Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-30
ECLI:NL:RBDHA:2025:7576
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,442 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Leiden
NAV/c
Zaak-/rolnr.: 11199968 EL 24-12
30 april 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiseres] , te dezen handelende ten behoeve van de gemeenschap, in haar hoedanigheid van wettelijk erfgenaam van [contractant] (hierna: contractant), wonende te [woonplaats] ,
eiseres in conventie in de hoofdzaak en in het incident,
verweerster in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces),
tegen
de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
gedaagde in conventie in de hoofdzaak en verwerende partij in het incident,
eiseres in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
hierna te noemen: [bedrijf 1] ,gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 28 juni 2024, tevens houdende incidentele vordering ex artikel 843a Rv;
de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van [bedrijf 1] , tevens houdende conclusie van antwoord in het incident en houdende incidentele vordering ex artikel 843a Rv;
de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie van [eiseres] , tevens houdende conclusie van antwoord in het incident;
de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie van [bedrijf 1] ;
de conclusie van dupliek in reconventie van [eiseres] ;
de in het geding gebrachte producties.
1.2.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.
Feiten
2.1.
Contractant heeft de volgende leaseovereenkomsten ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) [bedrijf 1] :
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
Looptijd
Leasesom
I.
51006039
5 mei 1998
Triple Effect
36 mnd
ƒ 102.621,60
II.
51302516
5 augustus 1999
Triple Effect
36 mnd
ƒ 51.552,11
2.2.
[bedrijf 1] heeft met betrekking tot de overeenkomsten een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald?
I.
19 juni 2001
- € 184,23
n.v.t.
II.
6 augustus 2002
- € 6.024,11
n.v.t.
2.3.
Volgens opgave van [bedrijf 1] heeft contractant op grond van de overeenkomsten in totaal een bedrag van € 12.155,74 aan maandtermijnen en een bedrag van € 6.208,34 wegens restschuld aan [bedrijf 1] betaald. Volgens die opgave heeft contractant € 413,30 aan dividenden ontvangen en € 4.052,32 aan fiscaal voordeel genoten. Op 16 april 2012 heeft [bedrijf 1] een bedrag van in totaal € 6.412.84 aan contractant uitgekeerd, volgens [bedrijf 1] tweederde van de restschuld inclusief reeds verschenen rente.
2.4.
De gemachtigde van contractant, Leaseproces, heeft bij brief van 18 oktober 2006 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomsten ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens is het recht voorbehouden ook nog andere gronden aan te voeren.
2.5.
Contractant is op [dag] 2014 overleden. Op het moment van zijn overlijden was hij gehuwd met [eiseres] .
3. De vordering en het verweer in de hoofdzaak en in de incidenten in conventie en in reconventie
3.1.
[eiseres] vordert, kort samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:in het incident:
[bedrijf 1] ex artikel 843a Rv zal veroordelen om afschriften van de aanvraagformulieren aan [eiseres] te verstrekken,
in de hoofdzaak:
voor recht zal verklaren dat [bedrijf 1] onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar is tekortgeschoten jegens contractant ,
voor recht zal verklaren dat [eiseres] (de kantonrechter begrijpt: in haar hoedanigheid van wettelijk erfgename van contractant) schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van [bedrijf 1] en dat [bedrijf 1] gehouden is die schade te vergoeden,
[bedrijf 1] zal veroordelen tot voldoening aan [eiseres] ten behoeve van de gemeenschap van de geleden schade, te weten al hetgeen contractant aan [bedrijf 1] heeft betaald onder de overeenkomsten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
[bedrijf 1] zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eiseres] , met wettelijke rente,
[bedrijf 1] zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met wettelijke rente.
3.2.
[bedrijf 1] voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij [bedrijf 1] vordert, kort samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:in het incident:
[eiseres] ex artikel 843a Rv zal veroordelen het intakeformulier waar de gemachtigde van [eiseres] de namens haar in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan ontleent, aan [bedrijf 1] te verstrekken,
in de hoofdzaak:
voor recht zal verklaren dat [bedrijf 1] met betrekking tot de tussen haar en contractant gesloten overeenkomsten met contractnummers 51006039 en 51302516 aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [eiseres] verschuldigd is,
[eiseres] zal veroordelen in de proceskosten.
3.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
Beoordeling
algemeen
4.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij [bedrijf 1] vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie contractant.
4.2.
Procesverloop
4.3.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van nietigheid of vernietigbaarheid krachtens de Wck;
[bedrijf 1] heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
contractant heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van [bedrijf 1] .
verjaring
4.4.
Voor zover [bedrijf 1] stelt dat een eventuele vordering van [eiseres] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.
tussenpersoon
4.5.
Contractant heeft de overeenkomsten met [bedrijf 1] afgesloten via de tussenpersoon [bedrijf 2] Assurantiën. Tussen partijen is niet in geschil dat deze tussenpersoon niet beschikte over een voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen [bedrijf 1] heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 Nadere regeling toezicht effectenverkeer (NR) 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar [bedrijf 1] wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. [bedrijf 1] stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom – door het aannemen van een vergunningsplicht – geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer, ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
4.6.
De stelplicht en – indien aan de orde – de bewijslast dat de tussenpersoon contractant heeft geadviseerd en dat [bedrijf 1] wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon contractant, anders dan in algemene zin, zonder vergunning een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eiseres] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van [bedrijf 1] beroept. De door [eiseres] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover [bedrijf 1] de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn. Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is, weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door contractant in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden dat zij de voor hun procespositie relevante informatie en stukken hebben verzameld en bewaard.
4.7.
[eiseres] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
Contractant had reeds een adviesrelatie lopen met [bedrijf 2] Assurantiën. [bedrijf 2] Assurantiën adviseerde contractant inzake zijn verzekeringen. Vanuit die bestaande adviesrelatie stelde de adviseur voor om de mogelijkheden te bespreken voor het opbouwen van vermogen via aandelenlease. De adviseur heeft vervolgens een adviesgesprek ingepland bij contractant thuis. De adviseur is meerdere keren bij contractant op huisbezoek geweest.
Tijdens een van de huisbezoeken heeft de adviseur geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van contractant. De adviseur was, gelet op de bestaande adviesrelatie, reeds op de hoogte van de financiële situatie van contractant. Daarnaast is met de adviseur gesproken over de hypothecaire situatie en de pensioenregeling van contractant. Contractant gaf aan de wens te hebben om zijn hypothecaire lening vroegtijdig af te lossen, zijn pensioenregeling aan te vullen en om meer rendement te behalen dan met een reguliere spaarrekening. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om die doelstelling te bereiken. Tijdens de huisbezoeken adviseerde de adviseur om twee Triple Effect overeenkomsten af te sluiten, één met een maandelijkse inleg van ongeveer ƒ 500,00 en één met een maandelijkse inleg van ongeveer ƒ 250,00. De adviseur vertelde dat deze maandelijkse betalingen in de maandelijkse financiële ruimte van contractant zouden passen. Volgens de adviseur zou contractant op deze wijze het gewenste vermogen opbouwen.
Contractant had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft contractant het advies van de adviseur opgevolgd en twee Triple Effect overeenkomsten afgesloten, met een maandelijkse inleg van respectievelijk ƒ 502,65 en ƒ 248,35.
De adviseur heeft contractant niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan, en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. Als contractant op deze risico’s gewezen was had hij de Triple Effect overeenkomsten nooit afgesloten.
Dictum
De kantonrechter:
in het incident van [eiseres]
5.1.
wijst de vordering af,
5.2.
compenseert de proceskosten,
in het incident van [bedrijf 1]
5.3.
wijst de vordering van [bedrijf 1] af,
5.4.
veroordeelt [bedrijf 1] in proceskosten van [eiseres] , tot op heden begroot op € 82,00,
in conventie
5.5.
verklaart voor recht dat [bedrijf 1] onrechtmatig jegens contractant heeft gehandeld door contractant als cliënt te accepteren, terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon contractant niet alleen als klant aanbracht, maar contractant tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
5.6.
verklaart voor recht dat [eiseres] , in haar hoedanigheid van wettelijk erfgenaam van contractant, schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van [bedrijf 1] en [bedrijf 1] gehouden is die schade aan [eiseres] te vergoeden,
5.7.
veroordeelt [bedrijf 1] om aan [eiseres] te betalen de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 4.13.,
5.8.
veroordeelt [bedrijf 1] in de proceskosten van € 899,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [bedrijf 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [bedrijf 1] ook de kosten van betekening betalen,
5.9.
veroordeelt [bedrijf 1] in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
5.10.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.11.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.12.
wijst de vorderingen af,
5.13.
veroordeelt [bedrijf 1] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiseres] gevallen, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.B. Verkleij, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 april 2025.
In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:8992), gerechtshof Amsterdam, 25 januari 2021 (ECLI:NL:GHAMS:2021:1462) en gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023 (ECLI:NL:GHSHE:2023:23).
Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.
Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.
Procesverloop
4.8.
[eiseres] heeft, ter onderbouwing van haar stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
een kopie van de overeenkomst van 6 mei 1998 met contractnummer 51006039, voorzien van de tekst: “491 [bedrijf 2] Assurantien”,
een kopie van de overeenkomst van 6 augustus 1999 met contractnummer 51302516, voorzien van de tekst: “ATP00491 - [bedrijf 2] Assurantiën”,
een kopie van een uittreksel van de KvK van de tussenpersoon met als beschrijving van de activiteiten ‘Het assurantiebedrijf, het bemiddelen bij het afsluiten van financieringen en hypotheken en het verzorgen van pensioenen’.
4.9.
Met deze feitelijke uiteenzetting en stukken heeft [eiseres] voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. [bedrijf 1] heeft de door [eiseres] geschetste gang van zaken slechts in algemene termen betwist. [bedrijf 1] had echter meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds geen sprake is geweest van advisering. Zo had [bedrijf 1] moeten uiteenzetten op welke wijze de overeenkomsten in haar visie tot stand waren gekomen. [bedrijf 1] heeft weliswaar erop gewezen dat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen contractant en de adviseur van de tussenpersoon, maar dat kan [bedrijf 1] niet baten. Voor zover [bedrijf 1] daardoor in bewijsnood is, komt dat voor haar rekening en risico. Niet alleen had zij zoals hiervoor is overwogen eerder bewijs kunnen verzamelen, maar daarbij komt dat [bedrijf 1] destijds ervan heeft afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten en gebruik heeft gemaakt van tussenpersonen – waaronder [bedrijf 2] Assurantiën – voor de afzet van haar producten. Dit terwijl het voor haar als aan toezicht onderworpen effecteninstelling verboden was om van die tussenpersoon cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt. Het had op haar weg gelegen om daarop controle uit te oefenen en ervoor te zorgen dat zij wel over concrete informatie beschikte over de totstandkoming van een contract en de daarbij betrokken (medewerker van de) tussenpersoon. Bovendien heeft [bedrijf 1] niet de aanvraagformulieren overgelegd, waarvan [eiseres] in het incident om een afschrift heeft verzocht. [bedrijf 1] heeft in haar conclusie van antwoord in het incident betoogd dat deze formulieren niet relevant zijn, omdat [bedrijf 1] niet betwist dat [bedrijf 2] Assurantiën op enige wijze betrokken is geweest bij de totstandkoming van de overeenkomsten. Voor de vraag of [bedrijf 2] Assurantiën contractant al dan niet vergunningplichtig heeft geadviseerd, is volgens [bedrijf 1] de inhoud van het contact tussen die beiden van belang en die volgt niet uit de informatie die mogelijk staat vermeld op de aanvraagformulieren. [bedrijf 1] heeft echter niet betwist dat de overeenkomsten op basis van de aanvraagformulieren zijn opgesteld en dat dit, naast de persoonlijke informatie van contractant, ook informatie van de betrokken adviseur en tussenpersoon bevat, zoals [eiseres] heeft aangevoerd. Als het werkelijk zo is dat deze formulieren geen relevante informatie bevatten, dan valt niet in te zien waarom [bedrijf 1] deze niet in de procedure brengt. Het verweer van [bedrijf 1] is dus al met al onvoldoende onderbouwd. Daarom wordt uitgegaan van de juistheid van de door [eiseres] geschetste gang van zaken nu [bedrijf 1] deze onvoldoende heeft weersproken. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.
wetenschap [bedrijf 1]
4.10.
[eiseres] stelt dat [bedrijf 1] wist, althans behoorde te weten, dat de tussenpersoon een op de persoon van contractant toegesneden beleggingsadvies heeft gegeven. [bedrijf 1] betwist dit. Uit diverse uitspraken volgt dat [bedrijf 1] ermee bekend moet zijn geweest dat tussenpersonen op grote schaal individueel persoonlijk financieel advies gaven. Hoewel in dit geval niet is gebleken dat [bedrijf 1] concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan contractant, had het op de weg van [bedrijf 1] gelegen om bij de totstandkoming van de overeenkomsten met contractant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomsten is aangegaan op advies van de tussenpersoon, om te kunnen beoordelen of zij de overeenkomsten met contractant kon en mocht aangaan. Dat [bedrijf 1] in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht is gesteld noch gebleken. Zij had derhalve behoren te weten dat contractant door de tussenpersoon is geadviseerd.
aansprakelijkheid [bedrijf 1]
4.11. Nu [bedrijf 1] ondanks het voorgaande toch met contractant de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens contractant onrechtmatig gehandeld. Dit moet [bedrijf 1] zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan contractant omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van [bedrijf 1] geheel in stand blijft. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van [bedrijf 1] .
vorderingen van [eiseres] in conventie
4.12.
De door [eiseres] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat [bedrijf 1] onrechtmatig jegens contractant heeft gehandeld door contractant als cliënt te accepteren, terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon contractant niet alleen als klant aanbracht maar hem ook persoonlijk had geadviseerd, terwijl tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat.
Daarnaast wordt voor recht verklaard dat [eiseres] , in haar hoedanigheid van wettelijk erfgenaam van contractant, schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van [bedrijf 1] en dat [bedrijf 1] gehouden is die schade aan [eiseres] te vergoeden.
4.13.
De als gevolg hiervan door [eiseres] – in haar hoedanigheid van wettelijk erfgenaam van contractant en vertegenwoordiger van de gemeenschap – geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door [bedrijf 1] overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [eiseres] , behoudens het daarin berekende fiscaal voordeel, niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. [eiseres] heeft Biljetten van Proces over de jaren 1998 en 1999 overgelegd waaruit volgens [eiseres] volgt dat [bedrijf 1] over die jaren het verkeerde belastingtarief (50%) heeft gebruikt. Het hof ’s-Hertogenbosch heeft in het arrest van 16 april 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:1327) uitgelegd hoe de berekening gemaakt moet worden om het fiscaal voordeel te begroten in de gevallen waar de Wet IB 1964 van toepassing is. Daaruit volgt dat het ‘stipinkomen’ uitsluitend kan worden gebruikt indien geen sprake is van fiscale oudedagsreserve en verrekening van verliezen. Uit de door [eiseres] overgelegde Biljetten van Proces blijkt niet dat daarvan sprake is. Aldus moet in deze zaak bij de berekening van het fiscaal voordeel over de jaren 1998 en 1999 worden uitgegaan van het lagere, door [eiseres] genoemde, tarief.
Procesverloop
Voor zover partijen twisten over het fiscale voordeel in verband met kosten, wordt overwogen dat – reeds omdat dit fiscale voordeel niet daadwerkelijk is genoten – dit niet in aanmerking dient te worden genomen. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door [bedrijf 1] is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door [bedrijf 1] te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).
4.14.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
4.15.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [eiseres] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
de incidentele vordering van [eiseres]
4.16.
vordert [bedrijf 1] te veroordelen om afschriften te verstrekken van de aanvraagformulieren. Uit het voorgaande volgt dat [eiseres] in de hoofdzaak in het gelijk zal worden gesteld. Zij heeft dan ook geen belang meer bij deze stukken, zodat de vordering zal worden afgewezen. De proceskosten zullen worden gecompenseerd.
de incidentele vordering van [bedrijf 1]
4.17.
vordert dat [eiseres] wordt veroordeeld het intakeformulier van haar gemachtigde aan [bedrijf 1] te verstrekken. Een zogenoemde “exhibitievordering” komt in beginsel voor toewijzing in aanmerking als is voldaan aan de volgende uit artikel 843a lid 1 Rv voortvloeiende, cumulatieve voorwaarden:
- degene die de vordering instelt, dient een rechtmatig belang te hebben,
- het moet gaan om bepaalde bescheiden,
- aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is.
4.18.
Daargelaten de vraag of aan deze vereisten is voldaan, oordeelt de kantonrechter dat op grond van het derde en vierde lid van artikel 843a Rv geen inzage van het intakeformulier verlangd kan worden. In het derde lid van artikel 843a Rv is, kortgezegd, bepaald dat beoefenaren van vertrouwensberoepen ter zake van hetgeen hen in hun hoedanigheid is toevertrouwd niet gehouden zijn om aan de exhibitievordering te voldoen. In beginsel betreft dit alle met de beroepsbeoefenaar gewisselde stukken en is het aan de beroepsbeoefenaar om te bepalen of die informatie hem in zijn hoedanigheid zijn toevertrouwd. Er is dus bij hoge uitzondering ruimte om van de beroepsbeoefenaar te verlangen dat hij zich niet op zijn verschoningsrecht beroept. Ook van [eiseres] als cliënt van de beroepsbeoefenaar kan (ervan uitgaande dat [eiseres] , althans haar gemachtigde, in het bezit is van het intakeformulier) geen inzage worden verlangd omdat gewichtige redenen als bedoeld in het vierde lid van artikel 843a Rv, zich daartegen verzetten. [bedrijf 1] wil kennelijk weten welke gegevens [eiseres] destijds aan haar gemachtigde heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van haar gemachtigde terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier dient echter onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens, via een toegewezen exhibitievordering, bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Al met al oordeelt de kantonrechter dat de incidentele vordering van [bedrijf 1] moet worden afgewezen.
4.19.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van [bedrijf 1] omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op € 82,00.
vorderingen [bedrijf 1] in reconventie
4.20.
Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van [bedrijf 1] in reconventie afgewezen.
proceskosten
4.21.
[bedrijf 1] zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eiseres] gevallen. Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [eiseres] in conventie worden begroot op:
- dagvaarding € 135,97
- griffierecht € 87,00
- salaris gemachtigde € 542,00 (2 x tarief € 271,00)
- nakosten € 135,00
Totaal € 899,97
4.22.
De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.