belangenverstrengeling.
7. De eerste vraag die de rechtbank moet beoordelen, is of verweerder het onderzoek dat tot het ontslag van eiser heeft geleid zorgvuldig heeft uitgevoerd.
7.1.
Het betoog van eiser dat verweerder bij het onderzoek het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser meerdere malen in de gelegenheid is gesteld om zijn visie op het incident op de avond van het korpsdiner te geven en te reageren op de aan hem verweten gedragingen. Vast staat namelijk dat eiser voorafgaand aan de hoorzitting van 6 oktober 2022 naar aanleiding van de voordracht tot zijn ontslag in het bezit was van een feitenanalyse en de geanonimiseerde verklaringen van de betreffende collega’s en de getuigen. Bovendien heeft verweerder in het verweerschrift onweersproken gesteld dat eiser daarna nog in de gelegenheid is gesteld om schriftelijk op de niet-geanonimiseerde gespreksverslagen te reageren, maar dat hij hier zelf van heeft afgezien. Ook in de bezwaarfase en in deze beroepsprocedure heeft eiser de mogelijkheid gehad om zichzelf op basis van deze informatie te verdedigen. Nog daargelaten de vraag of verweerder gehouden was om informatie met betrekking tot de gedane melding al in de onderzoeksfase en daarmee voor de hoorzitting van 14 juli 2022 aan eiser te verstrekken, is het gelet daarop niet aannemelijk dat hij hierdoor in zijn belangen is geschaad. Eisers stelling dat het onderzoek te eenzijdig was en blijkens de opgestelde verklaringen slechts tot doel had om voldoende belastend bewijs ten nadele van hem te verzamelen, heeft hij onvoldoende onderbouwd. Verder is het de rechtbank ook niet gebleken dat er op sommige onderdelen te weinig is doorgevraagd door de verhoorders tijdens de verhoren van de vermeende slachtoffers en de getuigen. Dat verweerder geen groot gewicht had mogen toekennen aan de verklaringen van de betreffende collega’s en de getuige omdat deze verklaringen twee maanden na de avond van het korpsdiner bij hen zijn afgenomen, zij ook alcohol hebben genuttigd en sommigen tijdens de verhoren hebben aangegeven dat zij bepaalde feiten niet meer scherp hadden, volgt de rechtbank niet. Uit het dossier blijkt immers niet dat verweerder van een paar vage verklaringen is uitgegaan. Verweerder heeft meerdere verklaringen over de gebeurtenissen op de avond van het korpsdiner in onderlinge samenhang betrokken. Dat er te weinig oog is geweest voor de bestaande verhoudingen tussen eiser en de betreffende collega’s, wat daar ook van zij, maakt ook niet dat verweerder de afgelegde verklaringen niet had mogen betrekken en maakt het onderzoek op zichzelf ook niet onzorgvuldig.
7.2.
Ten aanzien van het betoog van eiser dat verweerder ten onrechte en zonder hem hierover te informeren twee getuigenverklaringen buiten het dossier zou hebben gehouden, overweegt de rechtbank het volgende. Verweerder heeft hierover in het bestreden besluit gesteld dat deze twee getuigenverklaringen niet ten grondslag zijn gelegd aan het bestreden besluit omdat door deze getuigen uitdrukkelijk is verzocht om hen buiten de procedure te houden. Eiser heeft evenwel betoogd dat in ieder geval één van de twee getuigenverklaringen voor hem ontlastende informatie bevat en daarom de rechtbank verzocht om verweerder op te dragen deze alsnog in de procedure te brengen. Op de zitting heeft verweerder – in afwijking van wat staat vermeld in het bestreden besluit – gesteld dat de getuigenverklaring van [naam 5] buiten de procedure is gehouden omdat deze niet was ondertekend. Verweerder heeft evenwel aangegeven bereid te zijn om de getuigenverklaringen van zowel [naam 6] als [naam 5] alsnog in de procedure te brengen. De rechtbank heeft deze verklaringen vervolgens aan het dossier toegevoegd. Net als eiser ziet de rechtbank gelet op het voorgaande niet in waarom deze getuigenverklaringen niet in een eerder stadium in de procedure konden worden gebracht. Daarmee kleeft aan het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek. Omdat eiser op de zitting voldoende in de gelegenheid is gesteld om op deze getuigenverklaringen te reageren, is de rechtbank van oordeel dat dit gebrek evenwel met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kan worden gepasseerd.
8.
Conclusie
17. Het beroep is gegrond, voor zover het ziet op de ingangsdatum van het ontslag van eiser. De rechtbank zal het bestreden besluit in zoverre vernietigen en met inachtneming van artikel 8:72a van de Awb zelf in de zaak voorzien, met herroeping van het besluit van 18 november 2022 in zoverre. De ontslagdatum zal de rechtbank bepalen op 1 februari 2023. De rechtbank zal het beroep voor het overige ongegrond verklaren.
17.1.
Omdat het beroep deels gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Deze proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond voor zover dit ziet op de ontslagdatum van 1 december 2022;
- vernietigt het bestreden besluit in zoverre;
- herroept het besluit van 18 november 2022 in zoverre;
- bepaalt dat eiser per 1 februari 2023 wordt ontslagen;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-;
- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 184,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
17 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 34, tweede lid, onder c van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR).
Op grond van artikel 39, tweede lid en onder l, in samenhang met artikel 41 van het Algemeen militair ambtenarenreglement.
Op grond van artikel 39, tweede lid en onder l, in samenhang met artikel 41 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR).
Zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997.
Zie onder meer de uitspraak van de Raad van 3 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3053.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:20157.
In de zin van artikel 3:2, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Uitspraak van 3 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1911.
Beoordeling
De tweede vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of verweerder de overtuiging heeft kunnen krijgen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan grensoverschrijdend en intimiderend gedrag.
Gedrag jegens vaandrig [naam 1]
8.1.
Eiser heeft zelf verklaard dat hij voorafgaand aan het korpsdiner op zijn initiatief samen met collega [naam 1] , met wie hij die dag Vliegbasis Volkel had bezocht, in haar kamer een fles prosecco heeft gedronken en zich daar ook heeft omgekleed voor het korpsdiner. Vast staat dat toen zij de kamer verlieten om naar het korpsdiner te gaan, eiser besloot om zijn kleding op de kamer van [naam 1] achter te laten. Blijkens de verklaring van [naam 1] is zij halverwege de avond naar eiser toegelopen om hem mede te delen dat haar deur open was en hij zijn spullen dus zou kunnen ophalen. Eiser zou toen hebben gezegd dat hij er eigenlijk vanuit was gegaan dat hij bij [naam 1] op de kamer mocht slapen. [naam 1] heeft het antwoord op deze vraag toen in het midden gelaten. Volgens de verklaring van [naam 1] zijn na het korpsdiner twee collega’s naar haar toegekomen die haar vroegen of eiser iets bij haar had geprobeerd. Ook gaven zij te kennen dat eiser erom bekend stond handtastelijker te worden bij het nuttigen van veel alcohol. [naam 1] heeft zich vervolgens in paniek tot eerste luitenant [naam 7] , haar instructeur, gewend om te vragen om advies. Dit valt ook af te leiden uit een ingebracht app-bericht, waarop te zien is dat [naam 1] [naam 7] vraagt “waar hij op dat moment was” en hem te kennen gaf dat ze “een probleem had.” Op het advies van [naam 7] is [naam 1] vervolgens op eiser afgelopen, die zich op dat moment in gezelschap bevond van [naam 2] . Toen [naam 1] aan eiser mededeelde dat het beter is dat hij niet bij haar zou gaan slapen, nam eiser haar vanwege de drukte en het rumoer mee naar de hal om daar het gesprek verder te voeren. Volgens de verklaring van [naam 1] stond zij op dat moment tegen de leuning van een trap en zou eiser dicht tegen haar aan zijn gaan staan, met zijn hoofd dichtbij haar oor. Hij zou haar toen hebben gevraagd waarom hij niet meer bij haar mocht slapen. Toen [naam 1] daarop antwoordde dat ze alle twee partners hebben en het daarom niet verstandig zou zijn om bij elkaar te gaan slapen, zou eiser vervolgens op uitdagende wijze hebben gereageerd met de vraag of hij “dan een bedreiging voor haar is.” Toen [naam 1] voet bij stuk bleef houden, zou eiser boos zijn geworden. Sergeant [naam 3] heeft hierover verklaard dat zij heeft gezien dat [naam 1] “tegen de railing aanstond”, eiser “best wel over haar heen gebogen stond”, het er “best wel intimiderend uitzag” en zij daar zelf “best wel van onder de indruk van was”. Volgens de verklaring van [naam 1] heeft eiser toen samen met sergeant-majoor [naam 6] zijn spullen uit haar kamer gepakt, om ze vervolgens op de kamer van [naam 6] te leggen. Zij liepen daarbij toevallig langs [naam 1] , die op dat moment met [naam 7] aan het roken was. [naam 1] zou toen hebben gehoord dat eiser op boze toon tegen [naam 6] zei dat hij bij “die chick zou slapen” en “nu wil ze niet meer”. [naam 7] heeft hierover verklaard dat hij niet precies heeft gehoord wat eiser zei, maar dat het als denigrerend klonk tegenover [naam 1] . [naam 6] stelt in zijn verklaring dat toen hij met eiser meeging om zijn spullen op te halen in de kamer van [naam 1] “zij een indruk maakte dat ze best wel boos was op eiser en dat hij zijn spullen zo snel mogelijk moest pakken”.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder uit het voorgaande de overtuiging heeft kunnen verkrijgen dat eiser zich jegens [naam 1] schuldig heeft gemaakt aan grensoverschrijdend en intimiderend gedrag dat in strijd is met de Aanwijzing. Nog daargelaten de vraag of eiser vooraf voornemens was om bij [naam 1] op haar kamer te overnachten, vindt de rechtbank net als verweerder dat alleen al het samen op haar kamer drinken van prosecco, het bij haar op de kamer omkleden en het daar achterlaten van zijn kleding kan worden aangemerkt als grensoverschrijdend. Eiser had zich bewust moeten zijn van de hiërarchische relatie tussen beiden en daarmee elke schijn van welke vorm van toenadering dan ook moeten vermijden. Dit geldt te meer nu eiser bekend was met zijn (risico op) probleemgedrag bij alcoholgebruik. Daar komt bij dat door een getuige is waargenomen dat eiser zich later die avond intimiderend heeft opgesteld tegenover [naam 1] bij de trap. De stelling van eiser dat hij slechts zijn hoofd dichter bij het hoofd van [naam 1] heeft willen brengen en de situatie door het aanmerkelijke lengteverschil tussen beiden niet op de juiste waarde is geschat, vindt de rechtbank daarom niet aannemelijk.
Gedrag jegens eerste luitenant [naam 2]
9.1.
Vast staat dat eiser en collega [naam 2] , met wie eiser ook buiten het werk om contact had, zich na afloop van het korpsdiner begaven naar de woonkamer van het legeringsgebouw. [naam 2] heeft verklaard dat eiser toen bij haar op schoot ging zitten en dat zij aanvankelijk gezellig met elkaar hebben gepraat. Op een gegeven moment sloeg dit volgens [naam 2] om toen eiser steeds bij haar bleef terugkomen en hij met zijn handen over haar hele lichaam ging. [naam 2] zou toen hebben aangegeven dat zij “niet met hem wilde neuken”, waarna eiser met zijn hoofd dicht bij haar hoofd zou zijn gekomen en zou hebben gezegd “waarom niet dan, mijn vriendin vindt dat niet erg en het kan best.” Zij zou eiser verschillende keren hebben weggeduwd. [naam 2] heeft verklaard dat op dat moment twee collega’s, namelijk [naam 8] en [naam 5] , naast haar zaten en dit dus hebben waargenomen. [naam 8] zou [naam 2] ook hebben gevraagd of ze “hulp nodig had.” Door [naam 3] , die op dat moment ook aanwezig was, is verklaard dat ze het gedrag van eiser “best wel ver” vond gaan en het “best wel heftig” vond. Ook zag ze [naam 2] een aantal keer weglopen. [naam 2] is vervolgens naar buiten gelopen en samen met [naam 7] het legeringsgebouw ingegaan, alwaar ze haar eigen kamer is ingegaan. [naam 7] heeft hierover verklaard dat [naam 2] redelijk overstuur was en hem vertelde dat ze er klaar mee was en had gezegd dat ze dit niet meer wilde en dat eiser toch door bleef gaan. [naam 3] heeft [naam 2] later op de avond een app-bericht gestuurd waarin ze te kennen gaf dat haar iets was overkomen en vroeg of ze even langs kon komen. [naam 3] en [naam 2] hebben toen hun ervaringen van de avond met elkaar uitgewisseld, waarbij [naam 2] blijkens de verklaring van [naam 3] zou hebben aangegeven dat ze echt heel boos was omdat ze echt had gezegd tegen eiser dat ze niet meer wilde dat hij aan haar zat. Volgens [naam 3] heeft [naam 2] daarbij ook letterlijk tegen eiser gezegd “ik wil niet met je neuken”. Ook heeft [naam 2] een app-bericht naar [naam 5] gestuurd met de mededeling dat ze “veilig op haar kamer was aangekomen” en dat “eiser wel vervelend was.” Verder volgt uit ingebrachte schermafbeeldingen dat eiser [naam 2] die nacht viermaal tevergeefs heeft geprobeerd te bellen en dat hij de volgende ochtend via een app-bericht aan haar te kennen gaf “vrij bezopen” te zijn geweest en zijn excuses aanbood voor als hij “vervelend was”. Tijdens de hoorzitting van 6 oktober 2022 heeft eiser erkend dat hij [naam 2] op meerdere plekken op haar lichaam heeft aangeraakt en dat [naam 2] heeft gezegd dat zij niet met hem wilde neuken. Hij heeft ook erkend dat hij daarop heeft gereageerd dat zijn vriendin dat niet erg zou vinden, maar gesteld dat hij dit op een grappige manier bedoelde. Over het aanraken van [naam 2] over haar hele lichaam heeft eiser verklaard dat dit moet worden geïnterpreteerd als stoeien. Hij heeft gesteld nooit te hebben doorgehad dat [naam 2] zich op dat moment niet fijn voelde. Toen hij via de app van [naam 2] vernam dat hij vervelend was geweest, besefte hij naar eigen zeggen pas dat zijn gedrag als ongewenst was ervaren.
Beoordeling
Dat is volgens hem de reden dat hij later zijn excuses aan haar heeft aangeboden.
9.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder uit het voorgaande de overtuiging heeft kunnen verkrijgen dat eiser zich jegens [naam 2] schuldig heeft gemaakt aan grensoverschrijdend en intimiderend gedrag dat in strijd is met de Aanwijzing. Nog los van het feit dat door een getuige is waargenomen dat het gedrag van eiser tegenover [naam 2] te ver ging, heeft eiser zelf namelijk verklaard dat hij haar over haar hele lichaam heeft aangeraakt. Dat op zichzelf kan al als grensoverschrijdend worden gekwalificeerd, ongeacht de vriendschappelijke band die eiser en [naam 2] op dat moment zouden hebben gehad. Daarbij komt dat [naam 7] heeft verklaard dat [naam 2] overstuur was over het feit dat zij aan eiser aangaf het niet meer te willen maar dat hij toch bleef doorgaan. Dat het aanraken van [naam 2] , zoals eiser heeft gesteld, moet worden geïnterpreteerd als stoeien, volgt de rechtbank gelet op het voorgaande dan ook niet. Bovendien valt dit niet te rijmen met dat eiser [naam 2] later die nacht meerdere keren heeft geprobeerd te bellen en de volgende ochtend zijn excuses heeft aangeboden voor zijn gedrag de dag daarvoor. Dat eiser zijn excuses zou hebben aangeboden omdat hij van [naam 2] via de app had vernomen dat hij vervelend was geweest, volgt de rechtbank evenmin. Uit de schermafbeelding van het betreffende app-gesprek volgt namelijk dat juist eiser degene was die de volgende ochtend contact zocht met [naam 2] met het bericht “carlatjj goed geslapen? was vrij bezopen, sorry als ik vervelend was.”
Gedrag jegens sergeant [naam 3]
10.1.
Vanwege een sporttraining was collega [naam 3] pas rond 22:30 uur die avond op de AOCS aanwezig. Zij is toen de legeringskamer ingegaan, waar eiser zich op dat moment ook bevond. Op dat moment was collega [naam 2] net boos weggelopen naar haar kamer. [naam 3] heeft verklaard dat eiser op dat moment een gesprek met haar begon en dat hij toen aan haar vroeg of hij bij haar op de kamer mocht slapen. Eiser zou daarbij hebben aangegeven dat hij “beter slaapt bij vrouwen in bed” en dat “zijn vrouw dat goed vindt.” Toen [naam 3] te kennen gaf dit niet te willen, zou eiser er toch over door zijn gegaan en haar de vraag hebben gesteld “denk je dan dat jij je handen niet kan thuishouden en daar hoeft toch niks mis te gaan.” [naam 3] is vervolgens weggelopen naar haar eigen kamer, waar ze eiser weer tegenkwam. Eiser was op dat moment met collega [naam 9] , die hem zou hebben aangeboden om in zijn kamer op de grond te slapen. [naam 3] bood eiser toen een kussen aan, die ze vervolgens in haar eigen kamer is gaan halen. Eiser is toen met [naam 3] haar kamer ingelopen en zou haar toen hebben gevraagd “mag ik dan echt niet blijven slapen.” Toen [naam 3] daarop afwijzend reageerde en hem vervolgens naar het halletje van haar kamer begeleidde, zou eiser het kussen op de grond hebben gegooid, met zijn handen aan de zij van [naam 3] hebben gezeten en haar hebben geprobeerd te zoenen door zijn hoofd dicht bij haar hoofd te brengen. [naam 3] zou toen vriendelijk hebben gezegd dat “dit niet de bedoeling was” en “je moet gaan”, waarna eiser bleef doorgaan en ze vervolgens een hardere toon aansloeg. Uiteindelijk zou het [naam 3] zijn gelukt om eiser weg te duwen en is zij naar de kamer van collega [naam 2] gelopen, waar zij hun ervaringen met eiser met elkaar hebben uitgewisseld. Door collega [naam 2] is naderhand verklaard dat [naam 3] heeft aangegeven dat eiser haar probeerde te zoenen, hij aan haar had gezeten en bij haar wilde slapen. Uit ingebrachte screenshots van gesprekken op Facebook-chat blijkt dat eiser [naam 3] die nacht nog tweemaal tevergeefs heeft geprobeerd te bellen en dat hij die ochtend uit eigen beweging zijn excuses aanbood voor “als hij vervelend was omdat hij fucking bezopen was.” Tijdens de hoorzitting van 6 oktober 2022 heeft eiser verklaard dat het klopt dat hij die avond hoopte bij [naam 3] op de kamer te kunnen blijven slapen, maar dat hij daarbij geen andere intentie had en haar ook niet probeerde te zoenen. Hij zou haar slechts geprobeerd hebben te knuffelen, wat gelet op zijn dronken staat niet goed uit de verf kwam. Eiser kon zich niet herinneren dat [naam 3] hier iets tegen hem over zou hebben gezegd. Over het incident gaf eiser aan dat [naam 3] misschien te vriendelijk was geweest en dat dit misschien het probleem was. Eiser heeft gesteld zich wel te kunnen herinneren dat [naam 3] tegen hem heeft gezegd dat ze het niet wilde, maar hij dacht dat dit over het bed ging. Eiser verkeerde in de veronderstelling dat het contact met [naam 3] vriendelijk en gezellig was en vond het heel pijnlijk om te horen dat zij dat blijkbaar anders heeft beleefd.
10.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder uit het voorgaande de overtuiging heeft kunnen verkrijgen dat eiser zich jegens [naam 3] schuldig heeft gemaakt aan grensoverschrijdend en intimiderend gedrag dat in strijd is met de Aanwijzing. De rechtbank vindt het verhaal van [naam 3] , dat wordt ondersteund door de verklaring van [naam 2] dat [naam 3] haar later op de avond heeft verteld dat eiser haar probeerde te zoenen, hij aan haar had gezeten en bij haar wilde slapen, geloofwaardiger dan de enkele ontkenning hiervan door eiser en zijn stelling dat hij [naam 3] slechts wilde knuffelen. Ook de stelling van eiser dat hij wel hoorde dat [naam 3] niet wilde, maar dat hij dacht dat het over het bed ging, is voor de rechtbank een aanwijzing dat er iets is voorgevallen dat in ieder geval door [naam 3] als grensoverschrijdend is ervaren. Daarbij ziet rechtbank zich gesterkt in dit oordeel door het feit dat eiser [naam 3] die nacht meerdere keren tevergeefs heeft geprobeerd te bellen en de volgende ochtend uit eigen beweging zijn excuses aan haar heeft aangeboden voor als hij zich vervelend zou hebben gedragen. Een dergelijke spijtbetuiging ligt niet voor de hand als eiser in de veronderstelling verkeerde slechts met [naam 3] te hebben geknuffeld.
Gedrag jegens tweede luitenant [naam 4]
11.1.
Eiser heeft erkend dat hij tijdens het korpsdiner tussen het hoofdgerecht en het dessert door buiten met collega [naam 4] heeft gesproken over haar (geheime) relatie met kapitein [naam 10] , die eiser goed kent. De verklaringen van enerzijds eiser en anderzijds [naam 4] over de precieze inhoud van het gesprek lopen uiteen. [naam 4] verklaart hierover dat het gesprek plotsteling een andere wending kreeg toen eiser over het seksuele aspect van de relatie begon en hij hierover bleef doorvragen, ook toen zij aangaf dat ze het er niet over wilde hebben. Eiser heeft over de inhoud van het gesprek verklaard dat hij merkte dat [naam 4] überhaupt niet over haar relatie met [naam 10] wilde praten en dat hij dat niet begreep omdat hij niet de intentie had om de relatie bekend te maken. Van grensoverschrijdend gedrag was volgens eiser geen sprake.
11.2.
Met eiser is de rechtbank van oordeel dat uit het voorgaande niet kan worden afgeleid dat hij zich grensoverschrijdend tegenover [naam 4] heeft gedragen. De enkele verklaring van [naam 4] zelf is daarvoor onvoldoende. De stelling van verweerder dat het grensoverschrijdend gedrag van eiser tegenover [naam 4] in het licht van de gedragingen richting de andere vrouwen als aangenomen moet worden beschouwd, wordt door de rechtbank niet gevolgd. De gedragingen richting de andere vrouwen onderbouwen namelijk niet dat eiser zich in het concrete geval van [naam 4] ook grensoverschrijdend heeft gedragen.
12. Het onder rechtsoverwegingen 8-10.2 overwogene maakt dat verweerder in beginsel bevoegd was om eiser ontslag te verlenen vanwege wangedrag.
Beoordeling
De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de gedragingen aan eiser kunnen worden toegerekend.
12.1.
Bijzondere feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de gedragingen niet aan eiser kunnen worden toegerekend, zijn gesteld noch gebleken. Verweerder heeft terecht gesteld dat eiser door zijn eerdere behandelingen voor zijn psychische problemen bekend was met zijn overgevoeligheid voor het drinken van alcohol. Daarmee valt niet te rijmen dat hij nog voor het korpsdiner samen met collega [naam 1] een fles prosecco heeft gedronken en tijdens het korpsdiner wijn heeft genuttigd en vier shotjes heeft genomen die door de chef de canaille werden aangeboden. Verweerder heeft eiser hiertoe niet gedwongen. De rechtbank ziet ook niet in dat de door eiser ervaren groepsdruk bij het nemen van de shotjes op enigerlei wijze aan verweerder valt toe te rekenen. Zoals verweerder terecht heeft gesteld, had eiser er ook voor kunnen kiezen om zich af te melden voor het diner of van te voren aan te geven dat hij gevoelig is voor groepsdruk in combinatie met alcohol. Op de zitting heeft verweerder hierover nog toegelicht dat er ook collega’s zijn die geen alcohol nuttigen door zwangerschap of medicatie. Door te betogen dat verweerder had moeten ingrijpen, miskent eiser dat hij zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen gedrag en in het bijzonder zijn eigen gemaakte keuze om al voorafgaand aan het korpsdiner (zonder groepsdruk) meerdere glazen prosecco te drinken, met het risico dat het daarna mis zou kunnen gaan.
13. Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Zijn leidinggevende majoor [naam 11] , die heeft aangegeven dat het incident wat hem betreft was afgerond na het gesprek met de betreffende collega’s en de vertrouwenspersoon, is namelijk niet het bevoegde gezag. Verweerder heeft afdoende toegelicht dat de commandant van 711 Squadron in samenspraak met C-ACC heeft besloten onderzoek te doen omdat zij de signalen over het wangedrag van eiser niet in overeenstemming vonden met het gewenste werkklimaat binnen AOCS en dat zij die bevoegdheid ook hebben wanneer door de slachtoffers of de leidinggevende geen melding is gedaan. Het beroep van eiser in dit verband op een uitspraak van de Raad, waarin is bepaald dat een uitlating van een verzekeringsarts als een toezegging namens het bevoegde orgaan moet worden gezien, slaagt evenmin. Verweerder heeft op de zitting voldoende toegelicht dat die situatie onvergelijkbaar is met die in deze zaak, nu in het geval van Defensie sprake is van een hiërarchische organisatie met bevoegdheden op verschillende niveaus.
14. Het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel slaagt evenmin. Eiser heeft gewezen op een incident dat plaatsvond in april 2022 waarbij twee werknemers van Defensie onder invloed van alcohol een ongeval met een heftruck hebben veroorzaakt, met ernstig letsel tot gevolg. Defensie heeft deze werknemers niet ontslagen. Verweerder heeft in het verweerschrift afdoende toegelicht dat die zaak in geen enkel opzicht vergelijkbaar is met de gedragingen van eiser in deze zaak. Van ongelijke behandeling van gelijke gevallen is dan ook geen sprake.
15. De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of het ontslag evenredig is aan de ernst van het gestelde wangedrag.
15.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op de aard en de ernst van het verweten gedrag, het ontslag niet onevenredig hoeven achten ten opzichte van de voor eiser nadelige gevolgen daarvan. Eiser heeft zich op de avond van het korpsdiner schuldig gemaakt aan seksuele intimidatie en agressief gedrag tegenover drie vrouwelijke collega’s, waarbij ten aanzien van collega [naam 1] ook nog sprake was van een gezagsverhouding. Eiser heeft daarmee evident het integriteitsbeleid van Defensie dat is vastgelegd in de Aanwijzing overtreden. Daarbij heeft verweerder mogen meewegen dat het gedrag van eiser blijk geeft van een groot gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel door ondanks de wetenschap dat hij overgevoelig is voor alcohol in combinatie met groepsdruk al voor aanvang van het korpsdiner te beginnen met het drinken van alcohol. Dat eiser de dag na het korpsdiner direct spijt heeft betuigd aan de slachtoffers en zich daarna vrijwel direct heeft aangemeld voor het behandeltraject bij de MGGZ vindt de rechtbank prijzenswaardig, maar doet niet af aan de ernst van de gedragingen waaraan hij zich schuldig heeft gemaakt. De omstandigheid dat niet is gebleken dat de betreffende collega’s, laat staan al het vrouwelijke personeel bij Defensie, niet meer met hem kunnen werken – wat daar ook verder van zij – heeft verweerder evenmin zwaarder hoeven laten wegen dan het organisatiebelang van Defensie. Eiser heeft met zijn handelswijze het vertrouwen dat verweerder in hem als integere en betrouwbare militair moet kunnen stellen in ernstige mate geschaad. Met een minder vergaande maatregel dan ontslag heeft verweerder daarom niet hoeven volstaan.
16. Verweerder heeft op de zitting aangegeven dat het feit dat het KB, met daarin de verleende toestemming voor het ontslag van eiser, pas op 16 januari 2023 is genomen met zich meebrengt dat het ontslag van eiser pas per 1 februari 2023 kan ingaan. De rechtbank sluit zich daarbij aan. Dat betekent dat het beroep op dit onderdeel gegrond is.