Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-23
ECLI:NL:RBDHA:2025:763
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,241 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.34
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2024 in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. P.A.L.A van Ittersum).
Inleiding
1. De minister heeft op 18 juni 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij ook verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft de maatregel van bewaring op 14 november 2024 opgeheven.
1.3.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 17 januari 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
1.5.
Na afloop van de behandeling van de zaak op de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Dictum
2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en ook geen vergoeding van de proceskosten. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt.
Beoordeling
3. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
4. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst in de uitspraak van 17 oktober 2024. De rechtbank toetst in dit geval alleen of sinds het moment van het sluiten van het onderzoek op 11 oktober 2024 tot en met de opheffing van de maatregel op 14 november 2024 rechtmatig was.
5. De rechtbank is van oordeel dat de minister tot aan de opheffing van de maatregel voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft twee keer gerappelleerd op de laissez-passer-aanvraag, op 22 oktober 2024 en 14 november 2024. Daarnaast is op 21 oktober 2024 een vertrekgesprek gevoerd. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de minister op de zitting heeft toegelicht dat de LP-procedure in dit geval nog niet dusdanig lang loopt dat aanleiding wordt gezien om individueel te rappelleren.
5.1.
Verder is de rechtbank van oordeel dat tot aan de opheffing van de maatregel zicht op uitzetting naar Algerije bestond. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen.
5.2.
De rechtbank is tot slot van oordeel, dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Eiser heeft ook geen redenen naar voren gebracht waarin de minister aanleiding had moeten zien om aan eiser een lichter middel op te leggen.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen en bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2024 door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
NL24.38552.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 14 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2842.